Keynote Pierre Dillenbourg: Ten surprises in our MOOC experience

Onderstaande post werd geschreven op basis van de Keynote van Pierre Dillenbourg op IFLA 2014 in Lyon. Mocht u Pierre Dillenbourg niet kennen, hij is naar mijn mening België’s belangrijkste wetenschapper in het onderwijsveld. Wie nog wat meer achtergrond over MOOCs wenst, kan eerst deze eerder gepubliceerde post lezen.

EPFL

Dillenbourg is momenteel professor en onderwijsdirecteur aan de Universiteit van Lausanne (EPFL). Traditionleel heeft de universiteit 10.000 studenten, nadat de universiteit begon met MOOCs, werden het er maar liefst 600.000. De MOOCs aan het EPFL worden in het Frans of het Engels gegeven, vanaf komend academiejaar zal elke MOOC (via ondertiteling) in beide talen beschikbaar zijn. Alle cursussen zijn gratis toegankelijk. Er is de mogelijkheid om een gratis certificaat te krijgen na afloop van de MOOC, alsook de optie voor een betalende (en meer uitgebreide) versie. Maar opgelet, deze certificaten worden door het EPFL, alsook de Vlaamse instellingen, zelden gelijk gesteld aan studiepunten of credits.

Welke studenten?

De studenten die deelnemen aan een MOOC, zijn traditioneel hoger opgeleid. Ook aan het EPFL is dat niet anders, slechts een minderheid heeft enkel een diploma secundair onderwijs (of lager). Deze steeds terugkerende  vaststelling impliceert dan ook dat MOOCs ons hoger onderwijs niet zomaar kunnen vervangen. Het lijkt erop dat alleen wie voldoende ‘zelfstudie’ capaciteiten bezit, baat heeft bij MOOCs.

MOOCs een Amerikaans verhaal?

Een doorn in het oog van menig Europeaan is de Amerikaanse dominantie binnen de MOOC aanbieders. De grote drie, Coursera, edX en Udacity komen uit de VS, binnen Europa is Futurelearn de bekendste (UK). Recent zagen we ook meerder Europese landen met een eigen platform beginnen (zie bv Wikipedia voor een uitgebreider overzicht). Dillenbourg ziet nochtans voordelen voor Europa, want wij hebben Bologna. Alleen is er op dit moment nog veel te weinig samenwerking tussen de Europese landen.

Van open leermateriaal tot volledig curriculum

Dillenbourgh maakt een interessante as m.b.t. tot de samenhang van leermiddelen. Aan de ene kant van het spectrum bevinden zicht de open educational resources (OER) of open leermaterialen (denk Klascement.be in Vlaanderen) die de leerkracht kan gebruiken binnen zijn eigen lessen. Deze meestal kleine leerobjecten kunnen zowel bestaan uit een cursustekst, een oefening, een video, een java applet etc. In het midden van de as zit de MOOC die een volledige cursus omvat over een specifiek onderwerp. Aan het andere einde van de as staat een volledig curriculum. Het bekendste voorbeeld momenteel van een volledig curriculum bestaande uit MOOCs is de Master opleiding in Computer Science die wordt aangeboden door Udacity, Georgia Tech en AT&T. Het meest bijzondere aan deze opleiding is de kostprijs, zijnde 7.000 dollar, een koopje als je weet dat deze opleiding normaal 200.000 dollar kost in de VS. Ergens tussenin zitten nog gespecialiseerde websites die categoriseerde leerobjecten aanbieden, de bekendste is ongetwijfeld de Khan Academy“Keynote Pierre Dillenbourg: Ten surprises in our MOOC experience” verder lezen

ICT-monitor (2) effectief ICT-gebruik in Vlaamse scholen

Aan leerkrachten is gevraagd in welke mate ze verschillende klasgerelateerde activiteiten uitvoeren waarbij ICT kan ingezet worden. Het effectieve gebruik van ICT voor lesvoorbereidingen en tijdens de lessen is er licht op vooruitgegaan t.o.v. vijf jaar geleden. Maar van een veralgemeend ICT-gebruik is nog lang geen sprake. De overgrote meerderheid (85%) van de leerkrachten in het lager onderwijs  gebruikt de computer regelmatig (dagelijks of wekelijks of meerdere keren per maand) voor lesvoorbereidingen. Iets meer dan 50% gebruikt de computer regelmatig tijdens de les. Ook opvallend is dat ICT in het lager onderwijs het meest gebruikt wordt in het leergebied wereldoriëntatie (54,1%) gevolgd door wiskunde (26,1%) en Nederlands (10%).

aard en frequentie samenv 

 

 

 

 

 

In het secundair onderwijs is het gebruik in de lessen nog veel lager. Iets meer dan 70% van de leerkrachten gebruikt de computer regelmatig voor lesvoorbereidingen. De meerderheid van de leerkrachten (50%) gebruikt de computer slechts een paar keer per jaar in de les; slechts 35% van leerkrachten in het secundair onderwijs gebruikt de computer met enige regelmaat. In het lager onderwijs gebruikt 4% van de leerkrachten de computer nooit. In het secundair onderwijs is dat percentage liefst 13,4%.

 Games en sociale netwerksites

Het gebruik van sociale netwerksites en games voor educatieve doelen is nog niet ingeburgerd in het onderwijs. 80% van de leerkrachten secundair onderwijs en 77% in het basisonderwijs gebruiken helemaal nooit games in de klas. Jongere leerkrachten en leerkrachten uit de eerste graad secundair onderwijs gebruiken soms games. Iets meer dan de helft van alle leerkrachten gebruikt nooit sociale netwerksites in het basis- en secundair onderwijs. Jongere leerkrachten en leerkrachten in het BSO gebruiken iets meer sociale netwerken dan hun collega’s.

Het volledige rapport vind je hier

Lezing stressvrije scholen

Transcendente meditatie en stressvrije scholen

Het is woensdagochtend 26 februari. In het Gentse vormingscentrum Guislain geeft de Canadese Dr. in de fysica Ashley Dean een lezing met de welluidende titel: ‘Stress-free schools through consciousness-based education. Unfolding the inner genius of every student’.

De lezingen zijn een initiatief van de Belgische Maharishi Institute of Vedic Science VZW en de David Lynch Foundation. In mei vorig jaar werd een eerste reeks lezingen geven, deze week geeft Dr. Dean opnieuw 10 lezingen in 5 Vlaamse Steden.

Uitgangspunt is de transcendente meditatie. Dit is een specifieke meditatie die vorm gegeven werd door de Indiër Maharishi Mahesh Yogi. De meditatie kan enkel aangeleerd worden bij een erkende instantie, in Vlaanderen is dit de reeds hierboven vermelde Maharishi Institute of Vedic Science.

Het doel van de organisatie is om deze vorm van meditatie te integreren in het lesprogramma. Voor de leerlingen en de leerkrachten betekent het concreet dat men tweemaal 15 minuten per dag samen tijd neemt om te mediteren. Het mediteren zelf wordt altijd één-op-één aangeleerd.

Voordelen: ze zijn er, soms eerder vaag en een beetje mistig

De voordelen van transcendente meditatie zijn meervoudig volgens Dr. Dean: reductie van stress en angst, ontwikkeling van het brein, verhoogde creativiteit, betere gezondheid en relaties. Binnen een schoolomgeving zou dit de leerlingen rustig maken, de stress- en de criminaliteitscijfers laten dalen, de leerwinsten aanzienlijk verbeteren en het aantal drop-outs sterk reduceren. Alle beweringen werden ondersteund met cijfermateriaal, maar op basis van enkel de presentatie, is het moeilijk in te schatten hoe wetenschappelijk onderbouwd dergelijke stellingen zijn.

Iets vager werd het allemaal toen Dr. Dean over de macro-effecten begon. Als 1% procent van een gemeenschap actief transcent mediteert, dan treedt er een golf-effect op: de rust en alle hierboven opgesomde voordelen zullen zich verspreiden over de volledige gemeenschap via een soort ‘veld’. Er werden ook slides getoond die aantonen dat er vandaag al minder conflicten zijn en dat de criminaliteitscijfers in sommige steden reeds enorm gedaald zijn (Liverpool). Dr. Dean had ook voor ons uitgerekend hoeveel de gezondheidszorg in België kost per persoon, zijnde 3700 euro per persoon per jaar. Mochten we allemaal transcendent gaan mediteren, dan zou het ons zelfs 5600 euro per 5 jaar besparen. Een leerling transcendent leren mediteren kost dan weer 200 per persoon, maar het zou wel 300.000 euro opbrengen…

Wat transcendente meditatie nu precies op microniveau met ons doet, heb ik ook niet helemaal begrepen. Het zorgt ervoor dat ons brein ‘coherent gaat functioneren’ en toegang krijgt tot een dieper niveau in onszelf waar meer kennis in zit dan we eigenlijk beseffen. Ook de ‘inner genius’ bleek een rekbaar begrip. De nadruk bleef namelijk liggen op een goed presterend kind, niet op een kind dat zich gewoon goed voelt.

Kostprijs

Maar hoeveel kost het u nu? Het business-model achter deze lezing is uiteraard het verkopen van meditatie-lessen (gespreid over 4 dagen). Normaal kost een dergelijke training 1200 euro in Vlaanderen, maar nu kan het voor 900 euro. Het laagste tarief dat werd vernoemd was 450 euro. Voor de eerste school in België die begint met het implementeren van de transcendente meditatie, zal de David Lynch Foundation alles terugbetalen. Men gaf ook toe dat het in België bijzonder moeilijk is om een school te overtuigen. De eerste ronde in mei was in die zin dus niet succesvol.

Veel publiek zat er niet in de zaal (20 max), maar dat had waarschijnlijk met het aanvangsuur te maken, aangezien de namiddagsessie en de avondsessie wel degelijk uitverkocht zijn. Enkele aanwezige leerkrachten hadden interesse, maar zagen zich niet in staat om de directie en de collega’s te overtuigen. Het meest pakkende moment vond ik zelf een meisje van 18 die zichzelf voorstelde als een drop-out die graag terug naar school zou willen, op voorwaarde dat ze er aan transcendente meditatie doen. In de VS kan je daarvoor bij Dr. Daens’ school terecht, maar in Vlaanderen zijn er helaas voor haar, geen op transcendente meditatie-gebaseerde alternatieven beschikbaar.

Conclusie

De lezingen rond stressvrijen scholen staan enorm in de belangstelling en kunnen zowel rekenen op applaus als op hoongelach. Ik heb behoorlijk wat zaken gehoord waar ik mijn ernstige twijfels bij heb, maar anderzijds vind ik ook niet dat we kind met hat badwater moeten weggooien. We hebben met z’n allen te veel stress (denk ADHD, depressie bij kinderen etc.) en de tijd die effectief aan leren besteed kan worden is inderdaad op veel scholen dramatisch (50 minuten in theorie, soms amper 5 effectief). Als onderzoeker zou ik het zeker interessant vinden om onafhankelijk onderzoek op deze methode en andere vormen van meditatie los te laten. Een beetje meer innerlijke rust kan vast geen kwaad in deze toch wel hectische tijden.

Anders gaan lesgeven met nieuwe media

Het begint stilaan te dagen bij steeds meer lesgevers: de tijd is rijp om de klassieke manieren van lesgeven definitief achter ons te laten en voluit te gaan voor echte onderwijsvernieuwing.

Dus niet meer het mantra hanteren van het digitale bord dat de vernieuwing in de klas brengt, maar uitkijken naar echte vernieuwingen. De grote interesse die er bestaat voor blended learning en the flipped classroom zijn hierbij tekenen aan de wand. In onderstaand artikel lijsten we enkele mogelijkheden op. Let wel: het is niet de bedoeling om een kant-en-klare handleiding voor te schotelen, maar eerder inspirerend te werken. Geen twee lesgevers zijn immers gelijk. Iedereen zal zelf een pakket op maat moeten samenstellen waar hij/zij zich goed bij voelt. Aanzie onderstaand overzicht dus als een niet-exhaustief pakket waar je zelf je ideale klas mee kan samenstellen. Mogelijks nog niet dit jaar, zelfs nog niet volgend jaar. Maar ooit zal de tijd rijp zijn om écht “anders te gaan lesgeven”.

Digitale borden

Digitale borden zijn de grootste hype voorbij. Er zijn weliswaar tal van lesgevers die er fantastisch werk mee leveren. Er zijn spijtig genoeg echter tevens tal van lesgevers die zich gedwongen voelen om mee te surfen op de hype en er na jarenlang gezucht en gezwoeg nog steeds de meerwaarde niet van ontdekken. En terecht: het is dan ook maar een van de vele hulpmiddelen die je kan gebruiken in de klas. Spijtig genoeg soupeert zo’n digitaal bord vaak het totale ICT-budget voor een klas op zodat er geen financiële ruimte meer bestaat voor alternatieven. Bezinnen dus voor je begint: onderzoek wees reeds uit dat amper 44% van de leerkrachten die een digibord ter beschikking hebben er ook effectief gebruik van maakt… (Stijn Vanlaer, 2012). De reden: hun stijl van lesgeven is niet compatibel met de mogelijkheden dat dergelijk bord biedt.

Daarom het advies aan alle twijfelaars: probeer het eerst eens met een zelfgemaakt digibord. Als je al een beamer hebt staan of hangen, dan kost het je maar een avondje installeren en ongeveer 12 euro. Merk je na enkele maanden dat je een meerwaarde ondervindt inzake het behalen van je lesdoelen, dan kan je met de nodige argumentatie op zoek gaan naar een commercieel digibord. Want we moeten eerlijk zijn: een commercieel digibord werkt toch prettiger en vlotter dan een zelfgemaakt digibord.

Zelf aan de slag gaan? Wij vinden de Smoothboard-software bij de beste op de markt, spijtig genoeg betalend. Een gratis alternatief vind je bij www.uweschmidt.org Deze software is trouwens geschikt voor alle platformen.

Bordboeken en bordlessen

De uitgeverijen bieden een steeds ruimer pakket van bordboeken en bordlessen. Handig in het gebruik en didactisch zeer goed onderbouwd. Vaak worden er ook testen, differentiatiemogelijkheden,… toegevoegd waar je als lesgever rijkelijk kan uit putten. Top!

Maarvaak heb je doorheen je carrière al zeer mooie en waardevolle werkblaadjes, mappen, schema’s,… zelf aangemaakt. Deze vallen zeer eenvoudig over te zetten naar een digibord-formaat.

Open Sankoré biedt een zeer mooi en bovendien gratis aanbod hiertoe: http://open-sankore.org Deze open-source software laat je toe om zelf bordlessen en bordboeken aan te maken en geeft je alle tools die de grote commerciële pakketten ook aanbieden. Zeker het proberen waard. Je kan het trouwens gebruiken op elk type digitaal bord. Heeft je ene klas een Smartboard en je andere klas een Activboard: geen probleem met compatibiliteit.

Je smartphone als presenter

Als je een Prezi of Powerpoint-presentatie geeft, als je een lezing aanbiedt, dan hang je letterlijk vast aan je computer: je moet immers klikken om je volgende dia tevoorschijn te laten komen. En je wil lesgeven tussen je leerlingen, je door het volledige lokaal bewegen. Waarom gebruik je je smartphone niet om los te komen van je spreekgestoelte, van je computer? Kijk maar eens in de app store van je telefoon naar het aanbod onder de zoekterm “presenter”. Wij testten Smartshare Presenter uit voor Windows Mobile. Je opent je ppt via de plug in op je pc en je opent de bijhorende app op je smartphone. Beide devices maken verbinding met het beschikbare netwerk en je kan je dia’s zien op je schermpje, inclusief eventuele annotaties die je toevoegde als spiekbriefje.

 

Een tablet voor de juf of meester

Willen we in de klas zelf aan de slag met een tablet? Dan kan het zinvol zijn om je tablet het scherm van je klascomputer of laptop te laten overnemen. Waarom? De meeste software (bordboeken, Sankoré, Office,…) die we gebruiken in onze lessen bevindt zich wel op onze computer, maar niet op onze tablet. Als we ons computerscherm kunnen zien en kunnen bedienen op onze tablet, dan staan we niet langer frontaal les te geven, maar wandelen we rond in de klas met ons eigen digibord in de hand. Het proberen waard!

Splashtop.com is een voorbeeld van software dat dit mogelijk maakt. Je installeert Splashtop op je computer (verbonden met de beamer) en je opent de Splashtop-app op je tablet. Via het Wifi-netwerk maken beiden verbinding en je kan starten met je les. Als je je tablet aan een van je leerlingen geeft, kan deze zelfs de oefeningen aan het bord oplossen, zonder van zijn plaats te gaan. Werkt met iOS, Android en zelf Windows RT.

Educreations werkt op soortgelijke wijze, maar heeft als bijkomend voordeel dat je zeer eenvoudig je lessen kan opnemen: een combinatie van je bordschema’s en je stem. Doe je dit thuis, dan kan je op deze wijze instructiefilmpjes maken dewelke direct op het platform van Educreations te zien zijn, voor eenieder die jij wil.

Doceri doet dit ook, maar sluit zich aan bij de Ipad-dictatuur. Niet beschikbaar voor andere platformen dus.

Een tablet voor elke leerling

Een revolutie die mogelijks start in het hoger onderwijs en via deze weg ook naar andere niveau’s zal uitspreiden: de tablet als nieuwe boekentas. Studenten kopen jaarlijks vaak voor honderden euro’s cursussen. Als de docenten deze digitaal ter beschikking stellen, dan is de aankoopprijs van een tablet er al snel uitgehaald. Dit speelt in op de toekomstige trend van BYOD: bring your own device.

Smoothboard Air speelt hier direct op in. Het idee is dat de leerkracht bij de start van de les een QR-code toont op het projectiescherm waarna elke aanwezige student zich kan aanmelden: de presentatie wordt door het scannen van de code overgenomen op elke individuele tablet of smartphone. De annotaties die de leerkracht gedurende de les maakt, verschijnen tevens op alle devices en worden er ook in opgeslaan: elk bordschema zit automatisch in elke tablet. Handig om ’s avonds de les in te studeren.

 

Interactiviteit

De meerwaarde in onderwijsinnovatie en ICT ligt in de interactiviteit met je leerlingen.

Een mooi voorbeeld hierbij is Mouse Mischief. Deze plug-in wordt beschikbaar gesteld door Microsoft en werkt op elke computer waarop er Powerpoint 2007 of 2010 is geïnstalleerd. Hoe werkt het? Je maakt een presentatie met ja/nee-vragen of met meerkeuzevragen. Met de nodige USB-hubs (verdeelkastjes die je meer USB-poorten geven) en USB-verlengkabels kan je tot 30 muizen op jouw computer aansluiten: eentje voor elke leerling. Elke muisaanwijzer heeft een ander figuurtje. Zo kan eenieder eenvoudig herkennen welke de zijne is. Bij elke vraag die je lanceert kunnen je leerlingen nu deelnemen aan de quiz. De voordelen zijn duidelijk: je leerlingen letten beter op (gamification!) en je hebt direct feedback als leerkracht in welke mate je leerlingen bepaalde onderdelen van je les al dan niet hebben begrepen. Nadelen zijn dat je geen scores krijgt en dat iedereen uiteraard ziet welke antwoordmogelijkheid de anderen kiezen.

Beter uitgewerkt is Testmoz.com . Deze eenvoudige online-tool biedt een aantal bijkomende voordelen. Zonder registratie op de site kan je snel een quiz maken, vertrekkende vanuit verschillende vragentypes. Je krijgt een URL toegekend dewelke je kenbaar maakt aan je leerlingen. Elke leerling kan vanop de pc, de tablet of de smartphone aanmelden en deelnemen aan de quiz. Je krijgt aan het einde een compleet overzicht van de prestaties van je leerlingen.

Socrative gaat nog een stukje verder. De leerkracht surft naar t.socrative.com of installeert de app en de leerlingen surfen naar m.socrative.com of hebben hun eigen app. Elke leerling meldt zich aan in het “lokaal” dat jij toegekend kreeg. De leerkracht kan vervolgens ter plekke vragen afvuren of een voorafgemaakte quiz starten. De leerlingen kunnen deze dan op het tempo die de leerkracht oplegt of op hun eigen tempo doorlopen. Ook hier wacht er je op het einde van de quiz een werkblad met de uitslagen van alle leerlingen per vraag en in zijn totaliteit. Een nieuwe versie is trouwens reeds gelanceerd: beta.socrative.com

Meer info? www.onderwijsvernieuwing.be

Meer teasers? www.facebook.com/onderwijsvernieuwing

 

Als vreemde eend in Wonderwijswereld – Edushock Leerfestival

edushock

Op 11 december kon je het 2e Edushock Leerfestival bijwonen in het ICC in Gent. Zoals het in onderwijsmiddens past, braafjes op een woensdagnamiddag zodat er geen onmogelijke kunstgrepen nodig zijn om een grotere opkomst te verzekeren, een groter publiek te bereiken en als deelnemer makkelijk zelf te kunnen beslissen over je aanwezigheid.

Om een relaas van deze uiterst aangename namiddag te hebben, moet je maar even Twitter doorzoeken op #elf13 en @edushock. Ik wil me hier beperken tot een paar impressies en observaties…. als vreemde eend.

De keynotes waren een duidelijke poging om andere vreemde eenden uit andere werkterreinen hun licht te laten werpen op onderwijs. Peter Hinssens (@hinssen) was de waardige vervanger van de mensen van Kennisnet en wellicht nog beter geplaatst om even een por te geven richting toekomst. Vertrekkend vanuit de technologische en digitale (r)evolutie rondom ons, kon je niet anders dan vaststellen dat verandering onontkoombaar is. “Het is 5 na 12.”

De keynote van Joan De Winne(@joandewinne) legde de focus op leiderschap in tijden van verandering. Als dat niet kan tellen als een vingerwijzing? En dan toch opvallend hoezeer de “officiële instanties” afwezig waren op een leerfestival dat als missie heeft : “We willen impact hebben op directies en beleidsmakers, leerkrachten, studenten en onderwijsindustrie.”

De meeslepende, overdonderende keynote van Frank Van Massenhove (@FVMas) hield de volledige zaal een uur lang muisstil… zelfs het aantal tweets zakte op dat moment aanzienlijk.

 

De boodschap kwam over: “Onderwijs moet veranderen. En jullie kunnen het.”

 

Verder waren de hele trits aan “workshocks”, doe-sessies over “flipped classroom“, “activerende werkvormen”, de Max-methode, enz enz

Een mens kan nu eenmaal niet alles tegelijk volgen. Daarom is mijn indruk wellicht zeer fragmentarisch maar ik vond het opvallend dat:

  • technologie en digitalisering weinig aan bod kwam
  • didactiek sterk op de voorgrond kwam (maar goed ook)
  • er heel wat “grass root” projecten werden voorgesteld zoals de MaxMethode en de implementatie ervan in 1 school
  • er netjes buiten de invloedsfeer werd gebleven van visitaties, inspecties, leerplannen, koepels, …
  • onderwijsvernieuwing vooral leeft aan de basis (gelukkig maar)
  • daarentegen onderwijsstructuren en -koepels uit het zoeklicht bleven of zelfs afwezig waren
  • enthousiasme aanstekelijk werkt
  • vreemde eenden kunnen helpen (you are as strong as your network is)

Ik wil de organisatoren uitdrukkelijk en bij name bedanken voor zo’n geslaagde namiddag vol inspiratie en passie. Onderwijsvernieuwing is dus volop aan de gang maar er zijn meer Edushock Leerfestivals nodig om het vuur brandend te houden.

#elf13#onderwijsvernieuwing van binnenuit zal sneller gaan dan van bovenuit”.

 

Trend: MOOCs zetten e-leren in de schijnwerper

The New York Times doopte 2012 tot “The Year of the MOOC”. Sindsdien staan MOOCs, voluit Massive Open Online Courses, bovenaan menig trendlijstje. Een MOOC is een vorm van online leren. Net zoals bij andere vormen van afstandsonderwijs volgt de cursist enkel online lessen.

Afstandleren verschilt van blended learning in de zin dat men bij deze laatste ook deels fysiek op de campus aanwezig is. Binnen het afstandsonderwijs onderscheiden MOOCs zich vandaag doordat ze gratis zijn, geen credit opleveren (enkel tegen betaling) en het grote aantal cursisten die deelnemen.

MOOCs ontstonden in Canada vanuit het idee dat onderwijs ‘vrij’ (open) moet zijn, maar de grote doorbraak kwam er in Noord-Amerika nadat enkele nieuwe (meestal for profit) platformen ontstonden zoals Coursera, Udacity en edX. Het initiële succes van MOOCs, en dan vooral binnen de VS, dient men voornamelijk te zien in het licht van de enorme besparingen binnen het onderwijs, de torenhoge studiekosten (een diploma kost er minstens 25.000 dollar) en het gegeven dat reeds vandaag al een derde van alle studenten er via afstandsonderwijs een diploma behaalt.

Vandaag zijn MOOCs voornamelijk het speelveld van (Westerse) universiteiten die ze gebruiken als showcase (marketing voor de instelling) om zich te profileren t.o.v. de concurrentie, maar ook met het oog op het enorm potentieel aan studenten binnen Afrika en Azië. In Europa ziet men MOOCs als een alternatief voor Erasmus en een mogelijkheid tot (hernieuwde) samenwerking met ontwikkelingslanden, vooral Franstalig Afrika. Momenteel vervangen MOOCs nog maar zelden volledige bestaande opleidingen. Tijdens een MOOC-conferentie in Brussel (ACA, 10 oktober 2013) werd data getoond waaruit blijkt dat er in Europa bijna evenveel MOOCs georganiseerd worden als in Noord-Amerika en dat de meest gebruikte taal er ook het Engels is. Het verschil tussen beide continenten is voornamelijk te vinden in de manier waarop het onderwijs gefinancierd en georganiseerd wordt.
“Trend: MOOCs zetten e-leren in de schijnwerper” verder lezen

ICT-monitor (1): basisinfrastructuur

Zoals elders werd aangekondigd zijn de resultaten van de ICT-monitor voor het Vlaamse onderwijs bekend. Om de enorme rijkdom aan data wat meer tot zijn recht te laten komen ga ik hier de komende dagen themagewijs enkele van de vornaamste cijfers in de kijker zetten.

Vandaag: basisinfrastructuur

In vergelijking met vijf jaar geleden is de PC-leerling-ratio met 1 PC per leerling gestegen. Gemiddeld staan er in het gewoon basisonderwijs nu 46 laptops en desktops in een lagere school ofwel 1 PC, laptop, of tablet per 5,7 leerlingen in het gewoon basisonderwijs en 1 PC per 2,7 leerlingen in het buitengewoon onderwijs. De basisscholen hebben ook een inhaalbeweging gemaakt m.b.t. internetvoorzieningen. Bijna alle devices zijn voorzien van internet. In het buiteengewoon basisonderwijs is er 1 PC beschikbaar per 3 leerlingen.

Het (gewoon) secundair onderwijs beschikt over een groot computerpark. Gemiddeld staan er in een secundaire school 188 PC’s, 24 laptops en een tiental tablets en in het BuSO gemiddeld 52.  Vijf jaar geleden was er in het gewoon secundair onderwijs is 1 PC per 3 leerlingen, nu is dat 1 PC, laptop of tablet per 2 (1,8) leerlingen. Die zijn bijna allemaal ook aangesloten op het internet. In het buitengewoon secundair onderwijs is er 1 PC per 3,3 leerlingen.IMG_0816

Deze ratio’s zijn goed in vergelijking met ratio’s van andere Europese landen. Zoals hieronder verduidelijkt, is een flink deel van het computerpark verouderd, d.w.z. ouder dan 4 jaar. Daarom werd ook een computer-lln ratio berekend met enkel de devices jonger dan 4 jaar. Voor het basisonderwijs krijgen we dan 1 PC per 15 leerlingen; voor het buitengewoon basisonderwijs 1 Pc per 6 leerlingen; voor secundair onderwijs 1 per 3 leerlingen en voor buitengewoon secundair onderwijs 1 PC per 8 leerlingen.

Het computerpark in het onderwijs is sterk verouderd. In het gewoon en buitengewoon basisonderwijs is 53% van de PC’s ouder dan 4 jaar. En bijna 33% tussen de 1 en 4 jaar oud. Slechts 11% van het computerpark is nieuw (jonger dan 1 jaar). De situatie is iets beter in het secundair onderwijs, maar is er op achteruit gegaan tegenover 5 jaar geleden. In het gewoon secundair onderwijs bedraagt de gemiddelde leeftijd in de helft van de computers tussen 1 en 4 jaar. Toch is ook daar 36,2% van de computers ouder dan 4 jaar. Slechts 12% van de PC’s zijn nieuw. In deze cijfers zijn tablets niet inbegrepen. Het buitengewoon secundair onderwijs beschikt over het meest verouderde PC-park over alle onderwijsniveaus en types heen. Bijna 54% van de computers is ouder dan 4 jaar, 40% tussen 1 en 4 jaar en slechts 7,5% is nieuw.

 Ook interessant is de herkomst van de computers. Ook hier weer zien we grote verschillen tussen het basis- en secundair onderwijs. In het basisonderwijs is slechts 50,7% van de PC’s nieuw aangekocht materiaal, 46% zijn tweedehands aangekochte of giften. We zien wel een tendens (verschuiving met10%) naar meer nieuw aangekocht materiaal. In het secundair onderwijs is de situatie wel gunstiger. Bijna 83% van het computerpark bestaat uit nieuw aangekochte PC’s, 12% zijn tweedehands en 4,3% komt zijn schenkingen. Ook hier merken we de trend naar meer nieuw aangekocht materiaal en minder tweedehands of giften. Binnen het secundair onderwijs zijn er op dit vlak wel grote verschillen tussen gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. In het buitengewoon secundair onderwijs maakt men veel meer gebruik van tweedehands materiaal (13,3%) en giften (30%) dan het gewoon secundair onderwijs.

kids_education_tablet2 Tablets

De introductie van tablets in het onderwijs is voorlopig nog beperkt, al blijkt uit de cijfers wel een grote experimenteerdrang   op dit vlak. In de grote meerderheid van de basisscholen (88%) zijn er geen tablets. De overige 12% experimenteren er mee en in 3,2% van de basisscholen zijn er meer dan 10 tablets aanwezig. In het secundair onderwijs kochten meer dan 1/3 van de scholen tablets aan, maar er zijn grote verschillen qua aantallen. Slechts 1 op 10 secundaire school heeft meer dan 10 tablets voor educatief gebruik.

Internetvoorzieningen

Ook op vlak van internetfaciliteiten zijn de scholen er op vooruit gegaan. 77% van de basisscholen en 75% van de secundaire scholen beschikt over draadloos internet (tegenover resp. 33% en 50% in MICTIVO 1). In het basisonderwijs beschikt 70% en in het secundair onderwijs bijna 90% over een lokaal (intern) netwerk. Die cijfers lijken goed, maar gezien het relatief grote aantal computers per school zouden eigenlijk alle scholen over zo’n intern netwerk moeten beschikken.

Breedbandinternettoegang is nog steeds niet 100% dekkend en dit ondanks de raamovereenkomst met Telenet die voor de data- afname werd gesloten. In het basisonderwijs beschikt 86% van de scholen over breedband en in het secundair onderwijs is dat 92%.

Re:Pest geïntegreerd programma tegen pesten op school

banner

De preventie van pestgedrag, zelfdoding en psychische problemen staan hoog op de maatschappelijke agenda. Het voorbije jaar zijn we er meermaals mee geconfronteerd en al te veel leerlingen krijgen er  tijdens hun opleiding mee te maken. Het welbevinden van leerlingen op school is dan ook een van de speerpunten van het onderwijsbeleid.

Daarom lanceert het Departement Onderwijs het geïntegreerde programma Re:Pest. Dit lessenpakket wil een bijdrage leveren aan het voorkomen van pestgedrag op school en aan het verhogen van het welbevinden in de klas. Het lessenpakket richt zich op de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs.

 Re:Pest is een educatief project tegen pesten dat bestaat uit verschillende onderdelen en dat gericht is op leerlingen uit de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs. Het creëert een toegevoegde waarde bij al genomen maatregelen ter bestrijding van pestgedrag. Re:Pest bestaat uit volgende  onderdelen:

  • De handleiding is een hulpmiddel voor schoolpersoneel dat samen met leerlingen werkt aan een veilige leeromgeving. Het biedt naast achtergrondinformatie over pesten ook een uitgewerkt lessenpakket aan van vier lesuren. In dit lessenpakket worden verschillende werkvormen toegelicht zoals de game, onderwijsleergesprekken, rollenspelen, stellingenspel,…
  • De vorming voor leerkrachten bereidt leerkrachten voor om van start te gaan met het lessenpakket. De filosofie van waaruit vertrokken wordt in het Re:Pest verhaal wordt verduidelijkt.
  • De website, www.howest.be/repest, is bij de lessenreeks een omvangrijke bron van aanvullende informatie zoals voorbeelden, filmpjes, oefeningen, wetenschappelijk onderzoek en actuele berichtgeving.
  • Een gids voor ouders bevat informatie over de problematiek van het pesten. Het geeft tips aan ouders van kinderen die geconfronteerd worden met pestgedrag. Deze gids wordt ter beschikking gesteld van de scholen die intekenen op Re:Pest.
  •  Het educatieve 3D game Re: pest. Bijzonder aan dit lessenpakket is de game Re:Pest. Geïnspireerd door het Finse KIVA-project en dankbaar gebruik makend van de Kortrijkse antipestgame werd een serious game op punt gesteld. Leerlingen maken aan de hand van dit game op een aantrekkelijke manier kennis met situaties en  rollen die bij pestgedrag voorkomen. Een computergame maakt als dusdanig nog geen deel uit van de leermiddelen en maatregelen die binnen het bovenvermelde beleid inzake het tegengaan van antisociaal gedrag – waar cyberpesten onmiskenbaar deel van uitmaakt –  genomen werden. Echter, de Hogeschool West- Vlaanderen en Katho (Ipsoc) ontwikkelden een antipestgame in opdracht van de Stad Kortrijk. Het spel is een  simulatiegame en werd gebruikt in het kader van preventieactiviteiten van de Stad Kortrijk.

Scholen die aan de slag willen gaan met Re:Pest vinden meer informatie op www.howest.be/repest .

Herfstschoonmaak voor je slome computer

Iedereen kent het wel: je installeert steeds weer nieuwe dingen op je computer (“Je moet toch bijblijven in het onderwijs…!”), je kinderen doorkruisen het WWW op je computer (“Het moet voor school!”) en na verloop van tijd wordt je computer steeds trager, verschijnen er steeds meer foutmeldingen op je scherm en zijn er vervelende boodschappen die je maar niet weg krijgt.

Dus wil je je geliefde werkinstrument een herfstschoonmaak geven. Maar hoe doe je dat?

We geven je enkele zeer eenvoudige en snelle tips om weer vlot aan de slag te kunnen:

 

Verwijder programma’s die je niet meer gebruikt.

Ga hiervoor via de startknop (links onderaan je scherm) naar “configuratiescherm”. Kies voor ‘programma’s verwijderen’ en overloop de lijst. Merk je een programma op dat je niet langer denkt te gebruiken? Via de knop ‘verwijderen’ verwijder je ook daadwerkelijk alle onderdelen en ben je zeker dat er geen vervelende deeltjes van die software actief blijven. Let wel: verwijder geen cruciale elementen!

 

Installeer een goede virusscanner

Betalen voor een virusscanner moet je zeker niet doen. Je moet wel even opletten welke virusscanner je binnenhaalt. Je zou immers niet de eerste zijn die er zich een (gratis…) virus mee op de hals haalt!

Microsoft Security Essentials is best ok. Downloaden doe je alleen maar via de Microsoft-site!

http://windows.microsoft.com/nl-nl/windows/security-essentials-download

Maar ook AVG scoort goed. Let tijdens de installatie op dat hij je geen betalende versie opdringt en er kan niets meer fout lopen.

http://free.avg.com/ww-en/free-antivirus-download

Stel je virusscanner zo in dat hij automatisch updates ophaalt én regelmatig een scan van je computer maakt.

 

Installeer je Windows-updates

Windows updates zijn zoals regenbuien in de herfst. Er lijkt geen einde aan te komen. Maar je doet er wel goed aan deze te installeren: steeds nieuwe gaten in de beveiliging van je systeem worden ondermeer op die wijze gedicht.

Het gemak dient de mens, dus doe je het automatisch: Klik op de knop Start, klik op Alle programma’s en klik vervolgens op Windows Update. Bij “instellingen wijzigen” kan je dan aanduiden dat “updates automatisch geïnstalleerd worden”.

 

Maak plaats op je harde schijf

Een harde schijf die bijna vol staat vertraagt je pc aanzienlijk en verhoogt het risico op een crash. Voorzie dus steeds minimaal 20% vrije ruimte op je schijf. Controleren kan door via de startknop op “computer” te klikken en te kijken hoeveel Gb er nog beschikbaar is.

Een Must-have is echt wel Ccleaner, te downloaden via http://www.filehippo.com/download_ccleaner/

Na een simpele installatie kan je direct aan de slag. Vooreerst veeg je met de borstel (cleaner) alle ongebruikte en overbodige bestanden van je schijf (vaak meer dan enkele Gb’s!) om vervolgens je register te scannen op fouten.

 

Spionage!

Vervolgens laten we Spybot (http://www.filehippo.com/download_spybot_search_destroy/) eens los op onze computer: deze scant je volledige computer op verdachte elementen en neutraliseert deze. Regelmatig herhalen is de boodschap!

 

Langspeelplaat

Je harde schijf defragmenteren is wat uit de mode geraakt, maar is nog steeds zinvol. Vergelijk het met een oude langspeelplaat waar je fragmentjes uit wil spelen: duurt een eeuwigheid door steeds te moeten verspringen. Als je bestanden op je harde schijf teveel uit elkaar liggen, dan heb je hetzelfde effect: trage computer… Dus even via de startknop naar bureau-accessoires gaan en daar schijfdefragmentatie starten.

 

Awesome presentaties maken?

Powerpoint-presentaties zijn vaak vooral slaapverwekkend. De reden is zeer simpel: het is een typisch voorbeeld van niet ‘out-of-the-box’ kunnen denken. Ken je nog de aloude overheadprojector? Je printte een aantal slides af met daarop vooral veel tekst en je nam een blanco blad. Dat gebruikte je om stap per stap de inhoud van je slides zichtbaar te maken op je overheadprojector. En Powerpoint die bracht niets nieuws. Oude wijn, weet je wel. In plaats van je tekst te printen op slides, kon je deze direct projecteren. Powerpoint bracht zelfs meer nadelen dan voordelen: steeds meer slides, steeds meer tekst én… de alom gevreesde ‘animaties’. Tekst kwam vanaf nu naar believen binnengewaaid, gevlogen, gedraaid,…
Naar het schijnt zijn er zelfs mensen door bezweken: dead by Powerpoint…

Prezi was al een verbetering. Eindelijk iets nieuws om presentaties mee te geven. Er werd vertrokken van de logische gedachte van 1 canvas waarop alles stond. Vergelijk het met een schematische voorstelling van het geheel van je inhouden. Plotsklaps werden onderlinge verbanden duidelijk en werd de visualisering een meerwaarde: de visuele content onthouden we immers veel beter dan de typische Powerpoint-opsommingen.

Maar kan het nog beter? PowToon doet alleszins een verdienstelijke poging. Men speelt er in de eerste plaats in op het ‘redundancy effect’. Lijsten met opsommingstekens worden zoveel mogelijk achterwege gelaten en het visuele aspect van je presentatie neemt het definitief over van de geschreven content. Je inhoud moet immers niet getypt staan op je presentatie om vervolgens af te lezen, maar moet je gewoon mondeling overbrengen aan je publiek. Waarom? Omdat we nu eenmaal sneller kunnen lezen dan dat we kunnen horen. Je opsomming in je Powerpoint-dia is dus vele malen sneller gelezen door je publiek dan dat jij kan vertellen. En daarom slaat zo snel de verveling toe bij je toehoorders…

Zijn er dan geen nadelen aan PowToon?
Zeker en vast wel. Vooreerst is de invalshoek nogal ‘Amerikaans’. Je weet wel: alles moet snel gaan en je moet zeer regelmatig het woord “awesome” gebruiken. Naar mijn bescheiden mening is Powtoon ook eerder geschikt om een online-filmpje te maken van je presentatie dan om live voor een publiek te brengen. Maar… is dat niet de bedoeling als we de adepten van “blended learning” mogen geloven?
En oh ja…wil je je gratis account overstijgen? Dan kost het je 228 dollar. Per jaar…

Niettegenstaande PowToon met name gericht is naar het bedrijfsleven, denkt men ook aan het onderwijs. Daartoe schreef men het boek “Cartoons in the classroom”, gratis te downloaden via https://s3.amazonaws.com/powtoon/books/Cartoons-in-the-Classroom-Book.pdf

Zelf aan de slag? http://www.powtoon.com/

Augmented reality in de praktijk

AUGMENTED REALITY IN DE PRAKTIJK
Geert Callebaut
Docent nieuwe media KAHO-HUB
Campus Aalst
September 2013

SITUERING
Augmented Reality of AR wordt het volgende modewoord in leraarskamers en op onderwijsmeetings. Nu een digitaal schoolbord standaard is geworden (en we hebben ingezien dat de ‘magie’ veelal een dun laagje marketingpraat was) en we er niet uit geraken wat de meerwaarde is van een Ipad in de klas (niettegenstaande we er van overtuigd zijn dat we er een zullen gebruiken in onze klas, willes nilles), komen we mogelijks tot een discussie die echt over inhoud gaat: AR.

In een ideale wereld zouden onze leerlingen niet langer sleuren met boekentassen, vol met kilo’s boeken, allemaal netjes gekaft. Een tablet zou deze functie overnemen: alle content digitaal, alle notities recht op onze tablet. Zo ver zijn we echter nog niet. Het is zelfs de vraag of we ooit zo ver zullen komen. Niet alleen hebben vele uitgeverijen het knap moeilijk om bij te benen en komen ze momenteel niet verder dan eenvoudige bordboeken die het niveau van een pdf spijtig genoeg maar met moeite overstijgen, bijkomend probleem is dat er gewoonweg niet te schrijven valt op een tablet. Of je nu een tablet neemt van 60 euro uit de speelgoedwinkel of een state-of-the-art gehypte Ipad: je slaagt er niet in om er een volzin op neer te pennen, laat staan dat je als zesjarige er je eerste letters op oefent.

Stilstaan dan maar? Laat ons hopen van niet. Onze gedigitaliseerde kinderen verdienen beter dan het orale onderwijs dat in het verleden zo vaak de praktijk uitmaakte. Zelfs geschiedenis werd maar al te vaak “verteld”. Niet opmerkelijk dat je niet kon onthouden welke president van Amerika in welke periode heeft geregeerd: je kon er je geen visueel beeld van vormen. In het eerste multimediaprincipe van Mayer wordt het nochtans duidelijk gesteld: bied je iets louter verbaal aan, dan blijft er grofweg 38 procent van de overgebrachte leerstof “hangen”. Combineer je echter dezelfde inhoud met beelden, dan stijgt dit tot 65%.
Overtuigd om de volgende keer toch wat extra beeldmateriaal te zoeken?
Maar dan blijft het probleem dat onze leerlingen in de meeste (zoniet alle) gevallen thuis aan de slag gaan met een… papieren hand- of werkboek. Daar zijn uiteraard “beelden” in opgenomen, maar wel “statische beelden”: prentjes en foto’s. En dat terwijl die generatie opgroeide met zeer rijke audiovisuele content.
Het antwoord is nochtans eenvoudig: augmented reality in de klas. Oorspronkelijk werd dit ontwikkeld voor reclamedoeleinden (George Clooney die je van op de affiche op het bushokje voorstelt om samen een Nespresso te drinken…). Maar dit slaat op heden niet echt aan. Waarom? Omdat mensen eenvoudigweg geen extra moeite willen doen om reclame te zien, nl. de tablet of smartphone opzetten, een app starten en doelbewust naar een reclamefilmpje kijken. Integendeel: mensen willen alleen moeite doen om reclame net te vermijden. Een “no go” dus…
Maar AR kan met zeer beperkte inspanning voor elke lesgever een wereld van verschil maken. Om te studeren word je immers wel verondersteld om extra inspanningen te leveren. En als je als modale leerling je leerinhouden audiovisueel ondersteund ziet in plaats van statisch uit een boek te moeten studeren, dan doe je dat toch?
Het probleem van pep-talk zoals het bovenstaande, is dat men in de meeste gevallen niet concreet wordt, dat het louter bij visie en virtualiteit blijft. Maar hoe doe je dat nu in de praktijk? Eerst een opleiding IT-er volgen en vervolgens je klas ombouwen tot server? Laat het ons even heel concreet maken.

WAT WILLEN WE?
De gedrukte content van onze leerlingen (of ze nu 6 of 66 jaar oud zijn) verrijken met audiovisuele media. Concreet: de prentjes, statistieken, logo’s, foto’s uit hun hand- en werkboeken veranderen in bewegende beelden, audiofragmenten, 3d-modellen, webpagina’s…

WAAROM?
In de eerste plaats omdat leren leuk mag zijn en omdat onderzoek uitwees dat audiovisuele content veel beter “blijft hangen”. Het leerrendement stijgt dus.
Maar ook vanuit een zorgzame ingesteldheid: het is een bijkomend hulpmiddel om drop-outs opnieuw in de boot te trekken. Leerlingen die weinig of geen interesse hebben in school, hebben vaak wel interesse in technologie, computers en nieuwe media. Net daar gaan we dan ook op inspelen: we maken ons huiswerk, we leren onze les met de tablet in de hand.

WAAROM NIET?
“Niet iedereen heeft een tablet thuis.” Ok, dat klopt. Maar dient een onderwijsomgeving niet om mensen te “alfabetiseren”. Pakweg een eeuw geleden was je als analfabeet de sociale drop-out: weinig perspectieven om maatschappelijk de nodige mobiliteit te hebben. Momenteel zijn de nieuwe analfabeten echter niet de personen die niet kunnen lezen of schrijven, maar de personen die niet met een computer of tablet kunnen werken. Een directe stimulans vanuit het onderwijs om op een zinvolle wijze aan de slag te gaan met nieuwe media lijkt dus wel wenselijk te zijn. De kostprijs van een tablet in vergelijking met het totale budget dat een gezin aan onderwijs moet besteden, valt trouwens echt wel mee. Het enige wat je moet durven is afstappen van de Ipad-dictatuur en zo de aankoopprijs laag houden en voor sommige gezinnen de sociale kas van de school aanspreken. Als dit kan voor de skiklassen, moet dat ook kunnen voor een tablet.

HOE DOEN WE HET IN DE PRAKTIJK?
DE LEERKRACHT
De leerkracht maakt allereerst een account aan op https://studio.aurasma.com Dit is gratis en verschilt in niets van het aanmaken van een account op eender welke site.
Een tutorial opent zich, ad libidum kan je deze eens doorlopen.

De eerste stap is dan een trigger image te uploaden. Dit is de afbeelding die je later zal laten scannen door je leerlingen. Neem dus van de foto of tekening uit het werk- of handboek een foto met je gsm en zet deze op je pc. Upload als “trigger image”. Bij het opmaken van een werkblaadje heb je uiteraard alle prenten al digital op je pc staan.

Zo zal je na verloop van tijd een hele collectie hebben met allemaal afbeeldingen uit je werkblaadjes en handboeken. Het handige is dat je er dan later nog andere verrijkte content kan aan koppelen zonder deze opnieuw te moeten uploaden.

Tweede stap is het maken van Overlays.
Dit zijn de filmpjes, muziek, websites,… die je leerlingen te zien krijgen als ze met hun tablet kijken naar de “trigger image” in hun boek of werkblaadje. Op het moment dat ze via de camera van hun tablet kijken naar bijvoorbeeld de foto van Boudewijn in hun WERO-werkblaadje, zien ze de door jou gekozen videofragmenten uit het leven van Boudewijn.

Het systeem is hetzelfde: je selecteert op je computer het filmpje dat je wenst te uploaden en dit komt in je bibliotheek te staan, je kan het nadien nog linken aan andere afbeeldingen of hergebruiken voor andere klassen of werkblaadjes.
Het uploaden van een filmpje kan trouwens best lang duren: even geduld, alles komt goed.

De derde stap is het maken van een Channel. Hier ga je de meeste problemen mee hebben als je niet duidelijk communiceert met je leerlingen. De Augmented Reality die jij maakt, kan immers niet door iedereen gezien worden, slechts door de mensen die zijn ingeschreven voor jouw “Channel”. Wat moet je dus doen: je leerlingen zich laten inschrijven voor jouw “channel”, eenmalig. Straks daarover meer.
Wat jij moet doen is louter een channel aanmaken, bv. “meesterjan”.

De vierde stap is tevens de definitieve stap: het maken van Auras. Een Aura is simpelweg de koppeling tussen het prentje uit het werkboek en het filmpje dat jij wil dat de leerlingen zien als ze er naar kijken via de aurasma-app.

Eerst geef je een nieuwe Aura een naam,
dan selecteer je de Trigger image, koppel je er een overlay aan en selecteer je je “channel”.
Voila, je eerste augmented reality is klaar.

DE LEERLINGEN
De leerlingen nemen hun tablet en installeren gratis en eenmalig de app “Aurasma”.
Ze klikken op het vergrootglas in deze app en typen in het zoekvenster de naam van het channel van de juf of meester en klikken op “follow”. Ook dit is eenmalig.
Vanaf nu openen ze de Aurasma-app op hun tablet, richten deze naar een afbeelding of prent uit hun boek of blaadje en zien jouw verrijkte content virtueel verschijnen.
Tip: zet naast de afbeeldingen die je verrijkte met Augmented Reality een klein icoontje van Aurasma, zo weten je leerlingen dat er achter die afbeeldingen iets meer zit.

TENSLOTTE
De mogelijkheden zijn slechts beperkt door jouw fantasie.
Waarom zou je bijvoorbeeld het werkblaadje dat je meegeeft als huiswerk niet verrijken met Aurasma? Als leerlingen het bekijken met hun tablet zien ze een filmpje dat jij hebt opgenomen met bijkomende uitleg en toelichting bij de oefeningen. Ook dat is een uiting van een zorgzame school: niet iedereen heeft immers ouders die even beslagen zijn in het begeleiden van het huiswerk van zoon- of dochterlief.

Mobile leerinhouden maken: een vak apart met valkuilen

foto 2Al doende leert men. Dat ondervonden we tijdens onze eerste stapjes op het vlak van mobile leerinhouden.

Algemene tools en apps genoeg op de respectievelijke Google en iTunes Stores. Maar als je zelf leerinhouden wil ontwikkelen/samenstellen/aanbieden, heb je een behoorlijke leercurve voor de boeg. Met de nodige onverwachte obstakels.

Native en offline

Twee apps die we ontwikkelden als Proof of Concept waren “native” voor iPad: snijtechnieken en kooktechnieken. “Native” is dus ontwikkeld in xCode, de programmeertaal om een app te maken voor iPhone en iPad. Niet eenvoudig en meestal niet haalbaar met de doorsnee kennis van een lesgever.

Je kon met deze 2 apps tekst, multiple choice oefeningen en video’s consulteren over de verschillende messen, snijtechnieken en basis kooktechnieken. Deze apps zijn nooit in de iTunes Store beland, maar enkel op een aantal iPads gezet die ter beschikking waren in onze opleidingskeukens.

De reacties van de leerders en lesgevers waren onverbloemd positief. Een korte greep uit de respons achteraf:

  • Ad hoc consulteerbaar (dus niet meer naar een (ander) computerlokaal, inloggen enz.)
  • Fragmentaire consultatie (snel even iets opzoeken)
  • Geen internet nodig
  • Te gebruiken voor klassikaal (aan de beamer) en individueel
  • De iPad zelf “viel ook in de smaak” omdat je handelingen kan filmen en zo voorbeelden verzamelen hoe je wel/niet bepaalde snijtechniek toepast. (zelfevaluatie en peer-to-peer)
  • Gebruik door twee leerders om in te oefenen en elkaar te helpen
  • Absoluut gebruiksgemak en eenvoud
  • Alle leerinhoud verzameld zonder afleiding of technische hoogstandjes voor de leerder
  • “Dit is beter dan klassikale lessen”.

Toch stelde het ons voor moeilijkheden en vragen:

  • Met 4 iPads kan je het beheer nog wel aan, maar wat als je er 10, 25 of meer moet beheren?
  • Naast device management heb je ook app management. Apps beheren zonder iTunes Store is een echte kopzorg. En maar gedurende beperkte tijd mogelijk omdat je slechts 1 jaar een app op deze manier kan installeren.
  • Het geheugen van de iPads liep snel vol met eigen videofragmenten
  • Op afstand beheren van iPads vergt wifi (die er niet was in de opleidingskeuken).
  • BYOD (bring your own device) is niet van toepassing, want de apps waren niet beschikbaar in de Store
  • Enkel toepasbaar voor leerinhouden zonder scores of tracking.
  • Zoals eerder gezegd is xCode nu ook niet de eenvoudigste programmeertaal.

Webapp en offline

Na deze twee proefstukken ontwikkelden we drie apps “Heftruck”, “Tablet op het werk” en “Help, ik moet solliciteren”. Ook weer een technische Proof of Concept om de ervaringen uit vorige apps om te zetten in beter, sneller, makkelijker.

Drie valkuilen werden vermeden: geen xCode, geen gedoe met iPad-beheer, DIY (do it yourself) installatie door de lesgever,…

Webapps zijn gemaakt in HTML(5) en worden daarna “verpakt” om in de iTunes Store of Google Play aan te bieden. Een technische drempel maar toch al heel wat eenvoudiger dan xCode. Met een goede html-editor kom je al snel op weg.

Maar het aanbieden op iTunes is echt niet zo eenvoudig. Je hebt heel wat opzoekwerk te doen en veel onduidelijkheden te overwinnen (en een Apple Developper account van 200 euro per jaar).

Conclusie: aanmaak makkelijker en hosting moeilijk.

Je kan de videofragmenten in jouw app insluiten (offline). Het nadeel is dat het geheugen van iPad al snel volloopt. Maar het blijft allemaal mooi offline als je niet over wifi beschikt in jouw opleidingsinstelling. Als je verwijst naar youtube-fragmenten, ben je toch weer verplicht een internetverbinding te hebben. Dilemma dus.

Als conclusie voor beide voornoemde POC’s was het doelpubliek (leerders en lesgevers in technische secties) uiterst geschikt. Zij hebben niet onmiddellijk en makkelijk een computer bij de hand en wensen het leermateriaal te consulteren zonder tracking of inloggen. Of zij wensen de tablet als didactisch instrument te gebruiken (bv. video-opname voor zelfevaluatie). Een app was dus niet strikt noodzakelijk.

Inhoudelijk zijn er toch ook verschillen tussen deze voorbeelden te vinden. “Heftruck”, “Snijtechnieken” en “Kooktechnieken” zijn meer bedoeld als consultatie van nuttig materiaal.

“Solliciteren” en “Tablet op het werk” hebben al meer een opgebouwd leerpad en dus nuttig voor gestructureerde zelfinstuctie.

“Frans@Work” (op iTunes of Google Play) is gaat nog een stap verder. Deze App focust op fragmentair en themagerichte zinnen en woordenschat. Er is een spelelement ingevoegd waarvan je de resultaten op Facebook deelt. Wellicht is dit inhoudelijk de beste weg om mobile native apps aan te bieden. De app is ontwikkeld in html5 met PhoneGap zodat het iets makkelijker is om voor beide toonaangevende platformen (IOS en Android) aan te bieden.

Nu werken we een derde POC uit: Online Mobile sites

Hierover meer in een volgende blogartikel waar we de voordelen aantonen met een case en enkele handige tips en trics.

 

Mocht je vragen/opmerkingen/suggesties hebben, post ze gerust in de comments.

 

Gratis App, betaalde content

Elk kind kent een bepaalde ontwikkelingsfase die gekenmerkt wordt door “verzameldrang”. Dat is de periode dat je maar beter alle broekzakken controleert vooraleer ze in de wasmachine te gooien. Er zitten gegarandeerd “uitzonderlijk mooie” steentjes, prulletjes, pluimpjes en blokjes in.
Steeds meer spelletjes halen hier de mosterd: verzamelen moet je doen!
Wat gebeurt er? Zoon- of dochterlief komt aandraven met een nieuwe app met de vraag om deze te downloaden. Uiteraard geef je de toestemming en tik je argeloos je paswoord in. De app is immers gratis én luistert naar onschuldige namen zoals “Nemo” of “coaster crazy”.
Iedereen zou onderhand al moeten weten dat niets gratis is en het dus slechts zaak is om het onderliggend addertje te zoeken… Welnu, ver hoef je er niet achter te zoeken. Bij dergelijke spelen moet je allerhande dingen “verzamelen”: je moet gewassen telen in je moestuin, je moet dorpen aanleggen, je moet vissen vangen en parels uit schelpen halen. Nooit moeilijke dingen. Je moet er alleen maar wat tijd voor over hebben. En dan komt de menselijke drang om “meer” en “beter” te hebben naar boven: een volgend level, een bijkomende uitrusting,… je kan het allemaal kopen met het virtuele geld of punten die je hebt verzameld. Of… je kan ook tegen echt geld die dingen bijkopen: een in-app aankoop. Een verderfelijke praktijk die mikt op de onwetendheid van de gebruiker. Apple bouwde na vele klachten uiteindelijk een duidelijkere melding in wanneer je op het punt staat om in-app aankopen te doen, maar waterdicht is dit niet. Een beursgenoteerd bedrijf moet immers in de eerste plaats winst maken… Apple krijgt 30 procent van alle in-app aankopen: een miljardenopbrengst. Een triest record staat op naam van een Engels 5-jarig jongetje dat op 15 minuten tijd meer dan 2000 euro besteedde aan Zombie vs Ninja. Je kan in dat spel immers extra munitie kopen tegen echt geld.

Dus zorg je er voor dat je kinderen geen in-app aankopen meer kunnen doen via je Ipad:
open “instellingen” en kies “Algemeen”
klik op beperkingen
klik “schakel beperkingen in” en kies een toegangscode.
Zet “kopen vanuit apps” uit.

Mobile en leren: een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen?

start2De opkomst en algemene doorbraak van mobile, tablets, smartphones, apps, responsive design en binnenkort 4G dwingt de opleidingswereld zich aan te passen aan dit nieuwe kanaal, dit nieuwe medium, deze nieuwe tools.

Immers uit marktcijfers blijkt enerzijds dat het aantal gebruikers van tablets en smartphones spectaculair stijgt. Maar ook binnen de literatuur over opleiding en didactiek blijkt deze tendens de hype voorbij en op weg van Proof Of Concepts naar een meer stabiele dienstverlening.

We richten ons dus hoofdzakelijk op volwassen leerders die de middelen hebben om deze apparaten en bijhorende kosten te dragen. Bovendien zullen de ermee gepaard gaande kosten nog kortelings dalen door bv. initiatieven vanuit de regering (regularisering mobiele tarieven). Maar evengoed scholieren kunnen niet meer zonder smartphone de deur uit.

We mogen ons echter niet laten meeslepen door de hype en alles onder de vorm van mobile apps aanbieden. Complementariteit, integratie, blended en meerwaarde moet voorop staan. Dat is hopelijk de les die we van e-learning hebben geleerd.

Tenslotte is de technologie van e-learning stilaan achterhaald en komen nieuwe standaarden naar voor. Scorm zal opgevolgd worden door TinCan. Dit laatste is een “e-standaard” die toelaat om leerinspanningen (formeel en informeel) te traceren en te verzamelen in een portfolio. Deze nieuwe e-standaard is dus meer geschikt om m-learning op te volgen en te “formaliseren”. Hoewel, ik heb nog geen operationele toepassingen ervan gezien.

De meeste artikels op blogs over m-learning beperken zich tot een lijstje van handige apps die het leren ondersteunen: een digitale notitieblok, een rss-reader, een fototoepassing, enz. Dit is slechts een basale vorm van mobile leren. Je gebruikt een apparaat om je leerinspanning te ondersteunen met apps die geen specifiek leermatariaal aanbieden. De lat zou toch hoger moeten liggen, niet?

Afhankelijk van de situatie (reële leeromgeving), leerdoelen, publiek … kan je toch keuzes beginnen maken over het gebruik van mobile leren.

Afbakening en positionering

Mobile dekt drie toepassingen:

  1. het leren/certificeren/informeren/testen/oriënteren met tablets en smartphones door middel van apps
  2. het leren/certificeren/informeren/testen/oriënteren met tablets en smartphones door middel van mobiel surfen (wifi-3G) (consulteren van de elektronische leeromgeving valt hier ook onder).
  3. het leren/informeren/oriënteren door middel van mobile publicaties (magazines)

Mobile kent twee toepassingsmogelijkheden/publiek:

  1. als kanaal om leermateriaal en testen aan te bieden aan de zelfsturende leerder (extern)
  2. als kanaal om leermateriaal en testen aan te bieden aan de lesgever & leerder in de reële leeromgeving (intern)

Mobile kan twee doelstellingen ondersteunen:

  1. het formeel leren met opgebouwde leerpaden en testen zoals e-learning en met losse assets onder begeleiding van lesgever (dus zowel extern als intern)
  2. het informeel leren door consultatie van losse leerassets of door aanbieden van regelmatige informatie à la vakmagazine (zowel extern als intern)

Deze matrix van positionering en afbakening is belangrijk om te bepalen waarin je wil en kan investeren als instelling en lesgever.

Het onderscheid tussen bv. formeel en informeel is zelfs voor e-learning nog altijd een twistpunt. We verwachten daarom evenzeer veel interpretaties rond m-learning. Misschien helpt dit kader je al even op weg. Ook al zitten in dit kader nog hiaten. Die kan je als lezer zeker aanvullen via de blogcomments. Maar je zal alvast de spreekwoordelijke ezel vermijden door er even op voorhand stil bij te staan.

Waar e-learning bij uitstek moeite mee had, was de integratie in de reële leeromgeving (klas, lesatelier, werkplek in industriële omgevingen…). Zeker in opleidingen voor handvaardigheidsberoepen. Mobile leren schept vooral hier hoge verwachtingen.

 

In een volgend blogtekstje zal ik wat concrete realisaties beschrijven en er conclusies uitlichten.

Studiedag Mediawijsheid in scholen en bibliotheken

debibopschoolHet Departement Onderwijs en Vorming en Bibnet nodigen leerkrachten secundair onderwijs en bibliotheekmedewerkers uit om te ontdekken hoe ze samen kunnen werken aan mediawijze jongeren. Deze studiedag vindt plaats op 24 mei vanaf 10 uur in het Ellipsgebouw in Brussel. Hij is bovendien gratis, maar het aantal deelnemers is wel beperkt.

In de voormiddag kijken we hoe het staat met mediawijsheid in onze scholen en de bibliotheken. Het veld is volop in beweging, maar er is nog werk aan de winkel: zowel voor scholen als bibliotheken blijven er belangrijke uitdagingen.  We tonen hoe scholen en bibliotheken, elk vanuit hun eigenheid, optimaal mediawijsheid bij jongeren kunnen bevorderen. Waar liggen hun unieke sterktes en waar kunnen ze elkaar versterken? Liggen er kansen in een goede samenwerking?

In de namiddag worden concrete voorstellen en aanbevelingen voorgelegd aan de deelnemers van de studiedag. De deelnemers gaan met elkaar in interactie om samen tot concrete en gedragen aanbevelingen te komen.

Programma, praktische informatie en meer info: http://www.bibnet.be/portaal/Bibnet/Lokale_Ondersteuning/Mediawijsheid

 

Oproep tot deelname aan het Project eSafety Label 2013-2014

Scholen hebben de plicht om veilige leeromgeving te voorzien en te werken aan veilig en verantwoord ICT-gebruik op school. Het eSafety Label heeft tot doel scholen te ondersteunen  bij het realiseren van ICT-veiligheid op school. Een positieve ICT ervaring gaat immers hand-in-hand met een degelijk schoolbeleid en een goed doordacht eSafety actieplan. Op de eSafety Label webportal, kunnen scholen hun eSafety beleid vormgeven en verbeteren door gebruik te maken van leermiddelen, factsheets en checklists. Leerkrachten, ICT-coördinatoren en schoolhoofden kunnen via het platform ook nuttige tips uitwisselen en antwoorden vinden op hun vragen. Het belangrijkste aspect van het eSafety Label is echter de assessment module waarmee een school in kaart brengt op welk niveau van ICT-veiligheid ze zich situeert. Beleidsplanning, ICT-infrastructuur, schoolprojecten enz. worden daarbij geëvalueerd in het licht van e-safety. Op basis van de resultaten ontvangt elke school een persoonlijk actieplan met het oog op het remediëren van zwakke punten in het schoolbeleid en het verhogen van de ICT-veiligheid. Wanneer de school voldoet aan een bepaalde norm ontvangt ze een eSafety Label. Meer info: www.esafetylabel.eu

Het eSafety label is een project van het European Schoolnet en kwam tot stand i.s.m. met een aantal toonaangevende bedrijven (Kaspersky Lab, Telenet, Microsoft, Telefonica) en Europese ministeries van Onderwijs (België-Vlaanderen, Italië en Portugal, Oostenrijk, Tsjechië, Estland en Spanje.

Een Pilootproject

Vooraleer gestart werd met de ontwikkeling van de instrumenten en het eSafety label concept werd onderzoek gevoerd in de participerende landen. Zo werden de belangrijkste noden en bestaande initiatieven in kaart gebracht. Gedurende het schooljaar 2012-2013 werd het eSafety Label concept uitgetest in diverse scholen uit de vermelde landen. Vlaanderen participeerde met 10 scholen uit het Basis- en secundair onderwijs aan  het pilootproject. 

Voor het schooljaar 2013-2014 wordt de pilotfase uitgebreid en kunnen 50 nieuwe scholen instappen in het programma.

Van de scholen wordt verwacht dat zij actief de instrumenten van het eSafety Label inzetten voor hun school. Dat houdt in:

–          Zich registreren op de portal

–          Een contactpersoon aanduiden voor de school

–          De volledige assessmentprocedure doorlopen

–          De aanbevelingen van het assessmentrapport uitvoeren

–          Het project evalueren en hierover beknopt rapporteren

–          Deelname aan een beperkt aantal overlegmomenten (max. 3)

Het project staat open voor scholen uit gewoon of buitengewoon basis- en secundair onderwijs en Centra voor Basiseducatie. Scholen die reeds participeerden aan de eerste fase (schooljaar 2012-2013) kunnen niet opnieuw intekenen.

Wat krijgt de school ervoor in de plaats?

–          De exclusieve toegang tot een geïntegreerd eSafety Label instrumentarium: de drie assessmentmodules, een gepersonaliseerd werkplan, toegang tot leermiddelen,…

–          Het officiële eSafetyLabel (indien het minimumlevel behaald wordt)

–          Een vormingssessie in het klaslokaal van de toekomst (http://fcl.eun.org).

–          Een beperkte financiële ondersteuning om kosten van het project te dekken.

 

 

Oproep

De kandidaat-scholen sturen vóór 7 juni 2013 naar het Departement Onderwijs een e-mail naar jan.decraemer@ond.vlaanderen.be met daarin een korte motivatie, de identificatie van de school

(naam, contactgegevens, instellingsnummer, URL van de schoolwebsite) en de identificatie van een contactpersoon (naam, functie, postadres, telefoonnr. en e-mailadres) en/of van de ICT-coördinator.

 

 

Vermijden van Powerpoint-beroertes

Powerpoint was het logische gevolg van de informatisering van het onderwijs. Wat eerder met de aloude overheadprojector en plastieken slides gebeurde, werd in een technologisch jasje gehesen en als innovatief voorgesteld. Het concept bleef echter door vele gebruikers behouden: wat je vertelt, simultaan projecteren op het bord. Alsof daar enige meerwaarde zou inzitten. Nog steeds kunnen vele Powerpoint-adepten beschuldigd worden van enerzijds hun onzekerheid te trachten wegmoffelen onder een hoop slides (“Dankzij mijn Powerpoint zal ik niet stilvallen tijdens mijn presentatie en steeds weten wat te zeggen.”), anderzijds moet het al te vaak een gebrek aan kennis bij de presentator verdoezelen (“Wat op mijn slide staat, hoef ik niet te memoriseren.”). Om de meerwaarde ten opzichte van de plastiek slides in de verf te zetten, gieten vele mensen er nog een sausjes van “animations” over (tekst komt binnengewaaid, nieuwe dia’s dansen het scherm op).

Als je je studenten een van de volgende dingen ziet denken tijdens je presentatie, is het mogelijks tijd om het roer om te gooien:
-“Waar heb ik die Flair nu weeral gestoken in mijn boekentas?”
-“Waarom ruilde ik mijn bed voor een zitje in dit auditorium?”
-“Ik had vanavond ook op eigen houtje de Powerpoint kunnen overlopen in mijn zetel.”
-“Waarom heb ik geen nieuwe berichtjes op mijn gsm, ik wil immers mijn tijd zinvol invullen tot het einde van deze presentatie.”

 

Daarom toch een poging om Do’s and don’ts op te lijsten om je toehoorders van een gewisse Powerpoint-beroerte te redden:

-Start je presentatie met een brug naar je publiek: zet een cartoon op je openingsdia, neem een foto die de emotie in zich heeft die je tijdens de les wenst over te dragen, speel in op de interesse van je doelpubliek, maak een link met de recente (populaire) actualiteit.

-Ondersteun je mondelinge boodschap met visuele boodschappen op je dia’s. Het louter reproduceren van je mondelinge boodschap in tekst op je dia geeft geen meerwaarde maar bevestigt je publiek in hun dogma dat er zoveel betere manieren waren om hun tijd te spenderen dan in jouw lezing te zitten (shoppen bijvoorbeeld). Als je alleen verbale boodschappen geeft, wordt slechts 35% onthouden. Combineer je met beelden, dan stijgt dit tot 65%…

-Toon je betrokkenheid, je voeling, je passie. Overdracht gebeurt niet louter vanuit het hoofd, maar evenzeer vanuit de ziel, het hart, de buik.

-Humor is een must. Google naar cartoons die gelinkt zijn aan je topics, maak een link naar de populaire media, naar het dagdagelijkse leven van de studenten. Humor in een presentatie is even effectief voor de aandacht van je publiek als het inlassen van een bewegingstussendoortje in het eerste leerjaar.

-Investeer in een draadloze presenter. Het is dodelijk voor zowel de presentator als voor de toehoorders om tijdens de volledige lezing vastgelijmd aan de computer te moeten blijven staan omdat je tenslotte steeds op de muisknop moet kunnen klikken om een volgend tekstvak te laten binnenfladderen. Een draadloze muis, een Wiimote, een XBOX-controller, een smartphone, een tablet,… kunnen hiertoe dienst doen.

-Walk your talk. Je kan geen lezing over onderwijsvernieuwing geven als je jezelf beperkt tot doceren. Je kan geen lezing geven over betrokkenheid als je niet verder dan 1 meter van je lezenaar komt.

-Kijk niet naar je presentatie op je projectievlak. Zo sta je immers steeds met je rug naar je publiek. Zorg voor een extra monitor die naar jou gedraaid staat waarop je je eigen powerpointvoorstelling kan volgen.

-Een powerpoint is geen samenvatting van jouw lezing, het is een aanvulling. Breng geen feiten, breng een verhaal. Het oplijsten van feitenmateriaal zal jouw publiek slechts bevestigen in hun idee dat ze evengoed hadden kunnen thuisblijven en je inhoud hadden kunnen lezen in een artikel of handboek.

-Het inbouwen van animaties zorgt er nooit voor dat jouw lezing minder saai of meer aantrekkelijk wordt. Zorg voor een sobere stijl.

-Leg je eigen schriftelijke voorbereiding aan de andere van het lokaal. Zo zal je niet in de verleiding komen er steeds naar terug te grijpen of –in het slechtste geval- het beginnen aflezen.

-Kom tot het besef dat er alternatieven bestaan voor Powerpoint (Prezi bijvoorbeeld).

Oproep tot deelname aan het Netwerk van Innovatieve Scholen

In het kader van haar ICT-en digitale mediabeleid richt het Departement Onderwijs 3 nieuwe netwerken van innovatieve scholen op. Deze netwerken bestaan telkens uit minstens tien scholen die gedurende het schooljaar 2013-2014 nieuwe technologieën uitproberen en hun ervaringen uitwisselen met andere scholen uit het netwerk. Met dit initiatief wil het Departement Onderwijs voorkomen dat scholen elk op zich het warm water gaan uitvinden. Een andere doelstelling is de opgedane ervaringen, expertise en know-how te delen met het brede onderwijsveld. De scholen fungeren daarvoor als demonstratieproject en als voorbeelden van goede praktijk. Ze bundelen hun positieve en negatieve ervaringen in concrete tips en aanbevelingen en/of leermiddelen die naar het brede onderwijsveld verspreid worden, bv. via studiedagen, publicaties of peterschapsformules. 

 De drie Netwerken van Innovatieve Scholen hebben een verschillende inhoudelijke focus. De drie thema’s zijn als volgt bepaald:

  • One-to-one computing en tabletklassen of opstellingen waarbij elke leerling beschikt over een eigen ICT-toestel
  • Gaming
  • Het gebruik van GSM en smartphones in de klas

Deelnemende scholen ontvangen een beperkte financiële incentive om deel te nemen aan vergaderingen en om bepaalde concepten of technologieën uit te testen. Verder worden de scholen begeleid en ondersteund door een coördinator die samen met de scholen een jaarwerkplan opstelt en de scholen op bepaalde tijdstippen bijeenroept en seminaries organiseert. De coördinator is een expert die op basis van ervaring en expertise wordt geselecteerd door de het Departement Onderwijs & Vorming.

 De kandidaat-scholen sturen hun gemotiveerd dossier vóór 8 mei 2013 via het formulier in onderstaande link:  http://goo.gl/VPKzr

 

 

 

Augmented reality in de klas

AR-codes zijn nog niet zo bekend als QR-codes, maar bieden veel meer potentieel. Ook in het onderwijs. Op enkele exemplarische dingen na, werd er tot nu toe nog niet veel mee gedaan. Gezien het belang van de integratie van audiovisuele content in het onderwijs, denk ik echter dat het een terechte plaats verdiend in ieder klaslokaal of leerboek.
De beste wijze om kennis te maken met AR-codes is bijvoorbeeld de gratis app Aurasma te installeren en je iphone of ipad te laten ‘kijken’ naar eender welk biljet van 20 euro. Wat zie je? het biljet verandert in een geanimeerde voorstelling van Europa. Vergelijk het een beetje met de meer bekende app Layar: je kijkt met je tablet om je heen en je ziet op je scherm extra informatie zoals de dichtst bijzijnde restaurants, de musea in de buurt,…

Maakt u al de link naar een school- of een klasomgeving?
Droomt u er van dat zowat elke foto of prent in je leerling zijn handboek als een filmpje tot leven komt op het moment dat hij er zijn tablet of smartphone over houdt? Een foto van zijderups levert bijvoorbeeld een filmpje op met daarin het productieproces van zijde. Sta me even toe er de piramide van Bales bij te halen: het leren wordt er zoveel efficienter door gemaakt…
Als je in je wiskundeboek de voorbeeldoefening van een staartdeling bekijkt via je tablet zie je effectief de verschillende stappen om tot het resultaat te komen, chronologische verschijnen, eventueel met de vertrouwde stem van de juf of meester die er toelichting over geeft.

Toekomstmuziek? Mogelijk… The British Museum toont echter alvast een knap staaltje van Augmented Reality: bekijk er met je smartphone een werkstuk, juweel,… uit de oudheid en het komt als het ware tot leven: je ziet door je camera hoe het werd gebruikt, welke functie het had.

Zolang je maar “uit-de-doos-denkt” begint de toekomst in je klas alvast vandaag.

Eerste Vlaamse eSafety Labels uitgereikt

Naar aanleiding van Safer Internet Day 2013 heeft Onderwijsminister Pascal Smet gisteren de eerste tien e-safety labels uitgereikt. Het eSafety Label heeft tot doel scholen te ondersteunen  bij het realiseren van ICT-veiligheid op school. Een positieve ICT ervaring gaat immers hand-in-hand met een degelijk schoolbeleid en een goed doordacht eSafety actieplan.

Op de eSafety Label webportal, kunnen scholen hun eSafety beleid vormgeven en verbeteren door gebruik te maken van leermiddelen, factsheets en checklists. Leerkrachten, ICT-coördinatoren en schoolhoofden kunnen via het platform ook nuttige tips uitwisselen en antwoorden vinden op hun vragen.

Het belangrijkste aspect van het eSafety Label is echter de assessment module waarmee een school in kaart brengt op welk niveau van ICT-veiligheid ze zich situeert. Beleidsplanning, ICT-infrastructuur, schoolprojecten enz. worden daarbij geëvalueerd in het licht van e-safety. Op basis van de resultaten ontvangt elke school een persoonlijk actieplan met het oog op het remediëren van zwakke punten in het schoolbeleid en het verhogen van de ICT-veiligheid. Wanneer de school voldoet aan een bepaalde norm ontvangt ze een eSafety Label.

Het eSafety label is een project van het European Schoolnet en kwam tot stand i.s.m. met een aantal toonaangevende bedrijven (Kaspersky Lab, Telenet, Microsoft, Telefonica) en Europese ministeries van Onderwijs (België-Vlaanderen, Italië en Portugal, Oostenrijk, Tsjechië, Estland en Spanje.

Vooraleer gestart werd met de ontwikkeling van de instrumenten en het eSafety label concept werd onderzoek gevoerd in de participerende landen. Zo werden de belangrijkste noden en bestaande initiatieven in kaart gebracht. Gedurende het schooljaar 2012-2013 werd het eSafety Label concept uitgetest in diverse scholen uit de vermelde landen. Vlaanderen participeerde met 10 scholen uit het Basis- en secundair onderwijs aan  het pilootproject. 

Het gaat om:

  • Vrij Instituut voor Buitengewoon Onderwijs Kasteelpark Oud-Turnhout
  • Gesubsidieerde Vrije Basisschool Sint-Joris, Menen
  • Heilige Harten Beroeps en Technisch Onderwijs, Ninove
  • Sint-Aloysiuscollege Ninove
  • Sint-Jozef-Klein-Seminarie, Sint-Niklaas
  • Vrije Basisschool Sint-Jozef, Overmere
  • Vrije Basisschool Het Belleveer Schellebelle
  • Technisch Instituut Sint-Isidorus
  • Stedelijk Lyceum Paardenmarkt – Antwerpen
  • Spes Nostra, Heule

Deze scholen ontvingen gisteren dus hun certificaat. Binnenkort kunnen nieuwe scholen instappen in het project. Geïnteresseerde scholen nemen contact op met jan.decraemer@ond.vlaanderen.be

http://www.esafetylabel.eu/