Tussen Chromebook en digibord: ICT-infrastructuur in de Vlaamse scholen

In deze en volgende blogposts wil ik graag enkele markante resultaten van het meest recente MICTIVO 3-rapport toelichten. MICTIVO is een onderzoek naar de ICT-integratie in Vlaamse scholen en belicht tal van aspecten. Indeze eerste post sta ik stil bij de ICT-infrastructuur.

Gemiddeld staan er in het gewoon lager onderwijs nu 21 laptops, 29 desktops, 12 tablets en 3,5 chromebooks in een lagere school ofwel 1 PC, laptop, of tablet per 4,1 leerlingen in het gewoon lager onderwijs. Opvallend maar niet abnormaal is wel dat het aantal desktops verder afneemt ten voordele van laptops, tablets en chromebooks. Het aandeel desktops bedraagt nog slechts 44% van het computerpark. Ongeveer 1/5 van het computerpark in het LO bestaat uit tablets en chromebooks.

Bijna alle toestellen zijn voorzien van internet en dit zowel in gewoon als buitengewoon lager onderwijs.

In het buitengewoon lager onderwijs is er 1 laptop en desktop  beschikbaar per 2 leerlingen. De meeste desktops en laptops bevinden zich in een leslokaal (65.5%). De meeste tablets bevinden zich ook in een leslokaal (44.8%) en chromebooks hebben geen vaste plaats op school (90.9%). Het aantal computers in een computerlokaal, studiezaal, bibliotheek of open leercentrum is vrij beperkt.

Het (gewoon) secundair onderwijs beschikt over een groot computerpark. Gemiddeld zijn er 212 desktops, 55 laptops, 27 tablets en meer dan 10 chromebooks beschikbaar. Daarmee zijn in het SO gemiddeld één device per 2 leerlingen beschikbaar. Het aantal chromebooks biedt echter een vertekend beeld omdat één school  over 923 chromebooks beschikt. Ongeveer 10% van de secundaire scholen beschikt effectief over 10 of meer chromebooks.

Ook het BuSO beschikt gemiddeld over 1 toestel per 2,2 leerlingen. Tablets en chromebooks zijn hier echter veel minder beschikbaar. De infrastructuur in het BuSO bestaat voornamelijk uit laptops en desktops.

Ouderdom en herkomst van het pc-park

Een groot deel van het computerpark in het lager onderwijs is sterk verouderd. In het gewoon lager onderwijs is 57% van de desktops en laptops ouder dan 4 jaar en 33% tussen de 1 en 4 jaar oud. Een bemerking hierbij is dat er tegenwicht wordt geboden door de opkomst van het aantal tablets. Deze toestellen zijn over het algemeen jonger. Het aandeel tablets en chromebooks (zoals gezegd 1/5 van het computerpark) is niet of veel minder onderhevig aan deze veroudering.  

De situatie is beter in het secundair onderwijs, en de situatie is ook verbeterd t.o.v. van de vorige afname. 33,3% van de laptops en desktops is ouder dan vier jaar, 39,5% is tussen 1 en 4 jaar oud en 15,8% is nieuw. Bijna alle tablets en chromebooks zijn minder dan 4 jaar oud. Op basis van de aangeboden onderwijsvormen in scholen (middenschool, ASO, BSO/TSO) wordt geen significant verschil vastgesteld voor de ouderdom van de computers.

Het buitengewoon secundair onderwijs beschikt over het meest verouderde pc-park over alle onderwijsniveaus en types heen. Bijna 60% van de computers is ouder dan 4 jaar, 22,7% tussen 1 en 4 jaar en slechts 10,1 % is nieuw.

Ook interessant is de herkomst van de computers. Ook hier weer zien we grote verschillen tussen het basis- en secundair onderwijs. In het lager onderwijs is slechts 53,9 % van de desktops en laptops nieuw aangekocht materiaal, 25,2% zijn tweedehands aangekocht en 19,3% zijn giften. Tablets en chromebooks worden wel in de meeste gevallen nieuw aangekocht. Het aankoopbeleid is vrij gelijkaardig in het buitengewoon lager onderwijs.

In het secundair onderwijs is de situatie wel gunstiger. Bijna 75% van de laptops en desktops bestaat uit nieuw aangekochte pc’s, 20,7% zijn tweedehands en 3,6% komt zijn schenkingen. Het aandeel tweedehands aankopen is licht gestegen t.o.v. vorige afnames.   Tablets en chromebooks worden bijna altijd nieuw aangekocht.

Binnen het secundair onderwijs zijn er op dit vlak wel grote verschillen tussen gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. In het buitengewoon secundair onderwijs maakt men veel meer gebruik van tweedehands materiaal (22,3%) en giften (30,7%) dan het gewoon secundair onderwijs. Net niet de helft (46,3%) van de desktops en laptops wordt nieuw aangekocht. Het aandeel tweedehands aankopen is in het BuSO sterk gestegen t.o.v. een vorige afname.

Tablets  en chromebooks

In MICTIVO1 werd de beschikbaarheid van chromebooks en tablets niet bevraagd. In de huidige meting (2017-2018) zien we dat het aantal mobiele toestellen is toegenomen en meer ingeburgerd is in het Vlaamse onderwijs. Vooral in het secundair onderwijs ligt het gemiddelde aantal tablets per school (ongeveer 28 in vergelijking met gemiddeld 10 in MICTIVO2) vrij hoog. De toename is zichtbaar in het totaal aantal desktops, laptops en tablets per 100 leerlingen in alle onderwijsniveaus en -types. Steeds meer scholen blijken eerder tablets en chromebooks aan te kopen dan desktop computers of laptops.

Tablets kennen de laatste jaren een grotere opmars in scholen. In vergelijking met MICTIVO2 is het aantal tablets in alle onderwijsniveaus gestegen, zowel in het gewoon als buitengewoon onderwijs. Voor tablets kan er niet worden vergeleken met MICTIVO1 aangezien deze toen nog niet waren opgenomen in het onderzoek. Het verschil in aantal chromebooks met MICTIVO2 valt moeilijk na te gaan aangezien deze ten tijden van MICTIVO2 (bijna) niet aanwezig waren in de scholen en vandaag de dag ook slechts in enkele scholen voorkomen.

Aanwezigheid van andere hardware en software

Op vlak van andere hardware is er de voorbije jaren wél een inhaalbeweging gebeurd. Scholen hebben duidelijk geïnvesteerd in digitale schoolborden, projectoren en draadloos internet zijn nu bijna in alle scholen aanwezig. Zo beschikken ruim bijna 92% van de lagere scholen over projectoren (gemiddeld bijna 6). 89% van de scholen heeft meerdere digitale fototoestellen ter beschikking. Wanneer ze daar niet over beschikken geven ze meestal aan dat ze er geen behoefte aan hebben. In het BLO beschikken 97% van de scholen over meerdere projectoren (gemiddeld 4) .

We merken vooral een grote doorbraak van digitale schoolborden en draadloos internet. Vijf jaar geleden was een meerderheid van de aantal scholen uitgerust met digitale borden, maar het aantal is de voorbije jaren nog sterk toegenomen. In het gewoon lager onderwijs bijvoorbeeld beschikken nu de meeste scholen (93.3%) over digitale borden. Vijf jaar geleden was dit 73.2% en tien jaar geleden 8.4%. In het buitengewoon lager onderwijs is dit nu 74.3%. Dit is een grote toename in vergelijking met tien jaar geleden. Eenzelfde ontwikkeling zien we in het gewoon secundair onderwijs (van 29.6% (M1) naar 78.9% (M3) en het buitengewoon secundair onderwijs (van 5.9% (M1) naar 62.5% (M3)).

Er is niet enkel een sterke toename van het aantal scholen dat over digitale borden beschikt, er zijn binnen de scholen zelf ook meer digitale borden dan vijf en tien jaar geleden. In het gewoon lager onderwijs is dit een verviervoudiging op tien jaar tijd en een verdubbeling op vijf jaar tijd (van 2.35 naar 5.68 naar 9.58 digitale borden per school). In het buitengewoon lager onderwijs is dit een verdubbeling (3.00 naar 3.86 naar 6.65 digitale borden per school). Dezelfde trend zien we in het gewoon secundair onderwijs (van gemiddeld 2.10 naar 6.72 naar 11.73 digitale borden per school) en in het buitengewoon secundair onderwijs (van gemiddeld 2.50 naar 6.88 digitale borden op vijf jaar tijd).

lee het volledige rapport op www.mictivo.be

ICT en digitale media in het onderwijs: wat zeggen de beleidsnota’s?

Dat er (serieus) moet bespaard worden wisten we al. Toch hebben de Vlaamse beleidsnota’s van Onderwijs, Media, Cultuur, Inburgering en Armoede ook aandacht voor de verdere digitalisering van het onderwijs. Wat opvalt is een continuering van voorgaand beleid met aandacht voor digitale leermiddelen en een duidelijke focus op digitale geletterdheid. Als we op de beleidsnota’s afgaan moeten we niet echt grootschalige nieuwe projecten verwachten. Dat heeft uiteraard met de krappe budgetten te maken. Een beleidsnota is weliswaar een belangrijke indicatie voor het nieuwe beleid, de ervaring leert echter dat veel beleid en cours de route vorm krijgt. Zo vermeld de beleidsnota Onderwijs zo goed als niets over curriculumhervorming, terwijl die er – in het kader van de hervorming Secundair Onderwijs – wel zit aan te komen. Zo’n curriculumhervorming zou voor allerhande zogenaamde 21e eeuwse vaardigheden (waaronder digitale geletterdheid, programmeren, mediawijsheid,…) wel eens heel belangrijk kunnen zijn. Maar het blijft dus nog wachten op meer concrete beleidsintenties op dat vlak. Hierna een overzicht van wat al wél al in de beleidsnota’s staat.

media_xll_7243779

 

 

 

 

 

Infrastructuur

Minister van Onderwijs Crevits wil ter vervanging van de huidige aflopende regeling voor internetconnectiviteit (Telenet-SchoolNet) een nieuwe raamovereenkomst onderhandelen rond breedband internet voor scholen.
Opleiding

Omwille van de besparingen werden de middelen voor ICT-nascholing via de vzw SNPB geschrapt en herbestemd. Wel wil de minister inzetten op Massive Open Online Courses (MOOCs) als e-learning methodiek en als nascholingskanaal voor leraren.

 

e-safety
eSafety-Logo_RGBCentraal in het beleid staat het eSafety Label project, dat na twee jaar als pilot klaar is om breed uitgerold te worden. Dit project beoogt een geïntegreerde aanpak van veilig ICT-gebruik via een schoolbrede aanpak waarbij op drie terreinen wordt gewerkt:

  • Schoolbeleid: Acceptable Use Policy, rol van ICT-coördinatoren, beleid inzake gsm-gebruik, social media beleid, …
  • Praktijk: mate waarin veilig ICT-gebruik aan bod komt in de lessen, mate waarin ouders betrokken/geïnformeerd worden, nascholing,…
  • Infrastructuur: firewall, back-up, paswoordenbeleid,…

 

Onderzoek

In 2016 is een evaluatie van het Plan Geletterdheid voorzien, dit met het oog op de verdere uitbouw van een structureel geletterdheidsbeleid in de periode 2016-2020. En om het ICT-beleid in het Vlaamse Onderwijs te monitoren en te evalueren voorziet minister Crevits een nieuwe afname van de ICT-monitor in 2017.

 

Digitale leermiddelen

De Beleidsnota Cultuur (minister Sven Gatz) meldt dat zowel het gamefonds als het Vlaams Instituut voor Archivering van Audiovisueel materiaal (VIAA) nog voorwerp zijn van evaluaties. Van beide organisaties loopt de beheersovereenkomst weldra ten einde. We gaan ervan uit dat deze nog niet zolang geleden opgestarte projecten verlengd zullen worden. Het VIAA dat o.a . het VRT-archief openstelt voor scholen levert immers schitterend werk. Een kleine 300 leraren testen momenteel hun educatief platform Testbeeld uit. Minister Crevits kondigt in haar eigen Beleidsnota trouwens aan dat ze de educatieve werking van het VIAA actief wil steunen.

Minister Crevits kondigt ook de uitbouw van een uniek toegangsportaal voor open leermiddelen aan, wellicht in de vorm van een single sign-on infrastructuur voor diverse leermiddelenverstrekkers zoals VIAA, Klascement, Knooppunt etc.

 

Mediageletterdheid

Om gelijke tred te houden met de snelle digitalisering en verdere mediatisering van de samenleving moet er de volgende jaren nog meer aan mediawijsheid worden gewerkt. Om deze reden krijgt het Kenniscentrum Mediawijsheid (www.mediawijs.be) meer verantwoordelijkheid. Voogdijminister Gatz wil dit Kenniscentrum uitbouwen tot hét referentiepunt voor mediawijsheid in Vlaanderen. Het Kenniscentrum Mediawijsheid zal nieuwe acties en initiatieven ondernemen, actuele trends opvolgen en specifieke doelgroepen bereiken. En dit in overleg met o.a. het beleidsdomein onderwijs.

Het leesbevorderingsproject ‘Kranten in de Klas’ blijft bestaan maar wordt grondig aangepast. Van een passieve kennismaking met gedrukte kranten moet het project evolueren naar een actieve consultatie van digitale nieuwssites, participatie aan discussiegroepen ed. De komende legislatuur wil bevoegd minister Sven Gatz dit project nog meer afstemmen op de technologische evoluties binnen het medialandschap.

 

Digitale kloof

In de beleidsnota’s ‘Inburgering’ en ‘Armoedebestrijding’ vinden we tenslotte enkele passages terug over de bestrijding van de digitale kloof. Al zijn die minder concreet uitgewerkt. Binnen de inburgeringstrajecten wil de bevoegde minister Liesbeth Homans extra aandacht voor het werken aan geletterdheid in zijn ruime betekenis, waaronder digitale geletterdheid. Op die manier wil ze de Nederlandse taalverwerving extra ondersteunen en de digitale kloof verminderen. Ambitieus is de wil om bij inburgeringstrajecten gebruik te maken van ‘e-learning’ of ‘blended learning’ teneinde de combinatie van inburgering met werk, kinderopvang, opleiding, verblijf in het buitenland, etc. mogelijk en makkelijker te maken.

ICT-monitor (2) effectief ICT-gebruik in Vlaamse scholen

Aan leerkrachten is gevraagd in welke mate ze verschillende klasgerelateerde activiteiten uitvoeren waarbij ICT kan ingezet worden. Het effectieve gebruik van ICT voor lesvoorbereidingen en tijdens de lessen is er licht op vooruitgegaan t.o.v. vijf jaar geleden. Maar van een veralgemeend ICT-gebruik is nog lang geen sprake. De overgrote meerderheid (85%) van de leerkrachten in het lager onderwijs  gebruikt de computer regelmatig (dagelijks of wekelijks of meerdere keren per maand) voor lesvoorbereidingen. Iets meer dan 50% gebruikt de computer regelmatig tijdens de les. Ook opvallend is dat ICT in het lager onderwijs het meest gebruikt wordt in het leergebied wereldoriëntatie (54,1%) gevolgd door wiskunde (26,1%) en Nederlands (10%).

aard en frequentie samenv 

 

 

 

 

 

In het secundair onderwijs is het gebruik in de lessen nog veel lager. Iets meer dan 70% van de leerkrachten gebruikt de computer regelmatig voor lesvoorbereidingen. De meerderheid van de leerkrachten (50%) gebruikt de computer slechts een paar keer per jaar in de les; slechts 35% van leerkrachten in het secundair onderwijs gebruikt de computer met enige regelmaat. In het lager onderwijs gebruikt 4% van de leerkrachten de computer nooit. In het secundair onderwijs is dat percentage liefst 13,4%.

 Games en sociale netwerksites

Het gebruik van sociale netwerksites en games voor educatieve doelen is nog niet ingeburgerd in het onderwijs. 80% van de leerkrachten secundair onderwijs en 77% in het basisonderwijs gebruiken helemaal nooit games in de klas. Jongere leerkrachten en leerkrachten uit de eerste graad secundair onderwijs gebruiken soms games. Iets meer dan de helft van alle leerkrachten gebruikt nooit sociale netwerksites in het basis- en secundair onderwijs. Jongere leerkrachten en leerkrachten in het BSO gebruiken iets meer sociale netwerken dan hun collega’s.

Het volledige rapport vind je hier

Digitale leesvaardigheden van Vlaamse jongeren getest

Vorige week werden de resultaten bekend gemaakt van de component ‘Digitale leesvaardigheid’ van het PISA-onderzoek. Deze resultaten vormen een belangrijke aanvulling bij de eerder ‘traditionele’ resultaten van PISA 2009 die reeds in december vorig jaar bekend werden gemaakt. Waar we in december zagen hoe onze Vlaamse 15-jarigen internationaal goed scoorden wat betreft klassieke leesvaardigheid op papier, kunnen we nu een gelijkaardig positief statement maken wat betreft de digitale leesvaardigheid (omgaan met digitale informatie, kritische analyse van digitale teksten, enz.) van deze leerlingen. In 2009 werd in het kader van het PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment) namelijk voor het eerst getest hoe leesvaardig 15-jarigen zijn wanneer de test wordt aangeboden op PC. Onze leefwereld wordt in sneltempo gedigitaliseerd; het is dan ook uiterst relevant de digitale vaardigheden van onze jongvolwassenen onder de loep te nemen.
 
Aangezien het hier gaat om een optionele test namen niet alle PISA-landen eraan deel. We kunnen de score van Vlaanderen vergelijken met die van 19 landen. Daaruit leren we dat drie landen het beduidend beter doen (Korea, Nieuw-Zeeland en Australië) en dat Vlaanderen dus een knappe (met Japan gedeelde) vierde plaats behaalt. De gemiddelde Vlaamse score voor ‘digital reading’ verschilt niet van deze voor ‘print reading’; de competenties van onze Vlaamse leerlingen blijven dus van eenzelfde hoog niveau voor beide ‘vormen’ van leesvaardigheid.
Naast de goede gemiddelde prestatie constateren we dat ruim 40% van de Vlaamse 15-jarigen (tegenover 31% OESO-gemiddelde) zich in de twee hoogste vaardigheidsniveaus bevindt. Wie deze niveaus behaalt, kan enerzijds allerlei informatie terugvinden uit een veelheid aan complexe bronnen en kan anderzijds de aangetroffen informatie kritisch bekijken. Aan dit laatste aspect dienen we evenzeer belang te hechten; immers niet alle aangeboden informatie is even bruikbaar, kwaliteitsvol of betrouwbaar…
 
Bij de leesvaardigheidstests met pen en papier scoren meisjes in alle deelnemende landen beduidend beter dan jongens. Het aanwenden van een computer om de test af te nemen zorgt ervoor dat het scoreverschil krimpt en de jongens dus dichter in de buurt van de meisjes komen (echter zonder hen in te halen). Dit is de internationale tendens die in Vlaanderen echter niet tot uiting komt. Het scoreverschil tussen jongens en meisjes blijft nagenoeg constant. Hierbij dient opgemerkt dat het verschil tussen Vlaamse jongens en meisjes  al kleiner is dan gemiddelde overheen de OESO-landen.   
 
Een zeer groot deel van de Vlaamse 15-jarigen (90%) geeft aan thuis een computer te gebruiken. Anderzijds betekent dit dat één op tien dat niet doet. De Vlaamse scholen blijken goed in te spelen op deze digitale kloof die ontstaat in de thuissituatie van leerlingen. Driekwart van de (minderheid van) leerlingen die zegt thuis geen computer te gebruiken, gebruikt wél een computer op school. Op die manier wordt het aandeel 15-jarigen dat nooit een computer gebruikt beperkt tot 2,5%.
De mate waarin leerlingen thuis ICT gebruiken toont een verband met hun score qua digitale leesvaardigheid. Internationaal zien we dat gematigde ICT-gebruikers (zowel voor ontspanning als voor schoolwerk) gemiddeld beter scoren dan de zeer intensieve of zeer zwakke gebruikers. Intensieve gebruikers doen het wel beter dan zwakke gebruikers.
In Vlaanderen houdt eenzelfde verband stand wat betreft het ICT-gebruik voor schoolwerk; intensief ICT-gebruik voor ontspanningsdoeleinden wordt in Vlaanderen echter geassocieerd met een lagere prestatie dan bij zwak ICT-gebruik.   
 
Uit de gegevens blijkt verder dat er een positief verband bestaat tussen de score voor digitale geletterdheid en het gebruik van een PC op school. Wanneer echter de intensiteit van het PC-gebruik van naderbij bekeken wordt, stellen we vast dat de meest intense gebruikers een lagere digitale leesscore halen dan de gematigde of zelfs minst intense gebruikers. Deze vaststelling geldt voor de hele internationale steekproef, maar doet  allicht wat wenkbrauwen fronsen… Vooreerst moet duidelijk zijn dat hier rekening wordt gehouden met alle activiteiten waarvoor leerlingen op school een PC gebruiken en dus niet enkel met het didactische gebruik. Verder kunnen enkele voorzichtige hypotheses mogelijk een verklaring bieden voor het enigzins onverwachte verband. Het is mogelijk dat leerlingen die in het algemeen zwakker presteren op school vaker gebruik maken van de PC voor remediërende doeleinden. Het is eveneens mogelijk dat leerlingen die thuis geen toegang hebben tot een PC vaker op school gebruik maken van deze infrastructuur. Het al dan niet thuis toegang hebben tot een PC houdt echter verband met de socio-economische thuissituatie van de leerling; wat dan weer verband houdt met de algemene prestatie.
 
De belangrijkste conclusie is dat Vlaamse leerlingen op zich goed scoren op digitale leesvaardigheid maar dat het ICT-gebruik thuis daarbij een minstens even belangrijke rol speelt dan het ICT-gebruik op school.  

Meer info: Digitale Geletterdheid volgens PISA

E-leren voor laaggeschoolde volwassenen

Deze week publiceerde Ghislain De Bondt de eerste bevindingen van zijn onderzoek naar de mogelijkheden van blended learning als leerweg voor laagggeschoolde volwassenen. Ghislain doet dit onderzoek voor OCB vzw (Oost-Vlaamse Centra voor Basiseducatie) én in het kader van zijn scriptie ( Sociale Agogiek). Hij heeft als lesgever en stafmedewerker ICT reeds 14 jaar ervaring in de basiseducatie, en is dus goed geplaatst om enkele theoretische principes aan de realiteit te toetsen.

Computerlokaal

Het onderzoek gaat na of laaggeschoolde cursisten ook door middel een blended leren-traject de vooropgestelde eindtermen kunnen halen, en welke randvoorwaarden daarbij belangrijk zijn. Er wordt ook nagegaan in hoeverre enerzijds cursisten, anderzijds lesgevers blended leren als geschikt beschouwen voor laaggeschoolden.

Het volledige artikel kan je lezen in de nieuwsbrief  ‘van A tot Z’  van maart 2010 (te vinden op de website van VOCVO ).  Ghislain komt tot bevindingen en conclusies als:

  • Lesgevers blijken in het onderzoek minder positief over blended leren dan de betrokken laaggeschoolde cursisten. Ze schatten ook de tevredenheid van de cursisten die een blended cursus volgden te laag in.
  • Cursisten van lesgevers die veel tijd investeerden in online coaching, staan positiever tegenover e-leren.
  • Weinig lesgevers achten zelfzelf in staat om e-content aan te maken. De meerderheid van hen vindt dat er op Vlaams niveau initiatief moet genomen worden om het tekort aan e-content op te lossen.
  • Open leercentra kunnen een belangrijke rol spelen om e-leren haalbaar te maken bij laaggeschoolde volwassenen.

Deze en andere conclusies in het onderzoek zijn wellicht niet echt eigen aan de doelgroep van laaggeschoolde volwassenen. Elk van de drempels die  bij het kwaliteitsvol organiseren van blended leren-trajecten opduiken, zullen wellicht wel nog hoger liggen bij deze doelgroep. Zo zal er nood zijn aan nog meer coaching,  nog meer zorg voor kwaliteitsvolle e-content, nog betere ICT-ondersteuning vanuit het centrum, een nog sterkere visie, …

Ghislain De Bondt concludeert op basis van zijn bevindingen dat er – mits er aan dergelijke randvoorwaarden wordt voldaan – wel degelijk een rol is weggelegd voor gecombineerd leren. En dat blended leren een meerwaarde kan creëren, ook voor laaggeschoolde volwassenen. Ik zie alvast uit naar het volledige eindrapport (wellicht juni 2010).