Op studiebezoek in Noord-Ierland

Ik heb het genoegen deel uit te maken van een werkgroep van de Europese Commissie die zich bezighoudt met digitale vaardigheden. Via die werkgroep kom ik regelmatig in contact met buitenlandse collega’s, leer ik ICT-projecten uit de EU kennen en kan ik een kijkje nemen hoe het in andere landen aan toegaat. Een van die studiebezoeken of Peer Learning Activities ging vorige week door in Belfast.

De hoofdstad van Noord-Ierland heeft zelf heel wat te danken aan de EU die het vredesproces tussen Britsgezinde unionisten en Iersgezinde katholieken heeft gefinancierd. Het vredesproces werkt, maar het is broos en er is een schandalig grote muur (de “peace wall” heet hij eufemistisch) die de wijken en de mensen van elkaar scheidt. Ook hier weer heb ik kunnen vaststellen dat Europa wel degelijk werkt, want het is de unie die zorgt voor de financiële onderbouw van het vredesproces. Met Europees geld werd er gezorgd voor werk, stadvernieuwing, gemeenschapscentra, recreatieparken en nog veel meer. Geen wonder dat een grote meerderheid hier tegen de Brexit stemde en zich zorgen maakt over wat de impact ervan zal zijn.

De “Peace wall” en een mural in Belfast

 

 

 

 

 

Maar we kwamen dus niet naar Belfast om het over herinneringseducatie, maar wel over ICT in het onderwijs te hebben. Meer specifiek ging het over samenwerking met de industrie, arbeidsmarkt en bedrijfsleven. De inbreng van bedrijven in het schoolgebeuren lijkt hier veel groter dan in Vlaanderen.  De discussie over de samenwerking onderwijs-arbeidsmarkt en de skills gap was dezelfde die enkele weken gelden nog voerde met mensen van het STEM-platform. Wanneer het gaat over samenwerking met het bedrijfsleven zien de vertegenwoordigers daarvan (niet enkel bedrijven maar bv ook de  VDAB) onderwijs soms heel erg in functie van de toelevering naar de arbeidsmarkt en het oplossen van het tekort aan bepaalde arbeidsmarktprofielen. Hier moeten twee kanttekeningen bij gemaakt worden:

1/ Het onderwijs heeft meerdere finaliteiten en de toelevering naar de arbeidsmarkt is er daar slechts één van. Onderwijs heeft immers ook als taak waarden over te dragen en actief burgerschap aan te kweken, talenten te ontwikkelen en basisvaardigheden aan te leren. Een te dominante inmenging van het bedrijfsleven op onderwijs houdt dus het risico in zich dat de toeleiding naar bedrijven te veel aandacht krijgt.

2/ Een tweede bedenking die ik me maakte is dat de industrie er soms een zeer dubbelzinnige houding op nahoudt als het gaat om de omgang met kinderen en jongeren in onderwijs: aan de ene kant vragen ze meer aandacht voor creativiteit, kritisch denken, samenwerking, probleemoplossend vermogen en verwachten ze studenten die actief kunnen bijdragen aan de digitale wereld. Tegelijkertijd zien ze onderwijs als een gigantische afzetmarkt en zien ze liefst zoveel mogelijk leerlingen en leraren die hun technologie, games, apps, software en “brands” gebruiken. Die laatste houding weerspiegelt eerder een visie die jongeren ziet als passieve consumenten van technologie dan die van actieve participanten …

Op de tweede dag van de PLA bezocht ik de Blythefield Primary School. Een klein basisschooltje in een van de meer achtergestelde wijken van Belfast. Een lokaal ICT bedrijf Komt er wekelijks een codeclub organiseren, tijdens de lessen. Ze zorgen voor een deel van de infrastructuur, maar brengen ook twee personeelsleden in die als coaches mee begeleidingen doen samen met de leerkracht. De samenwerking zorgt voor een win-win voor zowel de school als het bedrijf, dat talent zowel spot als volgt (Dat laatste vond ik wel verregaand; het ging hier immers om lager onderwijs).

De school maakt zo weinig als mogelijk gebruik van handboeken, maar wel van vrije leermiddelen  (zgn. open educational resources) o.a. complexere programmeeropdrachten en instructies afkomstig van de Raspberry Pi foundation. De discussie over het gebruik van OER is met name van belang wanneer het gaat om samenwerking met industrie. Eén van de grootste industrieën in onderwijs zijn immers die van de educatieve uitgevers. De school in Belfast koos er resoluut voor om zo weinig mogelijk papieren tekstboeken te gebruiken. Iets wat in Vlaanderen nog niet echt aan de orde is…

 

 

 

 

 

Maar dit studiebezoek leerde me ook enkele positieve aspecten kennen van samenwerking tussen scholen en het bedrijfsleven. Zo kunnen scholen – met name in de STEM-domeinen – gebruik maken van de nieuwste technologie, tools en software, wat het onderwijs vernieuwend,  praktisch en leerlingbetrokken kan maken.

Uit de landenpresentaties die volgden op dag 3 weerhoud ik dit keer vooral de presentaties over het Portugese model. Portugal zit in een gelijkaardige situatie als Vlaanderen, curriculumhervormingen laten lang op zich wachten en de administratie wil niet wachten om programmeren prominenter op de agenda te zetten. Als oplossing kozen ze daar voor het opzetten van code clubs in de scholen. Die codeclubs vinden plaats buiten de lessen maar er zijn belangrijke verschillen met het model dat onze eigen minister van innovatie Muyters voor ogen heeft:

  • De Portugese code clubs vinden altijd plaats in scholen en bv. niet in bibliotheken of ander locaties;
  • De betrokken scholen werden door de overheid geselecteerd en net de scholen in kansarme buurten of met een moeilijke populatie kreeg voorrang;
  • Deelname is extra-curriculair en maakt deel uit van naschools opvangaanbod maar het is voor iedereen gratis;
  • De lesgevers zijn leerkrachten die daarvoor een incentive en een opleiding krijgen. Dit zorgt ook voor een grote transfer naar de ICT lessen in school zelf;
  • Inhouden, toepassingen, software komen voornamelijk uit het bedrijfsleven;
  • Het programma wordt zo goed als integraal door de industrie gefinancierd.

Portugal participeert ook in het “Apps for good programme”, een soort programmeerwedstrijd waarbij teams nuttige apps moeten ontwikkelen. We kregen een interessant case te zien en konden via skype ook vragen stellen aan de deelnemen leerlingen. De leerlingen hadden naast het ontwerpen van de app zelf heel wat zgn. 21e eeuwse vaardigheden geleerd: in team werken, werk verdelen, ideeën uitschrijven en uitwerken, problemen oplossen, creativiteit. Bijna de helft van het team zei dat het werken aan de app hen een beter inzicht in hun eigen talenten had opgeleverd en ook een impact had op hun toekomstige studiekeuze.

Com@ModemDag 2016 in tien hoogtepunten

Gisteren vond voor het eerst sinds 3 jaar de com@modemdag terug plaats. Het ter ziele gegane Modem is ondertussen in afgeslankte versie maar met steun van Thomas More Hogeschool terug een operationeel kennis- en adviescentrum rond compenserende en ondersteunende technologie voor mensen met beperkingen. Een deel van de expertise van het vroegere Modem wordt zo behouden en opnieuw gedeeld. Dat er nood is aan dergelijke ondersteuning bleek uit de opkomst. Ruim 180 professionals uit onderwijs, paramedische diensten en zorginstellingen kwamen bijeen voor de hoogmis van de compenserende technologie in Vlaanderen.

Ik was erg benieuwd wat voor nieuws ze in petto zouden hebben nu de studiedag drie jaar lang niet heeft plaatsgevonden. Opvallend: weinig en veel nieuws tegelijk. Weinig, omdat het nog steeds dezelfde usual suspects zijn die in Vlaanderen compenserende technologie ontwikkelen en verdelen. Veel bekende producten zoals Grid, Mindexpress passeerden opnieuw de revue. Maar ook nieuws: dezelfde producten en diensten hebben zichzelf moeten heruitvinden. Omwille van de vraag naar  toegankelijk maken van sociale media, omwille van concurrentie van de ‘gewone’ tablet, omwille van de transformatie van robuuste software met geïntegreerde functies naar een veelheid van apps met een veel grotere waaier aan functionaliteiten.

banner-com-ad-modem

En zo was de Com@ModemDag toch weer wat we er inmiddels van gewoon waren: de dag waarop je tientallen nieuwe toepassingen de revue ziet passeren en waarvoor je vervolgens een jaar nodig hebt om een deel ervan uit te proberen. Mijn 10 highlights van de Com@ModemDag 2016 zijn de volgende:

1/ De Zingui2 een lichte maar robuuste spraakcomputer met een 8 inch aanraakscherm. Door de flexibiliteit van de Mind Express communicatiesoftware kan je het toestel volledig personaliseren. Bestaande woordenlijsten of communicatiekaarten aanpassen of individualiseren vormt geen enkel probleem. De Zingui bedien je via het aanraakscherm, via één of twee schakelaars (scannen), een (aangepaste) muis of een ander USB-apparaat. Je kan er ook vooraf opgenomen spraakboodschappen mee afspelen. Zingui is compatibel met een heleboel andere software wat hem tot een topper onder de spraakapparaten maakt.

2/ MindExpress is één van de softwarepakketten die al jaren meegaan en die nu opnieuw zijn aangepast o.a. aan bediening van social media. Andere nieuwe features zijn multimedia, agendafuncties, dynamische lijsten, zelf roosters tekenen (freestyle), symbolensets, editors om zelf oefeningen, games en communicatiekaarten te maken, PODD-boeken in het Nederlands, verbeterde spraakuitvoer enz.

3/ Als onderdeel van Mind Express is er nu ook Score, een functie waarbij een gedeelte van een communicatiekaart statisch is, en een gedeelte dynamisch afhankelijk van context.  Deze applicatie is gebaseerd op Duits onderzoek naar de meest gebruikte woorden (core woorden).

4/ Zetalk_time_a5_2ker een van de leukere gadgets op deze Com-dag: Premium Talk Time Cards. Goedkope (12-18 euro) herbruikbare sprekende briefkaarten waar je en spraakboodschap van 60 seconden kan mee opnemen. Leuk en nuttig om heen en weer mee te nemen naar huis en school, als memo- of planningshulpje of als ondersteunende boodschappendrager. Beschikbaar in A4, A5 of A6 formaat en bovendien personaliseerbaar via een beschrijfbaar whiteboardje.

5/ Een heleboel nieuwe draadloze switches, robuuste laptophoezen en –houders werden gedemonstreerd. Mij viel daarbij vooral op hoe duur die dingen zijn tegenover het draad-houdende aanbod. De iSwitch draadloze knop voor Appletoestellen kost maar liefst 185 euro. Uit dit gamma onthou ik de lichte, mobiele tabletstatief Music Stand, bedoeld voor muzikanten  maar zeker ook bruikbaar voor bv slechtzienden of andere gebruikers die hun tablet vooral statisch gebruiken. Dit ding kost wel 120 euro.

6/ Zeer gewaardeerd heb ik de keynote van Jeroen Baldewijns (Blindenzorg Licht en Liefde) over Universal Design. Interessant aan zijn betoog was dat hij tal van voorbeelden gaf waaruit blijkt dat de geesten stilaan rijp zijn om het idee van universal design toe te passen. Producenten van hardware en apps hebben stilaan door dat het not done is om de grote groep gebruikers met beperkingen te negeren. Zo introduceerde BNP Paribas Fortis een geldautomaat met audio-input waar je als blinde of slechtziende via een oortje de uitleg en commando’s in spraak krijgt. Er is ook een sprekende bankkaartlezer.

7/ Hij stelde ook een fundamentele discussie op scherp: tabletmakers hebben veel geïnvesteerd in universele toegankelijkheid of stellen apps ter beschikking die de toegankelijkheid erg vergroten. Apple heeft veel ingebouwde toegankelijkheidsopties geïntegreerd in de iPad: zoomer en contrast, vergrootglas in iOs, Voice over met degelijke Nederlandstalige stem, audiodescriptie en ondertitels, Siri en dicteren, voorwerpherkenning. Een mooi voorbeeld van de toepassing hiervan in de klas, vind je in deze video. In welke mate heb je dan nog computeraanpassingen of specifieke compenserende technologie nodig? Ook het VAPH betaalt nu immers “gewone” consummententablets terug voor personen met een beperking. Voer voor heel wat discussie.

8/ Sympathiek project is VIAMIGO, een app voor slimme mobiliteit voor personen met een handicap. Deze in Vlaanderen ontwikkelde app helpt mensen met beperkingen en vooral hun begeleiders bij extra muros verplaatsingen. Waar er soms veel begeleiding nodig is bij dergelijke verplaatsingen gebeurt dit nu van op afstand via de Viamigo-app. De basis daarvan is een tracker via gsm of smartphone. De begeleider (coach) beschikt over een dispatch-achtige interface waarop hij het traject in real time kan volgen en meldingen krijgt bij vertrek en aankomst, als er afgeweken wordt van de route, bij te lang stilstaan of ongepaste snelheid. Kwam mij een beetje big brother-achtig over maar ik kan me het nut ervan wel voorstellen.

9/ Splash City: is een wikskunde app voor leerlingen met motorische beperkingen. Alle subdisciplines (meetkunde, rekenen, vergelijkingen, figuren, …) komen in motorisch vereenvoudigde aan bod op pc. De app heeft ook een via switch of toetsenbord bedienbare meetlat, passer, gradenboog etc. Verder zijn er functionaliteiten zoals invulvelden, tekstvakken plaatsen, etc en er is een leerlingen en lerarenmodus voor opvolging. Kost wel 210 euro en is Engelstalig.

10/ En tenslotte als uitsmijter: de SENteacher, een must voor leraren uit het (buitengewoon) lager onderwijs. Boordevol gratis picto’s, freeware, lesbladen, spelletjes enz.

Leren met een smartphone

Met een werkgroep van de Europese Commissie was ik de voorbije dagen te gast in Hamburg voor een studiebezoek. Het onderwerp was deze keer BYOD ofwel “bring your own device”, het systeem van infrastructuurvoorziening waarbij elke leerling een eigen computer naar school meebrengt om mee te werken in de les.

De keuze voor Hamburg om daarover een studietweedaagse te organiseren was ingegeven door een grootschalige pilot: “Start in die nächste Generation”. Voor dat project werden 6 scholen geselecteerd (3 ASO en 3 BSO/TSO). De lokale overheid voorziet in de wifi-infrastructuur (géén detail in dit project!), de school bedenkt het pedagogisch model, de leerling brengt mee wat hij heeft, in 90% is dat een smartphone, slechts een minderheid brengt een tablet of laptop mee.

En dat is anders dan in andere landen of regio’s. Gedurende de eerste dag waren er een aantal inhoudelijke presentaties over het project maar ook landenpresentaties waarbij BYOD-initiatieven uit Duitsland, Cyprus, Luxemburg, Vlaanderen en Oostenrijk werden voorgesteld. Ik heb er zelf de resultaten van het Edutab-project voorgesteld.

Uit de verschillende presentaties bleek dat twee problemen steeds naar voor komen: infrastructuur (bandbreedte, een performant wifi-netwerk, oplaadpunten, …) en digitale leerinhouden. Wat dat laatste betreft merken we in de meeste landen een contentmix waarbij soms digitale versies van handboeken worden gebruikt, aangevuld met apps en door leraren zelf gemaakte oefeningen, werkbladen, e-books etc. Er is wat dit betreft in zowat heel Europa een appel aan educatieve uitgevers om businessmodellen te ontwikkelen voor de educatieve mobiele technologiemarkt. Zoniet evolueren we naar een model waarin meer en meer leraren zelf content (moeten) gaan ontwikkelen.

Uit de landenpresentaties bleek overigens wel een belangrijk verschil wat de technologie zelf betreft: in Cyprus betekent BYOD dat leerlingen meestal een laptop meebrengen, in Vlaanderen zijn dat overduidelijk tablets, in Duitsland smartphones.

slide BYODInteressant was ook de presentatie van Jim Ayre die de BYOD-gids van European Schoolnet kwam voorstellen. Hij presenteerde daarbij verschillende pedagogische en organisatorische modellen waarmee scholen aan de slag gaan. Van BYOD waarbij de school bepaalt welk merk of model tablet moet meegebracht worden, over scholen die enkel een minimumfunctionaliteit opleggen, tot scholen die alles toelaten. Pedagogisch betekent dit dat sommige scholen echt voor een geïntegreerde vorm BYOD gaan waarbij de meegebrachte toestellen effectief gebruikt en ook nodig zijn voor het leerproces. Andere gaan dan weer voor een vorm van BYOD waarbij de eigen devices eerder gedoogd worden maar slechts af en toe ingeschakeld worden in de lessen. Ook in Vlaanderen manifesteren zich dergelijke grote verschillen in aanpak heel duidelijk.

De praktijk dan. Op dag twee konden we een bezoek brengen aan één van de 6 pilotscholen. Ikzelf koos voor een gemeenschapsschool, “Stadtteilschule Oldenfelde”, waar beroeps en technisch onderwijs wordt aangeboden. Het was voor mij de allereerste keer dat ik een volledige klas zag leren met smartphones. Slechts 2 leerlingen hadden een tablet. De juf hanteerde een vrij traditionele set-up waarbij de leerlingen in een halve cirkel rond haar zaten. Gedurende deze les Engels moesten leerlingen informatie opzoeken op een Britse website en deze info verwerken in een online werkblad. Bij aanvang van de les moesten leerlingen een Padlet gebruiken voor een brainstorm. Alle taken konden ze vinden op het elektronisch leerplatform its learning. De problematiek van het vinden van digitale leerinhoud manifesteerde zich hier ook. Er werd een mix gebruikt van apps, het officiële leerhandboek, de werkbladen uit dat handboek, door de juf zelf gemaakte oefeningen en authentieke websites. De lerares bevestigde nadien dat er heel veel tijd kruipt in het bijeenzoeken van alle materiaal, het bedenken van de opdrachten en het inbrengen van dat alles in de leeromgeving.hamburg 3De leerlingen waren constant in de weer op hun gsm’s om info op te zoeken of in te vullen. In tegenstelling tot wat ik had verwacht hebben zij geen enkel probleem met het kleine scherm. Het zag er allemaal heel natuurlijk uit. Het gebruik van de smartphone ondersteunde de samenwerking tussen de leerlingen die in groepjes van 2 of 4 samen aan de taak werkten. De technologie was in deze klas ondersteunend aan de opdracht, en het leek voor de leerlingen niet extra motiverend. Na een tijdje (lesblokken duren hier 90 minuten aan één stuk!) merkte ik toch wat afleiding bij sommige leerlingen: ze begonnen te sms-en of hun facebookpagina te checken.

Belangrijkste conclusies van dit bezoek:

  • Er is nog een duidelijk rol weggelegd voor uitgevers, niet alleen voor het ontwikkelen van digitale methodes, maar ook voor kleinere leerobjecten, gebaseerd op methodes of deel uitmakend van leerlijnen.
  • Een goede technische infrastructuur gefinancierd én beheerd door de lokale overheid draagt in grote mate bij aan het succes van dit Duitse project. Het vergt overigens grote investeringen om een performant wifinetwerk draaiende te houden. Veel installatie- en onderhoudswerk wordt geoutsourced.
  • De aard van het device lijkt er minder toe te doen dan ik had verwacht. Zelfs met kleine schermen op smarthones slagen leerlingen er in reguliere opzoek- en invultaken te volbrengen.
  • Samenwerkend leren en de beschikbaarheid over multimedia apps leken hier de belangrijkste meerwaarde te leveren voor het leerproces. Het mobiele karakter van smartphones, wat klasdoorbrekend leren mogelijk maakt, bleef hier onbenut.
  • Er waren een aantal praktische beslommeringen die de lerares er gewoon bij had te nemen: in de klas waren heel weinig oplaadmogelijkheden voor de smartphones, de gsm zorgde soms voor afleiding, sommige leerlingen waren hun paswoord voor bepaalde apps vergeten,…

 

ICT en digitale media in het onderwijs: wat zeggen de beleidsnota’s?

Dat er (serieus) moet bespaard worden wisten we al. Toch hebben de Vlaamse beleidsnota’s van Onderwijs, Media, Cultuur, Inburgering en Armoede ook aandacht voor de verdere digitalisering van het onderwijs. Wat opvalt is een continuering van voorgaand beleid met aandacht voor digitale leermiddelen en een duidelijke focus op digitale geletterdheid. Als we op de beleidsnota’s afgaan moeten we niet echt grootschalige nieuwe projecten verwachten. Dat heeft uiteraard met de krappe budgetten te maken. Een beleidsnota is weliswaar een belangrijke indicatie voor het nieuwe beleid, de ervaring leert echter dat veel beleid en cours de route vorm krijgt. Zo vermeld de beleidsnota Onderwijs zo goed als niets over curriculumhervorming, terwijl die er – in het kader van de hervorming Secundair Onderwijs – wel zit aan te komen. Zo’n curriculumhervorming zou voor allerhande zogenaamde 21e eeuwse vaardigheden (waaronder digitale geletterdheid, programmeren, mediawijsheid,…) wel eens heel belangrijk kunnen zijn. Maar het blijft dus nog wachten op meer concrete beleidsintenties op dat vlak. Hierna een overzicht van wat al wél al in de beleidsnota’s staat.

media_xll_7243779

 

 

 

 

 

Infrastructuur

Minister van Onderwijs Crevits wil ter vervanging van de huidige aflopende regeling voor internetconnectiviteit (Telenet-SchoolNet) een nieuwe raamovereenkomst onderhandelen rond breedband internet voor scholen.
Opleiding

Omwille van de besparingen werden de middelen voor ICT-nascholing via de vzw SNPB geschrapt en herbestemd. Wel wil de minister inzetten op Massive Open Online Courses (MOOCs) als e-learning methodiek en als nascholingskanaal voor leraren.

 

e-safety
eSafety-Logo_RGBCentraal in het beleid staat het eSafety Label project, dat na twee jaar als pilot klaar is om breed uitgerold te worden. Dit project beoogt een geïntegreerde aanpak van veilig ICT-gebruik via een schoolbrede aanpak waarbij op drie terreinen wordt gewerkt:

  • Schoolbeleid: Acceptable Use Policy, rol van ICT-coördinatoren, beleid inzake gsm-gebruik, social media beleid, …
  • Praktijk: mate waarin veilig ICT-gebruik aan bod komt in de lessen, mate waarin ouders betrokken/geïnformeerd worden, nascholing,…
  • Infrastructuur: firewall, back-up, paswoordenbeleid,…

 

Onderzoek

In 2016 is een evaluatie van het Plan Geletterdheid voorzien, dit met het oog op de verdere uitbouw van een structureel geletterdheidsbeleid in de periode 2016-2020. En om het ICT-beleid in het Vlaamse Onderwijs te monitoren en te evalueren voorziet minister Crevits een nieuwe afname van de ICT-monitor in 2017.

 

Digitale leermiddelen

De Beleidsnota Cultuur (minister Sven Gatz) meldt dat zowel het gamefonds als het Vlaams Instituut voor Archivering van Audiovisueel materiaal (VIAA) nog voorwerp zijn van evaluaties. Van beide organisaties loopt de beheersovereenkomst weldra ten einde. We gaan ervan uit dat deze nog niet zolang geleden opgestarte projecten verlengd zullen worden. Het VIAA dat o.a . het VRT-archief openstelt voor scholen levert immers schitterend werk. Een kleine 300 leraren testen momenteel hun educatief platform Testbeeld uit. Minister Crevits kondigt in haar eigen Beleidsnota trouwens aan dat ze de educatieve werking van het VIAA actief wil steunen.

Minister Crevits kondigt ook de uitbouw van een uniek toegangsportaal voor open leermiddelen aan, wellicht in de vorm van een single sign-on infrastructuur voor diverse leermiddelenverstrekkers zoals VIAA, Klascement, Knooppunt etc.

 

Mediageletterdheid

Om gelijke tred te houden met de snelle digitalisering en verdere mediatisering van de samenleving moet er de volgende jaren nog meer aan mediawijsheid worden gewerkt. Om deze reden krijgt het Kenniscentrum Mediawijsheid (www.mediawijs.be) meer verantwoordelijkheid. Voogdijminister Gatz wil dit Kenniscentrum uitbouwen tot hét referentiepunt voor mediawijsheid in Vlaanderen. Het Kenniscentrum Mediawijsheid zal nieuwe acties en initiatieven ondernemen, actuele trends opvolgen en specifieke doelgroepen bereiken. En dit in overleg met o.a. het beleidsdomein onderwijs.

Het leesbevorderingsproject ‘Kranten in de Klas’ blijft bestaan maar wordt grondig aangepast. Van een passieve kennismaking met gedrukte kranten moet het project evolueren naar een actieve consultatie van digitale nieuwssites, participatie aan discussiegroepen ed. De komende legislatuur wil bevoegd minister Sven Gatz dit project nog meer afstemmen op de technologische evoluties binnen het medialandschap.

 

Digitale kloof

In de beleidsnota’s ‘Inburgering’ en ‘Armoedebestrijding’ vinden we tenslotte enkele passages terug over de bestrijding van de digitale kloof. Al zijn die minder concreet uitgewerkt. Binnen de inburgeringstrajecten wil de bevoegde minister Liesbeth Homans extra aandacht voor het werken aan geletterdheid in zijn ruime betekenis, waaronder digitale geletterdheid. Op die manier wil ze de Nederlandse taalverwerving extra ondersteunen en de digitale kloof verminderen. Ambitieus is de wil om bij inburgeringstrajecten gebruik te maken van ‘e-learning’ of ‘blended learning’ teneinde de combinatie van inburgering met werk, kinderopvang, opleiding, verblijf in het buitenland, etc. mogelijk en makkelijker te maken.

Re:Pest geïntegreerd programma tegen pesten op school

banner

De preventie van pestgedrag, zelfdoding en psychische problemen staan hoog op de maatschappelijke agenda. Het voorbije jaar zijn we er meermaals mee geconfronteerd en al te veel leerlingen krijgen er  tijdens hun opleiding mee te maken. Het welbevinden van leerlingen op school is dan ook een van de speerpunten van het onderwijsbeleid.

Daarom lanceert het Departement Onderwijs het geïntegreerde programma Re:Pest. Dit lessenpakket wil een bijdrage leveren aan het voorkomen van pestgedrag op school en aan het verhogen van het welbevinden in de klas. Het lessenpakket richt zich op de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs.

 Re:Pest is een educatief project tegen pesten dat bestaat uit verschillende onderdelen en dat gericht is op leerlingen uit de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs. Het creëert een toegevoegde waarde bij al genomen maatregelen ter bestrijding van pestgedrag. Re:Pest bestaat uit volgende  onderdelen:

  • De handleiding is een hulpmiddel voor schoolpersoneel dat samen met leerlingen werkt aan een veilige leeromgeving. Het biedt naast achtergrondinformatie over pesten ook een uitgewerkt lessenpakket aan van vier lesuren. In dit lessenpakket worden verschillende werkvormen toegelicht zoals de game, onderwijsleergesprekken, rollenspelen, stellingenspel,…
  • De vorming voor leerkrachten bereidt leerkrachten voor om van start te gaan met het lessenpakket. De filosofie van waaruit vertrokken wordt in het Re:Pest verhaal wordt verduidelijkt.
  • De website, www.howest.be/repest, is bij de lessenreeks een omvangrijke bron van aanvullende informatie zoals voorbeelden, filmpjes, oefeningen, wetenschappelijk onderzoek en actuele berichtgeving.
  • Een gids voor ouders bevat informatie over de problematiek van het pesten. Het geeft tips aan ouders van kinderen die geconfronteerd worden met pestgedrag. Deze gids wordt ter beschikking gesteld van de scholen die intekenen op Re:Pest.
  •  Het educatieve 3D game Re: pest. Bijzonder aan dit lessenpakket is de game Re:Pest. Geïnspireerd door het Finse KIVA-project en dankbaar gebruik makend van de Kortrijkse antipestgame werd een serious game op punt gesteld. Leerlingen maken aan de hand van dit game op een aantrekkelijke manier kennis met situaties en  rollen die bij pestgedrag voorkomen. Een computergame maakt als dusdanig nog geen deel uit van de leermiddelen en maatregelen die binnen het bovenvermelde beleid inzake het tegengaan van antisociaal gedrag – waar cyberpesten onmiskenbaar deel van uitmaakt –  genomen werden. Echter, de Hogeschool West- Vlaanderen en Katho (Ipsoc) ontwikkelden een antipestgame in opdracht van de Stad Kortrijk. Het spel is een  simulatiegame en werd gebruikt in het kader van preventieactiviteiten van de Stad Kortrijk.

Scholen die aan de slag willen gaan met Re:Pest vinden meer informatie op www.howest.be/repest .

Leren lesgeven zonder digitaal bord

 Marketing is iets opmerkelijks. Marketeers slagen er in om ons vooreerst duidelijk te maken dat we iets missen, dat we ons dringend iets moeten aanschaffen. Vervolgens overtuigen ze er ons van dat we zoveel gelukkiger zijn en beter presteren met wat ze ons hebben laten aanschaffen. Om tenslotte onszelf te laten verkondigen dat we “niet meer zonder zouden kunnen”.

En dat is nu net wat er is gebeurd met de hype van het digitale bord.
Vele honderden jaren was elke lesgever volstrekt tevreden met een krijtbord. Een quasi onverslijtbaar en duurzaam instrument dat je toeliet om aantekeningen te maken (en ze opnieuw uit te wissen!), tekeningen te maken, prenten op te hangen,… Ten opzichte van de huidige interactieve borden boden ze heel wat voordelen: geen kopzorgen over stroompannes of een server die plat ligt, geen onderhoud of updates nodig, geen kabels die liggen te slingeren, geen beamer, … Maar vooral: multitouch! Zoveel leerlingen als we zelf wenselijk achtten, konden simultaan aan het krijtbord aan de slag.
En tijdens de speeltijd? Dan leefden de kinderen zich met stoepkrijt uit op de grootste interactieve speelplaats aller tijden! Ze tekenden op de betontegels en wonderwel: de tekening verscheen op ware grote op hun speelplaats, in kleur! Voorwaar een “must have” voor elke school…

Stijn Van Laer kreeg zeer terecht uitgebreide media-aandacht tijdens de voorbije weken. Hij zorgde immers voor een onderzoek dat elke schooldirectie zou moeten lezen om gewapend het marketinggeweld van de digiborden-lobby tegemoet te gaan: “Hoe gebruiken leerkrachten een digibord?” Het resultaat lijkt in één zin samen te vatten: 44% van de leerkrachten gebruikt zijn of haar digitaal bord niet. Rekening houdende met de lamentabele staat van vele schoolgebouwen, de noodzakelijke wafelslagen en eetfestijnen om geld in te zamelen,… op zijn minst een conclusie die tot nadenken stemt.

Afhankelijk van je doel of belang kan je hier twee meningen uit laten volgen:
-“Vlaamse scholen dienen dringend werk te maken van een intensieve bijscholing rond het gebruik van de digitale borden die in hun lokalen hangen. Pas dan zullen de leerkrachten degelijk gebruik kunnen maken van de schoolborden met al hun mogelijkheden.” (Noot: voor bijscholingen ben je vaak nog eens aangewezen op het aanbod van de fabrikant van je digibord.)
-“De huidige generatie digitale schoolborden bieden geen toegevoegde waarde aan de Vlaamse leerkracht. Velen voelden zich verplicht om mee te stappen in de hype, maar blijven teleurgesteld achter.”

Uiteraard zijn er vele lesgevers die prachtig gebruik maken van de toegevoegde waarde van een digitaal bord. Maar moeten we ook niet durven inzien dat dit niet voor ieder van ons is weggelegd? En dan doel ik niet zozeer op “engagement” of op “ict-vaardigheden”, maar eerder op de eigen stijl van lesgeven, de eigen dynamiek in de klas. Daarom ook geen pleidooi tegen digitale borden, maar wel een oproep om kritisch na te gaan of een digitaal bord in jouw leslokaal wel de verhoopte meerwaarde zal bieden die de commerciële aanbieders beloven.

Komen we immers niet uit een tijd waar we negatief stonden ten opzichte van het frontale lesgeven? Waarbij we zochten naar alternatieve (“activerende”) lesvormen?  Waarom laten we ons “bord” dan nu niet los?

De echte meerwaarde die de opkomst van het interactieve bord met zich mee heeft gebracht ligt in vele klaslokalen niet zozeer in het interactieve gebruik ervan, maar eerder in de bijhorende plaatsing van een multimediaprojector. Deze vaste plaatsing (een noodzaak bij een interactief bord) maakt dat vele lesgevers veel vaker gebruik maken van visualisaties in de klas: ze gaan vaker op internet, ze zoeken sneller een filmpje op en tonen veel vaker foto’s en didactische platen.
Maar heb je daarvoor een digitaal bord nodig? Helemaal niet: een computer en multimediaprojector volstaan. Wat zou immers de meerwaarde kunnen zijn van een digitaal bord om je filmpje te projecteren…? Meteen is echter de kostprijs voor je klasopstelling minstens met 60% naar omlaag gehaald…

Uiteraard is deze column zwartwit opgesteld. Uiteraard zijn er vele lesgevers die zich met hart en ziel overgeven aan hun digitale bord en er zeer veel meerwaarde uit halen. Maar we moeten ook durven inzien dat een digitaal bord geen must is om interactief les te geven, om “modern” les te geven, om het doel te bereiken die we allen nastreven: het aanbieden van kwalitatief onderwijs.

Geert Callebaut

Mediadocent
Lerarenopleidingen KAHOSL-Aalst

Onze school verbiedt gsm’s…

 Dat jongeren steeds sneller in het bezit zijn van een gsm is oud nieuws. Dat ze zich te pletter sms’en ook. Dat gsm’s verbannen worden uit klas lijkt echter een evidentie te zijn. Maar gaan we zo niet voorbij aan een cruciaal element uit de leefwereld van onze leerlingen? Hét communicatiemiddel bij uitstek voor hen? Wordt het niet hoog tijd om de gsm niet alleen toe te laten in onze klassen, maar ook actief aan te wenden met het oog op het bereiken van de lesdoelen? Zeker nu je met een gsm eindeloos meer dingen kan doen dan slechts telefoneren en sms’en.

Verbieden!

Ouders en leerkrachten zijn het er over eens: een gsm hoort niet thuis in de klas. Wordt een leerling toch betrapt met de gsm onder de bank, dan volgt meestal inbeslagname tot na schooltijd. “Leerlingen worden door hun gsm slechts afgeleid van de essentie in een klas: kennis, vaardigheden en attitudes verwerven.” Zolang we een gsm echter blijven benaderen als een ‘speeltje’ waarbij men in schabouwelijk Nederlands non-events naar elkaar stuurt, cyberpesten hoogtij viert en de concentratie van de les wegneemt, kan dit verbod gerust behouden blijven. Maar aangezien de huidige generatie leerlingen opgroeit met de gsm in de hand, kan er mogelijks ook gepleit worden om leerlingen constructief te leren omgaan met de mogelijkheden van hun mobieltje. Door de gsm inhoudelijk te gebruiken in de les, kan de aandacht net verhoogd worden. Welkom in de leefwereld van je leerlingen…

 Mediawijsheid wordt een steeds belangrijker item in de scholen: leerlingen niet alleen de werking van de (nieuwe) media leren kennen, maar hen ook voldoende begeleiden inzake het gebruik ervan en de invloed op hun leven. Uiteraard zijn er vele gevaren verbonden aan het actieve gebruik van de nieuwste technologieën en hun toepassingen. Maar een eenvoudig verbod zou te eenvoudig zijn en deze problemen slechts verbannen naar de momenten buiten de schoolmuren. De school heeft een cruciale taak in het ‘streetwise’ maken van de leerlingen in het nieuwe medialandschap.

 Smartphones

Steeds meer gsm’s worden kleine zakcomputers met onder andere een GPS-module, wifi-aansluiting en vele Apps. De markt van de smartphones is explosief gegroeid, de prijzen zijn sterk gedaald en de doelgroep is verplaatst van zakenmensen naar zowat elk lid van onze maatschappij. Even je mail nakijken op je telefoon, de aankomst van je trein checken of je Facebookpagina updaten? Niets mag nog een probleem vormen met je smartphone in je hand.
Willen we echter onze leerlingen toelaten om hun smartphone te gebruiken in de les, dan zal dit moeten kaderen in een ruimere visie van de totale school. Zo is Wifi-toegang voor iedere leerling een must. Dat vraagt de nodige maatregelen inzake toegangsbeveiliging en een voldoende sterk netwerk. Er zal een protocol moeten opgemaakt worden waardoor de krijtlijnen waarbinnen leerlingen zich mogen bewegen in dit draadloze schoolnetwerk, duidelijk zijn. Wie zich niet aan de regels kan houden, zal de consequenties ondervinden. Net zoals bij alle andere afspraken op school.

 Hoe een smartphone integreren in je lessen?

Geotagging: Zowat elke smartphone heeft een gps-module ingebouwd. Daarmee kan je niet alleen zeer precies je eigen geografische positie bepalen, maar ook routes uitstippelen. Leerlingen kunnen op deze wijze een stads- of natuurwandeling perfect in kaart brengen, illustreren met foto- en filmmateriaal en er extra inhoudelijke informatie aan toevoegen. Interdisciplinair werken in de praktijk…
Varianten hierop zijn eindeloos. Waarom zou je bijvoorbeeld je leerlingen geen wandeling doorheen de schoolgebouwen laten opmaken? Bezoekers op de infodag kunnen dan aan de hand van de smartphone de school ontdekken. Op elke stopplaats krijgen de bezoekers dan informatie die specifiek gelinkt is aan die ruimte: een fragment van een turnles, de visietekst van de school, foto’s van het schoolfeest,…

QR-codes: iedereen kent ze, slechts weinigen gebruiken ze. Een QR-code is de moderne variant van de streepjescode en kan veel meer informatie bevatten. Je neemt met je smartphone een foto van zo’n QR-code en je belandt direct op een website, een stukje tekst, een mailadres,… Waarom neem je in je cursus geen QR-codes op die verwijzen naar illustratieve beeldfragmenten of verdiepende sites? Je maakt zo van je cursus op slag een interactief bordboek.

 GTranslate: Laat je leerlingen anderstalige teksten fotograferen met hun smartphone. Een app zorgt er wel voor dat de tekst herkend en vertaald wordt. Je leerlingen hun opdracht is vervolgens om de vertaalde tekst foutloos en leesbaar te maken.

 Google: Met de internet-zoekfunctie op elke smartphone heeft elke leerling een zeer uitgebreide encyclopedie bij de hand. Hen opzoekingswerk laten verrichten bij recente actualiteit, nieuwsberichten laten volgen, extra informatie over het lesthema laten delen met de anderen,… De mogelijkheden zijn onuitputtelijk. In onze kennismaatschappij wordt het steeds belangrijker om informatie gericht te kunnen opzoeken en ligt de focus steeds minder op louter memoriseren en parate kennis.

 De smartphone als een stemkastje: Velen kennen ze, slechts weinig hebben ze: de stemkastjes voor gebruik in de klas. Vaak worden ze gelinkt aan het gebruik van een digitaal bord, maar op zich hebben ze er niets mee te maken. Deze stemkastjes kan je in je les integreren door je leerlingen op regelmatige basis te bevragen. Dat kan met kennis- en inzichtsvragen, maar evenzeer bevragingen rond opinies zijn mogelijk. Surf eens naar www.socrative.com en  je merkt direct hoe eenvoudig het werkt.

Meer weten? www.onderwijsvernieuwing.be

Geert Callebaut, febr 2012

Als iedere druppel telt.

Soms vallen projecten en nieuws wonderbaarlijk en ongepland samen.

Zo ook vrijdag laatstleden zat ik mijn dagelijkse portie nieuws te consumeren. TV-zender Eén bracht een nieuwsitem over de lacunes van startende verpleegkundigen. Het blijkt dat de onmiddellijke inzetbaarheid van afgestudeerden mindert : http://www.deredactie.be/permalink/1.1132215

Wil het nu toch wel lukken dat ik deze week 2 projecten heb afgerond voor verpleegkundigen en een nieuw zal opstarten.

Elke druppel telt.
Dat de rekenvaardigheid van van Jan Modaal vermindert, weten we al langer. Maar verpleegkundigen kunnen het zich niet veroorloven om rekenfouten te maken in doseringen.
Rekenen in de gezondheidszorg moet snel, nauwkeurig en onder stresserende omstandigheden. Een foute berekening van een dosering kan fatale gevolgen hebben en leidt in elk geval tot ernstige ongemakken en gevolgen bij de patiënt. Studies wijzen uit dat fouten nog te vaak voorkomen. Een doseringsfout komt minder vaak voor, maar heeft een grote kans op ernstige gevolgen en moet dus ABSOLUUT worden vermeden.
Het UZGent heeft in een samenwerking tussen de dienst Apotheek, de dienst Vorming en VDAB-Webleren een unieke e-learningmodule over Medisch Rekenen ontwikkeld.

Zo zie je dat op het kruispunt van Onderwijs, Werk en Bedrijfsleven, e-learning zijn steentje bijdraagt. En daar ben ik blij om.

De webcursus staat gratis ter beschikking voor ieder individu en je kan er hier meer over lezen: http://contact.vdab.be/webleren/2011/03/medisch-rekenen.html

Knelpuntberoep
Ik trap een open deur in met “Verpleegkundige is een knelpuntberoep”. Daarom lanceerden we als tweede online infosessie die voor verpleegkundige : http://vdab.be/infosessie/verpleegkundige/index.html

Nog even aanstippen dat op 18 maart 2012 de Dag van de Zorg zal georganiseerd worden.
Als iemand een goed idee heeft om dit online te promoten en zorgberoepen online in het zoeklicht te zetten, of als je een online “ziekenhuisgame” kent… geef me maar een seintje via  onze fanpage op FB.

Aan een coole onderwijsminister

Everybody teaches, everybody learns *

1 september 2010. Bijna 1 mio leerlingen naar school. Vanaf vandaag is ook mediawijsheid een ‘officieel onderwijsdoel’, m.n. een vakoverschrijdende eindterm, zoals dat heet. [N.v.d.r. voel ik daar de wind van de vernieuwing weer niet uit Nederlandse hoek aanwaaien?!] En voor de start van het nieuwe schooljaar promoot de Vlaamse onderwijsminister Pascal Smet zowaar gamen in de klas. Trendy, toch? Klinkt cool, toch.

@ Pascal Smet, minister van Onderwijs

Vraagt u het Margreet van den Berg en haar zoon Martijn nog eens hoe cool gamen (in onderwijs) wel kan zijn, mijnheer de minister. Margreet kent haar stof van binnen en van buiten. En zij en haar zoon delen hun media- (en onderwijs)competenties loyaal en royaal met de wereld! For free dus. Mediawijsheid is voor Margreet van den Berg geen mode- of ijdel woord. Stel ik me pretentieus op als ik u haar ten warmste aanbeveel: dringend op haar abonneren, mijnheer de minister, als u het al niet gedaan zou hebben, en haar linken op uw site. Dat zou ik nu eens een cool gebaar vinden.

Herkent u ze, mijnheer de minister, deze übercoole gasten op mijn foto van het scherm dat enkele maanden geleden opgesteld stond in de Koninklijke Serres te Laken? We kunnen het volledige filmpje bekijken op de blog van leraar Bart Verswijvel en zijn leerlingenteams die dit jaar de Koningin Paolaprijs voor het Onderwijs (en meer prijzen) wonnen met het project Teacher Aid: leerlingen maken leraren mediawijs! Laten we de rollen omkeren en van de mediacompetenties van jongeren gretig gebruik maken. Of zoals Bart Verswijvel het mooier formuleert: leerlingen en leerkrachten delen hun digitaal universum. E-competent, mediawijs in no time, mijnheer de minister, met de speed en de power van generatie X, Y of Einstein. En ik kan het weten, getuige mijn blogje TSM.

Mag ik u nog een abonnement aanbevelen, zonder opdringerig te willen zijn? I happily present Bart Van Bossuyt uit mijn netwerk. Een superman in AR, teacher geek. Vanuit Vlaanderen (erfgoedstad Brugge) bouwt hij via Twitter en YouTube een sterke internationale reputatie op. Hij is een pionier van augmented reality in de klas. Of aardrijkskunde of chemie: hij drijft de leer-kracht in zijn leerlingenbundels op met 3D-visualiseringstechnieken. En wat definitely beautiful is: hij biedt het ons allemaal gratis aan op het web! Open source. Abonneren op Neogeobart, zou ik zeggen. Kijkt u even mee naar zijn methaanmoleculemodel of speurt u liever mee de hemel af naar Orion of Jupiter?

Nog eentje uit de overvloed, mijnheer de minister? In der Beschränkung zeigt sich der Meister, ik weet het wel, maar mag De Edublogs Daily nog snel bovenop uw stapel nieuwsbladen? Maar u was hoogstwaarschijnlijk al geabonneerd …

Tot slot wil ik u | allen een übercool gelukkig nieuw schooljaar 2010-2011 wensen!**

Voetnoten
* Citaat van de baseline van Bart Verswijvels Teacher Aid-blog.
** Zie ook mijn tweet @Phyllis in Mees’ klas (ja, die van teacher geek Maarten Hendrikx).

Crossposted in The Sausage Machine.

Studiedag Taccle

Informatie- en communicatietechnologie (ICT) is al langer in de klas voorhanden en stilaan breken ook elektronische leeromgevingen door. Het is een uitdaging om dit op een zinvolle manier in de klas te gebruiken. Technologie op zich is immers niet voldoende. Wie bij het lesgeven een ELO wil gebruiken, moet kwalitatief hoogstaande leerinhouden kunnen aanmaken en ze didactisch juist kunnen gebruiken.

Daarom is het belangrijk om leerkrachten te leren hoe ze zelf lesmateriaal kunnen ontwikkelen, hoe ze een leerpad moeten uitwerken, hoe ze hun leerlingen ermee laten omgaan en hoe ze ontwikkelde materialen met collega’s kunnen delen. Dit is het doel van het Europees gefinancierde TACCLE-project.

TACCLE voorziet in:

  1. een stap-voor-stap handboek met mogelijkheden en hulpmiddelen voor e-leren op maat van de leerkracht;
  2. op de praktijk gerichte nascholingen om vaardigheden te ontwikkelen die direct toepasbaar zijn in de klas en bij het ontwikkelen van materiaal voor e-leren;
  3. een website boordevol informatie: www.taccle.eu;
  4. jaarlijkse internationale nascholingscursussen.

Op zaterdag 17 oktober worden de resultaten van TACCLE gepresenteerd op een studiedag aan het departement HABE van de hogeschool Gent (Voskenslan 270, 9000 Gent). Deelname aan deze studiedag is gratis (maaltijden inbegrepen). Allen daarheen dus!

Meer info en het volledige programma op de website.

e-Tijdslijnen voor leerkrachten

obama

Hora ruit, tempus fluit.

De tijd loert altijd om de hoek. In ieder vakdomein.

Ik kan me al wel inbeelden wat leerkrachten/docenten (en hun leerlingen) kunnen doen met een internettool die visuele (!) tijdslijnen maakt. Enkele voorbeelden :

Je kan dus overal wel ergens een tijdslijn voor maken. Gedaan met het kunst- en vliegwerk in Word of Powerpoint. Gebruik gewoon Timerime.

De tijdlijnen op TimeRime kunnen worden aangeduid als interactief en multimediaal. De tijdlijnen kunnen worden gevuld met tekst, muziek, YouTube filmpjes, foto’s enzovoorts, waardoor TimeRime een platform is dat populaire community websites en andere portals combineert in een nieuwe portal. Op TimeRime kan je ook op zoek naar informatie over heel diverse onderwerpen. TimeRime is bij uitstek de plek voor eenieder die het internet gebruik als een grote encyclopedie.

Gebruikers kunnen zich gratis registreren voor een Basic-Account, waarmee ze gratis tijdlijnen kunnen maken. Ook is er een Pro-Account, dat nog meer mogelijkheden biedt dan een Basic-Account.

Maar wat meer is, de programmeurs van Timerime hebben een educatieve versie gebrouwen met enkele speciale functionaliteiten :

  • Afgeschermde omgeving
  • Geen advertenties
  • Tijdlijnen van jouw school alleen
  • Admin rechten voor docenten
  • Een eigen subdomein
  • Een header met het logo van de school
  • Unieke PDF printfunctie

Oké, toegegeven, het kost wel 99 euro per jaar. We verwachten altijd dat internet “gratis” is, maar overdreven is het ook niet als je dit intensief gaat gebruiken. En een ietwat e-bewuste schooldirectie kan zo’n bedragje er wel bijnemen.

Timerime.com heeft trouwens navolging gekregen. Het alom tegenwoordige Google heeft er zich nu ook op gestort. Maar geef mij toch maar de layout van Timerime.

Een variant is Dipity maar dan heeft Timerime wel weer een ander voordeel : het is van Nederlandse makelij en dus is er ook een nederlandstalige versie beschikbaar.

Welke van deze 3 varianten het  beste bij jou aanleunt ? Tempus omnia revelat.

PS : En wat dacht je van een groepstaak voor jouw studenten ?

En als ik de jongens van TimeRime een tip mag geven… geef de optie aan anderen om bestaande tijdslijnen aan te vullen. Collaboration… Web2.0…

Studiedag digitale leermiddelen: overzicht

(Deel 1 van 3 posts over de studiedag digitale leermiddelen, lees ook deel 2 en deel 3)

Nog voor de zomervakantie werd een studiedag rond digitale leermiddelen aangekondigd. De belangstelling was groot: wie dacht om last minute in te schrijven, kon er op 2 oktober niet meer bij.

De dag werd verdeeld in 3 delen:

  • Welkomstwoord van de organisatoren: Chris Peeters (KHM) en de visie van de Vlaamse overheid door edublogger Maarten Cannaerts.
  • Een lange tafelgesprek met praktijkvoorbeelden rond educatief gebruik van digitale leermiddelen met uitgever Geert Joris (Boek.be), Hans De Four (KlasCement), Fernand Mesdom (HUB), Bart Boelen (Toll-net), Gerd Goedschalkx (VDAB), Daniël Duseuil (Artevelde Hogeschool), Paul Decuypere (Blackboard) en Jan Schuer (Smartschool).
  • In de namiddag werden 2 parallelsessies gehouden: de eerste had als doelgroep lesgevers, ICT-coördinatoren en begeleidingsdiensten; de andere richtte zich tot professionals die vanuit organisatiestandpunt werken rond digitale leerinhouden.

Ik ga geen uitgebreid verslag schrijven over de verschillende onderdelen van de studiedag, maar in een 2e post 3 hoofdpunten aanhalen die bijna in elk verhaal terugkwamen. Digitale leermiddelen roepen namelijk vragen op wat betreft auteursrechten, (digitale) didactiek en de dualiteit tussen open en gesloten toegang tot leermiddelen.

Globaal genomen zou je kunnen stellen dat de studiedag een eerder breed overzicht gaf van alles wat met digitale leermiddelen te maken heeft: het standpunt van de (content) uitgevers en de bouwers van digitale leeromgevingen weergeven, achterliggende concepten zoals metadata duiden, voorbeelden uit studies opgezet door de Europese Unie tonen, initiatieven waarbij digitale leermiddelen verzameld worden voorstellen enz. Wat deze studiedag dus zeker deed was een inventaris maken van wat er is, een stand van zaken vandaag eigenlijk. Wat het niet deed, denk ik, was de gemiddelde of toekomstige gebruiker van digitale leermiddelen onder de deelnemers een antwoord geven op hun vragen. Het was meer een studiedag op conceptueel dan op gebruikersniveau.

Wat de organisatie betreft ben ik eerder kritisch. In de voormiddag waren maar liefst 8 sprekers gepland op een totaal van 120 minuten. Tel daar de 30 minuten voor de organisatoren bij en je krijgt een veel te lang blok. Daarnaast werd er ook zeer slecht aan tijdsmanagement gedaan, zodat de laatste spreker voor de middag terecht opmerkte: “ik krijg min 2 minuten tijd om te spreken”. Het deed mij allemaal een beetje denken aan 3 jaar geleden toen ik zelf een presentatie moest geven. Ook toen was er geen tijdsmanagement en draaiden de presentaties vaak technisch in de soep. Voor een organisatie op dit niveau zou zoiets niet mogen.

Ondanks de kritische noot, vond ik het zeker een nuttige studiedag. Het is goed om vandaag na te denken over wat we met digitale leermiddelen willen en kunnen doen. Het is ook goed dat het Ministerie van Onderwijs in dezen het initiatief heeft genomen om de discussie op gang te trekken. Het werd echter vooral duidelijk dat er nog meer vraagtekens dan antwoorden zijn.

De presentaties van de studiedag worden hier verzameld.

(Deel 1 van 3 posts over de studiedag digitale leermiddelen, lees ook deel 2 en deel 3)