Waarom tinkering beter is dan STEM

STEM is in enkele jaren tijd opgeklommen tot het buzz-woord in het onderwijs. Voorheen wist er slechts een doorwinterde wetenschapper of ICT’er in je school wat het omvatte, momenteel loop je mijlenver achter als je niet on-the-spot en zonder verpinken het letterwoord kan afratelen.
Directies haasten zich om nog voor de opendeurdag een aantal STEM-materialen geleverd te zien. Want zeg nu zelf: wat is er meer wervend voor een abituriënt van pakweg 6 of 12 jaar dan een Lego-robot die feilloos gekleurde steentjes herkent, een aantal bananen waar je piano kan op spelen of een heuse 3D-printer waar je mee aan de slag kan, als je je inschrijft uiteraard…
Waar een tiental jaar geleden het aantal digitale borden de uitstraling van je school naar de buitenwereld toe bepaalden, is het nu het  Stem-aanbod dat het verschil maakt.

Maar is STEM echt wel de vernieuwing waar we met zijn allen zitten op te wachten?

In de echte wereld dienen scholen karig te zijn met budgetten. Dat is alvast één open deur. Maar er dienen ook keuzes gemaakt te worden. Kan de installatie van dubbele beglazing nog even wachten? Krijgt de sportleerkracht zijn of haar langverwachte verlanglijstje? Is de computerklas nog operationeel en hebben we eigenlijk wel een degelijk wifi-netwerk op onze school? Kan het oudercomité financieel een extra project steunen of moet er een extra wafelbak komen?
Want koken kost uiteraard geld. Een school die wil starten met STEM moet toch een basis aan materialen aankopen. Een 3d-printer? Vlot 1000 euro en meer. Een aantal Lego Minstorm-dozen waarmee een volledige klas simultaan aan de slag kan? Leg alvast 9000 euro op kant. Robots via tablets aangestuurd? Meer dan 3000 euro voor de basissets. En ga zo maar door.
STEM-onderwijs geef je nu eenmaal niet klassikaal of frontaal, dat moet echt hands-on gebeuren of we vervallen in stokoude didactische werkvormen.

Dan toch maar niet? Toch wel! Al eens gedacht aan tinkering? Kijk voor eenmaal niet op naar onze Noorderburen: het is duidelijk in Engeland dat men het voortouw neemt. De verplichting aldaar om STEM-inhouden te integreren in elke basisschool noopte scholen immers om creatief, innovatief en kosteneffectief aan de slag te gaan.

Tinkering kan een antwoord bieden. Als je het woord letterlijk vertaalt dan bekom je iets als “twaalf-stielen-dertien ongelukken” of in het beste geval “manusje-van-alles”. Niet echt flatterend dus. Wij vertalen het liever als “onderzoekend leren” of “uitproberen, met vallen en opstaan”.  Oxford Dictionaries verklaren het als “pogingen om iets te repareren of te verbeteren op een alledaagse of ongeleide manier”.

Maar waar situeert tinkering zich nu in de hele STEM-filosofie?

Tinkering wil leerlingen op een actieve en creatieve wijze betrokken maken in wetenschappelijke fenomenen. Tinkering wil hen met alledaagse materialen uiting laten geven aan hun dromen om de omgeving aan te passen, te manipuleren. Uit den boze zijn handleidingen, strakke kaders of vooraf gedefinieerde uitkomsten. De zoektocht is belangrijker dan het resultaat. Deze filosofie kan samengevat worden in de woorden: Think, make, thinker.

In tegenstelling tot vele STEM-activiteiten die vooraf gedefinieerde denkpaden, materialen en instrumenten veronderstellen, zal een tinkerer gebruik maken van alledaagse voorwerpen die uitmaken van zijn omgeving, van gereedschappen die beschikbaar zijn. Tinkerers willen komen tot resultaten die handig, innovatief of gewoonweg mooi zijn.
STEM-elementen worden geconcretiseerd met alledaagse materialen en werktuigen. Zelfexpressie van de leerlingen en creativiteit staan centraal. Falen is hierbij zeker een optie en maakt in vele projecten nu eenmaal deel uit van het traject. Vergelijk het misschien met “Lieven Scheire for education”. Dus geen lasercutters of 3d-printers maar breekmessen en karton. Geen robots maar karikuri’s.

“Tinkering is about hands-on experiences, learning from failures, and unstructured time to explore and invent. And through the processes of exploration and invention lies the potential for innovation.” (Tinkerlab.com)

Door tinkering-activiteiten op te nemen in je leerplan wil je leerlingen inspireren en engageren om wetenschap te begrijpen, toe te passen en te beleven. Maar vooral om tevens de transfer te maken naar de ons omringende dingen, ze willen begrijpen, ze willen maken ,ze willen verbeteren. En net op dat punt lijkt de educatieve waarde van tinkering deze van STEM te overstijgen.
Voor de leerlingen is tinkering veelal creatiever en spannender, voor de leerkrachten pragmatischer en voor de directies financieel haalbaar(der).

Of zoals de Engelsen het verwoorden: Tinkering is the constructionist approach of STEM.

WP_20160302_14_38_16_ProGeprikkeld en zin in concrete projecten, concrete ideeën voor in je klas? Een mooie start vormt de site van het Amerikaanse ‘the Tinkering Studio’. Je vindt er uitgewerkte leerlingenfiches die je zo kan inzetten bij je eerste tinkering-les. Succes!

(http://tinkering.exploratorium.edu/projects)

 

Geert Callebaut
Odisee-Aalst

Scratch in de basisschool

Codetaal aanleren, zeg maar leren programmeren, bij kinderen: het wordt stilaan een hype. Als dynamische en immer vernieuwende leerkracht sta je hier wederom maar eens voor open…

Vluchten kan trouwens niet meer, in Engeland is het alvast een verworvenheid in het nationale curriculum: verplicht aan te bieden dus.
Bij ons is het zover nog niet, maar de evolutie gaat razendsnel. Willen we geen ‘computeranalfabeten’ afleveren die de sociale kloof alleen maar scherper stellen dan moeten we dit aanbod inderdaad breed aanbieden in de basisschool. Niet ieder gezin kan immers naschools meer dan 200 euro op tafel leggen voor een lespakket coderen.

Wat heb je nodig?

Concreet aan de slag gaan met je klas, daarvoor moet je naar de computerklas. Eén computer per duo is voldoende, de computers moeten zeker niet state-of-the-art zijn. Een realistisch school-scenario dus.

Scratch kan je eenvoudig online spelen (https://drive.google.com/file/d/0B_L_APuWYxGfbFVjUTF6dUFsc1E/view) of je kan het programma installeren op elke computer afzonderlijk (https://scratch.mit.edu/scratch2download/).

Heeft je school slechts een zwakke internetverbinding, dan is de tweede mogelijkheid wellicht de beste. Elke leerling die naar eenzelfde site surft kan immers nogal eens voor moeilijkheden zorgen op het netwerk.

Maar wat is Scratch nu eigenlijk?

Scratch is een zogenaamde object-georiënteerde visuele programmeertaal. Anders gezegd: door puzzelblokjes aan elkaar te hangen ga je je ‘figuurtje’ programmeren zodat het exact doet wat jij wil dat het doet. Je kan er spelletjes mee maken, verhaaltjes mee uitbeelden en er animaties mee maken. Op deze wijze helpt Scratch kinderen om de belangrijkste beginsels van programmeren te leren, te vergelijken met het aloude wiskundig ‘logisch denken’ (oorzaak-gevolg), gerelateerd aan multimediale dimensies.

Een plan van aanpak!

Scratch valt te implementeren in je klas als klassikale werkvorm (groepswerk) of als differentiatie-opdracht (contractwerk).

Om de basis in de vingers te krijgen, start je bij voorkeur met flitskaarten.  Een mooie set kan je hier downloaden: https://drive.google.com/file/d/0B_L_APuWYxGfbFVjUTF6dUFsc1E/view  Je leerlingen kunnen dan kiezen uit een heel pakket van opdrachten die ze moeten uitvoeren.

Klaar voor meer diepgang? Dan kan je je volledige klas aan de slag zetten om eenzelfde project uit te werken, met oog voor individuele vrijheid.  De whizzkids kunnen naar believen extra dimensies toevoegen (levels, geluiden, …) en jij als leerkracht kan extra aandacht besteden aan specifieke leerlingen. ‘Les geven’ zit er immers niet in: ieder groepje krijgt de instructie op papier en starten maar! Een voorbeeld? http://www.codeuur.nl/lesmateriaal

En wat is de finale stap: freewheelen! Iedere leerlingen werkt naar eigen believen een verhaaltje of een spel uit op Scratch, iedereen helpt elkaar, de leerkracht helpt met zoeken. Een mooi voorbeeld van leergebiedoverstijgend werken.

 

Oh ja, nog dit: je hoeft echt zelf geen Scratch-specialist te worden als leerkracht. Inzake coderen (en breder: STEM) hoeft de leerkracht niet langer het klassieke patroon van ‘kennisdrager’ te volgen, maar wel de rol van ‘facilitator’ op te nemen. Anders gezegd: je hoeft niet de juiste antwoorden te kunnen geven, maar wel de juiste vragen kunnen stellen en de leerling soms een duwtje in de juiste richting te geven. Het denkproces is belangrijk bij het kind, niet de reproductie. En om dat te begeleiden, ben jij als leerkracht uitermate goed geplaatst en geschoold, zelfs al heb je nooit ‘computerles’ gekregen.

 

Anders gaan lesgeven met nieuwe media

Het begint stilaan te dagen bij steeds meer lesgevers: de tijd is rijp om de klassieke manieren van lesgeven definitief achter ons te laten en voluit te gaan voor echte onderwijsvernieuwing.

Dus niet meer het mantra hanteren van het digitale bord dat de vernieuwing in de klas brengt, maar uitkijken naar echte vernieuwingen. De grote interesse die er bestaat voor blended learning en the flipped classroom zijn hierbij tekenen aan de wand. In onderstaand artikel lijsten we enkele mogelijkheden op. Let wel: het is niet de bedoeling om een kant-en-klare handleiding voor te schotelen, maar eerder inspirerend te werken. Geen twee lesgevers zijn immers gelijk. Iedereen zal zelf een pakket op maat moeten samenstellen waar hij/zij zich goed bij voelt. Aanzie onderstaand overzicht dus als een niet-exhaustief pakket waar je zelf je ideale klas mee kan samenstellen. Mogelijks nog niet dit jaar, zelfs nog niet volgend jaar. Maar ooit zal de tijd rijp zijn om écht “anders te gaan lesgeven”.

Digitale borden

Digitale borden zijn de grootste hype voorbij. Er zijn weliswaar tal van lesgevers die er fantastisch werk mee leveren. Er zijn spijtig genoeg echter tevens tal van lesgevers die zich gedwongen voelen om mee te surfen op de hype en er na jarenlang gezucht en gezwoeg nog steeds de meerwaarde niet van ontdekken. En terecht: het is dan ook maar een van de vele hulpmiddelen die je kan gebruiken in de klas. Spijtig genoeg soupeert zo’n digitaal bord vaak het totale ICT-budget voor een klas op zodat er geen financiële ruimte meer bestaat voor alternatieven. Bezinnen dus voor je begint: onderzoek wees reeds uit dat amper 44% van de leerkrachten die een digibord ter beschikking hebben er ook effectief gebruik van maakt… (Stijn Vanlaer, 2012). De reden: hun stijl van lesgeven is niet compatibel met de mogelijkheden dat dergelijk bord biedt.

Daarom het advies aan alle twijfelaars: probeer het eerst eens met een zelfgemaakt digibord. Als je al een beamer hebt staan of hangen, dan kost het je maar een avondje installeren en ongeveer 12 euro. Merk je na enkele maanden dat je een meerwaarde ondervindt inzake het behalen van je lesdoelen, dan kan je met de nodige argumentatie op zoek gaan naar een commercieel digibord. Want we moeten eerlijk zijn: een commercieel digibord werkt toch prettiger en vlotter dan een zelfgemaakt digibord.

Zelf aan de slag gaan? Wij vinden de Smoothboard-software bij de beste op de markt, spijtig genoeg betalend. Een gratis alternatief vind je bij www.uweschmidt.org Deze software is trouwens geschikt voor alle platformen.

Bordboeken en bordlessen

De uitgeverijen bieden een steeds ruimer pakket van bordboeken en bordlessen. Handig in het gebruik en didactisch zeer goed onderbouwd. Vaak worden er ook testen, differentiatiemogelijkheden,… toegevoegd waar je als lesgever rijkelijk kan uit putten. Top!

Maarvaak heb je doorheen je carrière al zeer mooie en waardevolle werkblaadjes, mappen, schema’s,… zelf aangemaakt. Deze vallen zeer eenvoudig over te zetten naar een digibord-formaat.

Open Sankoré biedt een zeer mooi en bovendien gratis aanbod hiertoe: http://open-sankore.org Deze open-source software laat je toe om zelf bordlessen en bordboeken aan te maken en geeft je alle tools die de grote commerciële pakketten ook aanbieden. Zeker het proberen waard. Je kan het trouwens gebruiken op elk type digitaal bord. Heeft je ene klas een Smartboard en je andere klas een Activboard: geen probleem met compatibiliteit.

Je smartphone als presenter

Als je een Prezi of Powerpoint-presentatie geeft, als je een lezing aanbiedt, dan hang je letterlijk vast aan je computer: je moet immers klikken om je volgende dia tevoorschijn te laten komen. En je wil lesgeven tussen je leerlingen, je door het volledige lokaal bewegen. Waarom gebruik je je smartphone niet om los te komen van je spreekgestoelte, van je computer? Kijk maar eens in de app store van je telefoon naar het aanbod onder de zoekterm “presenter”. Wij testten Smartshare Presenter uit voor Windows Mobile. Je opent je ppt via de plug in op je pc en je opent de bijhorende app op je smartphone. Beide devices maken verbinding met het beschikbare netwerk en je kan je dia’s zien op je schermpje, inclusief eventuele annotaties die je toevoegde als spiekbriefje.

 

Een tablet voor de juf of meester

Willen we in de klas zelf aan de slag met een tablet? Dan kan het zinvol zijn om je tablet het scherm van je klascomputer of laptop te laten overnemen. Waarom? De meeste software (bordboeken, Sankoré, Office,…) die we gebruiken in onze lessen bevindt zich wel op onze computer, maar niet op onze tablet. Als we ons computerscherm kunnen zien en kunnen bedienen op onze tablet, dan staan we niet langer frontaal les te geven, maar wandelen we rond in de klas met ons eigen digibord in de hand. Het proberen waard!

Splashtop.com is een voorbeeld van software dat dit mogelijk maakt. Je installeert Splashtop op je computer (verbonden met de beamer) en je opent de Splashtop-app op je tablet. Via het Wifi-netwerk maken beiden verbinding en je kan starten met je les. Als je je tablet aan een van je leerlingen geeft, kan deze zelfs de oefeningen aan het bord oplossen, zonder van zijn plaats te gaan. Werkt met iOS, Android en zelf Windows RT.

Educreations werkt op soortgelijke wijze, maar heeft als bijkomend voordeel dat je zeer eenvoudig je lessen kan opnemen: een combinatie van je bordschema’s en je stem. Doe je dit thuis, dan kan je op deze wijze instructiefilmpjes maken dewelke direct op het platform van Educreations te zien zijn, voor eenieder die jij wil.

Doceri doet dit ook, maar sluit zich aan bij de Ipad-dictatuur. Niet beschikbaar voor andere platformen dus.

Een tablet voor elke leerling

Een revolutie die mogelijks start in het hoger onderwijs en via deze weg ook naar andere niveau’s zal uitspreiden: de tablet als nieuwe boekentas. Studenten kopen jaarlijks vaak voor honderden euro’s cursussen. Als de docenten deze digitaal ter beschikking stellen, dan is de aankoopprijs van een tablet er al snel uitgehaald. Dit speelt in op de toekomstige trend van BYOD: bring your own device.

Smoothboard Air speelt hier direct op in. Het idee is dat de leerkracht bij de start van de les een QR-code toont op het projectiescherm waarna elke aanwezige student zich kan aanmelden: de presentatie wordt door het scannen van de code overgenomen op elke individuele tablet of smartphone. De annotaties die de leerkracht gedurende de les maakt, verschijnen tevens op alle devices en worden er ook in opgeslaan: elk bordschema zit automatisch in elke tablet. Handig om ’s avonds de les in te studeren.

 

Interactiviteit

De meerwaarde in onderwijsinnovatie en ICT ligt in de interactiviteit met je leerlingen.

Een mooi voorbeeld hierbij is Mouse Mischief. Deze plug-in wordt beschikbaar gesteld door Microsoft en werkt op elke computer waarop er Powerpoint 2007 of 2010 is geïnstalleerd. Hoe werkt het? Je maakt een presentatie met ja/nee-vragen of met meerkeuzevragen. Met de nodige USB-hubs (verdeelkastjes die je meer USB-poorten geven) en USB-verlengkabels kan je tot 30 muizen op jouw computer aansluiten: eentje voor elke leerling. Elke muisaanwijzer heeft een ander figuurtje. Zo kan eenieder eenvoudig herkennen welke de zijne is. Bij elke vraag die je lanceert kunnen je leerlingen nu deelnemen aan de quiz. De voordelen zijn duidelijk: je leerlingen letten beter op (gamification!) en je hebt direct feedback als leerkracht in welke mate je leerlingen bepaalde onderdelen van je les al dan niet hebben begrepen. Nadelen zijn dat je geen scores krijgt en dat iedereen uiteraard ziet welke antwoordmogelijkheid de anderen kiezen.

Beter uitgewerkt is Testmoz.com . Deze eenvoudige online-tool biedt een aantal bijkomende voordelen. Zonder registratie op de site kan je snel een quiz maken, vertrekkende vanuit verschillende vragentypes. Je krijgt een URL toegekend dewelke je kenbaar maakt aan je leerlingen. Elke leerling kan vanop de pc, de tablet of de smartphone aanmelden en deelnemen aan de quiz. Je krijgt aan het einde een compleet overzicht van de prestaties van je leerlingen.

Socrative gaat nog een stukje verder. De leerkracht surft naar t.socrative.com of installeert de app en de leerlingen surfen naar m.socrative.com of hebben hun eigen app. Elke leerling meldt zich aan in het “lokaal” dat jij toegekend kreeg. De leerkracht kan vervolgens ter plekke vragen afvuren of een voorafgemaakte quiz starten. De leerlingen kunnen deze dan op het tempo die de leerkracht oplegt of op hun eigen tempo doorlopen. Ook hier wacht er je op het einde van de quiz een werkblad met de uitslagen van alle leerlingen per vraag en in zijn totaliteit. Een nieuwe versie is trouwens reeds gelanceerd: beta.socrative.com

Meer info? www.onderwijsvernieuwing.be

Meer teasers? www.facebook.com/onderwijsvernieuwing

 

Mobile leerinhouden maken: een vak apart met valkuilen

foto 2Al doende leert men. Dat ondervonden we tijdens onze eerste stapjes op het vlak van mobile leerinhouden.

Algemene tools en apps genoeg op de respectievelijke Google en iTunes Stores. Maar als je zelf leerinhouden wil ontwikkelen/samenstellen/aanbieden, heb je een behoorlijke leercurve voor de boeg. Met de nodige onverwachte obstakels.

Native en offline

Twee apps die we ontwikkelden als Proof of Concept waren “native” voor iPad: snijtechnieken en kooktechnieken. “Native” is dus ontwikkeld in xCode, de programmeertaal om een app te maken voor iPhone en iPad. Niet eenvoudig en meestal niet haalbaar met de doorsnee kennis van een lesgever.

Je kon met deze 2 apps tekst, multiple choice oefeningen en video’s consulteren over de verschillende messen, snijtechnieken en basis kooktechnieken. Deze apps zijn nooit in de iTunes Store beland, maar enkel op een aantal iPads gezet die ter beschikking waren in onze opleidingskeukens.

De reacties van de leerders en lesgevers waren onverbloemd positief. Een korte greep uit de respons achteraf:

  • Ad hoc consulteerbaar (dus niet meer naar een (ander) computerlokaal, inloggen enz.)
  • Fragmentaire consultatie (snel even iets opzoeken)
  • Geen internet nodig
  • Te gebruiken voor klassikaal (aan de beamer) en individueel
  • De iPad zelf “viel ook in de smaak” omdat je handelingen kan filmen en zo voorbeelden verzamelen hoe je wel/niet bepaalde snijtechniek toepast. (zelfevaluatie en peer-to-peer)
  • Gebruik door twee leerders om in te oefenen en elkaar te helpen
  • Absoluut gebruiksgemak en eenvoud
  • Alle leerinhoud verzameld zonder afleiding of technische hoogstandjes voor de leerder
  • “Dit is beter dan klassikale lessen”.

Toch stelde het ons voor moeilijkheden en vragen:

  • Met 4 iPads kan je het beheer nog wel aan, maar wat als je er 10, 25 of meer moet beheren?
  • Naast device management heb je ook app management. Apps beheren zonder iTunes Store is een echte kopzorg. En maar gedurende beperkte tijd mogelijk omdat je slechts 1 jaar een app op deze manier kan installeren.
  • Het geheugen van de iPads liep snel vol met eigen videofragmenten
  • Op afstand beheren van iPads vergt wifi (die er niet was in de opleidingskeuken).
  • BYOD (bring your own device) is niet van toepassing, want de apps waren niet beschikbaar in de Store
  • Enkel toepasbaar voor leerinhouden zonder scores of tracking.
  • Zoals eerder gezegd is xCode nu ook niet de eenvoudigste programmeertaal.

Webapp en offline

Na deze twee proefstukken ontwikkelden we drie apps “Heftruck”, “Tablet op het werk” en “Help, ik moet solliciteren”. Ook weer een technische Proof of Concept om de ervaringen uit vorige apps om te zetten in beter, sneller, makkelijker.

Drie valkuilen werden vermeden: geen xCode, geen gedoe met iPad-beheer, DIY (do it yourself) installatie door de lesgever,…

Webapps zijn gemaakt in HTML(5) en worden daarna “verpakt” om in de iTunes Store of Google Play aan te bieden. Een technische drempel maar toch al heel wat eenvoudiger dan xCode. Met een goede html-editor kom je al snel op weg.

Maar het aanbieden op iTunes is echt niet zo eenvoudig. Je hebt heel wat opzoekwerk te doen en veel onduidelijkheden te overwinnen (en een Apple Developper account van 200 euro per jaar).

Conclusie: aanmaak makkelijker en hosting moeilijk.

Je kan de videofragmenten in jouw app insluiten (offline). Het nadeel is dat het geheugen van iPad al snel volloopt. Maar het blijft allemaal mooi offline als je niet over wifi beschikt in jouw opleidingsinstelling. Als je verwijst naar youtube-fragmenten, ben je toch weer verplicht een internetverbinding te hebben. Dilemma dus.

Als conclusie voor beide voornoemde POC’s was het doelpubliek (leerders en lesgevers in technische secties) uiterst geschikt. Zij hebben niet onmiddellijk en makkelijk een computer bij de hand en wensen het leermateriaal te consulteren zonder tracking of inloggen. Of zij wensen de tablet als didactisch instrument te gebruiken (bv. video-opname voor zelfevaluatie). Een app was dus niet strikt noodzakelijk.

Inhoudelijk zijn er toch ook verschillen tussen deze voorbeelden te vinden. “Heftruck”, “Snijtechnieken” en “Kooktechnieken” zijn meer bedoeld als consultatie van nuttig materiaal.

“Solliciteren” en “Tablet op het werk” hebben al meer een opgebouwd leerpad en dus nuttig voor gestructureerde zelfinstuctie.

“Frans@Work” (op iTunes of Google Play) is gaat nog een stap verder. Deze App focust op fragmentair en themagerichte zinnen en woordenschat. Er is een spelelement ingevoegd waarvan je de resultaten op Facebook deelt. Wellicht is dit inhoudelijk de beste weg om mobile native apps aan te bieden. De app is ontwikkeld in html5 met PhoneGap zodat het iets makkelijker is om voor beide toonaangevende platformen (IOS en Android) aan te bieden.

Nu werken we een derde POC uit: Online Mobile sites

Hierover meer in een volgende blogartikel waar we de voordelen aantonen met een case en enkele handige tips en trics.

 

Mocht je vragen/opmerkingen/suggesties hebben, post ze gerust in de comments.

 

Mobile en leren: een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen?

start2De opkomst en algemene doorbraak van mobile, tablets, smartphones, apps, responsive design en binnenkort 4G dwingt de opleidingswereld zich aan te passen aan dit nieuwe kanaal, dit nieuwe medium, deze nieuwe tools.

Immers uit marktcijfers blijkt enerzijds dat het aantal gebruikers van tablets en smartphones spectaculair stijgt. Maar ook binnen de literatuur over opleiding en didactiek blijkt deze tendens de hype voorbij en op weg van Proof Of Concepts naar een meer stabiele dienstverlening.

We richten ons dus hoofdzakelijk op volwassen leerders die de middelen hebben om deze apparaten en bijhorende kosten te dragen. Bovendien zullen de ermee gepaard gaande kosten nog kortelings dalen door bv. initiatieven vanuit de regering (regularisering mobiele tarieven). Maar evengoed scholieren kunnen niet meer zonder smartphone de deur uit.

We mogen ons echter niet laten meeslepen door de hype en alles onder de vorm van mobile apps aanbieden. Complementariteit, integratie, blended en meerwaarde moet voorop staan. Dat is hopelijk de les die we van e-learning hebben geleerd.

Tenslotte is de technologie van e-learning stilaan achterhaald en komen nieuwe standaarden naar voor. Scorm zal opgevolgd worden door TinCan. Dit laatste is een “e-standaard” die toelaat om leerinspanningen (formeel en informeel) te traceren en te verzamelen in een portfolio. Deze nieuwe e-standaard is dus meer geschikt om m-learning op te volgen en te “formaliseren”. Hoewel, ik heb nog geen operationele toepassingen ervan gezien.

De meeste artikels op blogs over m-learning beperken zich tot een lijstje van handige apps die het leren ondersteunen: een digitale notitieblok, een rss-reader, een fototoepassing, enz. Dit is slechts een basale vorm van mobile leren. Je gebruikt een apparaat om je leerinspanning te ondersteunen met apps die geen specifiek leermatariaal aanbieden. De lat zou toch hoger moeten liggen, niet?

Afhankelijk van de situatie (reële leeromgeving), leerdoelen, publiek … kan je toch keuzes beginnen maken over het gebruik van mobile leren.

Afbakening en positionering

Mobile dekt drie toepassingen:

  1. het leren/certificeren/informeren/testen/oriënteren met tablets en smartphones door middel van apps
  2. het leren/certificeren/informeren/testen/oriënteren met tablets en smartphones door middel van mobiel surfen (wifi-3G) (consulteren van de elektronische leeromgeving valt hier ook onder).
  3. het leren/informeren/oriënteren door middel van mobile publicaties (magazines)

Mobile kent twee toepassingsmogelijkheden/publiek:

  1. als kanaal om leermateriaal en testen aan te bieden aan de zelfsturende leerder (extern)
  2. als kanaal om leermateriaal en testen aan te bieden aan de lesgever & leerder in de reële leeromgeving (intern)

Mobile kan twee doelstellingen ondersteunen:

  1. het formeel leren met opgebouwde leerpaden en testen zoals e-learning en met losse assets onder begeleiding van lesgever (dus zowel extern als intern)
  2. het informeel leren door consultatie van losse leerassets of door aanbieden van regelmatige informatie à la vakmagazine (zowel extern als intern)

Deze matrix van positionering en afbakening is belangrijk om te bepalen waarin je wil en kan investeren als instelling en lesgever.

Het onderscheid tussen bv. formeel en informeel is zelfs voor e-learning nog altijd een twistpunt. We verwachten daarom evenzeer veel interpretaties rond m-learning. Misschien helpt dit kader je al even op weg. Ook al zitten in dit kader nog hiaten. Die kan je als lezer zeker aanvullen via de blogcomments. Maar je zal alvast de spreekwoordelijke ezel vermijden door er even op voorhand stil bij te staan.

Waar e-learning bij uitstek moeite mee had, was de integratie in de reële leeromgeving (klas, lesatelier, werkplek in industriële omgevingen…). Zeker in opleidingen voor handvaardigheidsberoepen. Mobile leren schept vooral hier hoge verwachtingen.

 

In een volgend blogtekstje zal ik wat concrete realisaties beschrijven en er conclusies uitlichten.

Vermijden van Powerpoint-beroertes

Powerpoint was het logische gevolg van de informatisering van het onderwijs. Wat eerder met de aloude overheadprojector en plastieken slides gebeurde, werd in een technologisch jasje gehesen en als innovatief voorgesteld. Het concept bleef echter door vele gebruikers behouden: wat je vertelt, simultaan projecteren op het bord. Alsof daar enige meerwaarde zou inzitten. Nog steeds kunnen vele Powerpoint-adepten beschuldigd worden van enerzijds hun onzekerheid te trachten wegmoffelen onder een hoop slides (“Dankzij mijn Powerpoint zal ik niet stilvallen tijdens mijn presentatie en steeds weten wat te zeggen.”), anderzijds moet het al te vaak een gebrek aan kennis bij de presentator verdoezelen (“Wat op mijn slide staat, hoef ik niet te memoriseren.”). Om de meerwaarde ten opzichte van de plastiek slides in de verf te zetten, gieten vele mensen er nog een sausjes van “animations” over (tekst komt binnengewaaid, nieuwe dia’s dansen het scherm op).

Als je je studenten een van de volgende dingen ziet denken tijdens je presentatie, is het mogelijks tijd om het roer om te gooien:
-“Waar heb ik die Flair nu weeral gestoken in mijn boekentas?”
-“Waarom ruilde ik mijn bed voor een zitje in dit auditorium?”
-“Ik had vanavond ook op eigen houtje de Powerpoint kunnen overlopen in mijn zetel.”
-“Waarom heb ik geen nieuwe berichtjes op mijn gsm, ik wil immers mijn tijd zinvol invullen tot het einde van deze presentatie.”

 

Daarom toch een poging om Do’s and don’ts op te lijsten om je toehoorders van een gewisse Powerpoint-beroerte te redden:

-Start je presentatie met een brug naar je publiek: zet een cartoon op je openingsdia, neem een foto die de emotie in zich heeft die je tijdens de les wenst over te dragen, speel in op de interesse van je doelpubliek, maak een link met de recente (populaire) actualiteit.

-Ondersteun je mondelinge boodschap met visuele boodschappen op je dia’s. Het louter reproduceren van je mondelinge boodschap in tekst op je dia geeft geen meerwaarde maar bevestigt je publiek in hun dogma dat er zoveel betere manieren waren om hun tijd te spenderen dan in jouw lezing te zitten (shoppen bijvoorbeeld). Als je alleen verbale boodschappen geeft, wordt slechts 35% onthouden. Combineer je met beelden, dan stijgt dit tot 65%…

-Toon je betrokkenheid, je voeling, je passie. Overdracht gebeurt niet louter vanuit het hoofd, maar evenzeer vanuit de ziel, het hart, de buik.

-Humor is een must. Google naar cartoons die gelinkt zijn aan je topics, maak een link naar de populaire media, naar het dagdagelijkse leven van de studenten. Humor in een presentatie is even effectief voor de aandacht van je publiek als het inlassen van een bewegingstussendoortje in het eerste leerjaar.

-Investeer in een draadloze presenter. Het is dodelijk voor zowel de presentator als voor de toehoorders om tijdens de volledige lezing vastgelijmd aan de computer te moeten blijven staan omdat je tenslotte steeds op de muisknop moet kunnen klikken om een volgend tekstvak te laten binnenfladderen. Een draadloze muis, een Wiimote, een XBOX-controller, een smartphone, een tablet,… kunnen hiertoe dienst doen.

-Walk your talk. Je kan geen lezing over onderwijsvernieuwing geven als je jezelf beperkt tot doceren. Je kan geen lezing geven over betrokkenheid als je niet verder dan 1 meter van je lezenaar komt.

-Kijk niet naar je presentatie op je projectievlak. Zo sta je immers steeds met je rug naar je publiek. Zorg voor een extra monitor die naar jou gedraaid staat waarop je je eigen powerpointvoorstelling kan volgen.

-Een powerpoint is geen samenvatting van jouw lezing, het is een aanvulling. Breng geen feiten, breng een verhaal. Het oplijsten van feitenmateriaal zal jouw publiek slechts bevestigen in hun idee dat ze evengoed hadden kunnen thuisblijven en je inhoud hadden kunnen lezen in een artikel of handboek.

-Het inbouwen van animaties zorgt er nooit voor dat jouw lezing minder saai of meer aantrekkelijk wordt. Zorg voor een sobere stijl.

-Leg je eigen schriftelijke voorbereiding aan de andere van het lokaal. Zo zal je niet in de verleiding komen er steeds naar terug te grijpen of –in het slechtste geval- het beginnen aflezen.

-Kom tot het besef dat er alternatieven bestaan voor Powerpoint (Prezi bijvoorbeeld).

Augmented reality in de klas

AR-codes zijn nog niet zo bekend als QR-codes, maar bieden veel meer potentieel. Ook in het onderwijs. Op enkele exemplarische dingen na, werd er tot nu toe nog niet veel mee gedaan. Gezien het belang van de integratie van audiovisuele content in het onderwijs, denk ik echter dat het een terechte plaats verdiend in ieder klaslokaal of leerboek.
De beste wijze om kennis te maken met AR-codes is bijvoorbeeld de gratis app Aurasma te installeren en je iphone of ipad te laten ‘kijken’ naar eender welk biljet van 20 euro. Wat zie je? het biljet verandert in een geanimeerde voorstelling van Europa. Vergelijk het een beetje met de meer bekende app Layar: je kijkt met je tablet om je heen en je ziet op je scherm extra informatie zoals de dichtst bijzijnde restaurants, de musea in de buurt,…

Maakt u al de link naar een school- of een klasomgeving?
Droomt u er van dat zowat elke foto of prent in je leerling zijn handboek als een filmpje tot leven komt op het moment dat hij er zijn tablet of smartphone over houdt? Een foto van zijderups levert bijvoorbeeld een filmpje op met daarin het productieproces van zijde. Sta me even toe er de piramide van Bales bij te halen: het leren wordt er zoveel efficienter door gemaakt…
Als je in je wiskundeboek de voorbeeldoefening van een staartdeling bekijkt via je tablet zie je effectief de verschillende stappen om tot het resultaat te komen, chronologische verschijnen, eventueel met de vertrouwde stem van de juf of meester die er toelichting over geeft.

Toekomstmuziek? Mogelijk… The British Museum toont echter alvast een knap staaltje van Augmented Reality: bekijk er met je smartphone een werkstuk, juweel,… uit de oudheid en het komt als het ware tot leven: je ziet door je camera hoe het werd gebruikt, welke functie het had.

Zolang je maar “uit-de-doos-denkt” begint de toekomst in je klas alvast vandaag.

De tablet als boekentas

Elk jaar is het een confrontatie met de harde realiteit: grootwarenhuizen en papierhandels beginnen reeds omstreeks eind juli iedere leerling en iedere student er op attent te maken dat de grote vakantie bijna ten einde is. Er moet dan dringend weer aan het consumeren worden geslaan: pennen, schriften, potloden,… Maar vooral moet er ook een nieuwe boekentas worden gekocht. De oude boekentas is immers versleten, te klein of hopeloos verouderd. De tijd dat een lederen boekentas zowat je hele schooltijd meeging, ligt ver achter ons. Kassa, kassa… In vele gezinnen een jaarlijks ritueel. Belgische gezinnen ramen de kosten van de start van een nieuw schooljaar op 773 euro! Niemand die er een punt van maakt, het kostenplaatje ervan wordt netjes uit de maximumfactuur gehouden.

Over de tablet-pc en meer bepaald over de rol ervan in het onderwijs is al heel wat inkt gevloeid. Geheel terecht: een nieuw apparaat vraagt de nodige beschouwingen vooraleer te integreren in het didactische proces. Maar op het einde van de rit kan je er steevast van op aan dat er besloten wordt dat je als school moeilijk kan verplichten om elke leerling zich een tablet te laten kopen. Wat nochtans eens must is als je er een wezenlijk deel van je onderwijs wil mee vorm geven: elke leerling of elke student heeft dan immers een tablet nodig, zonder uitzondering. Daarom wordt het idee dan uiteindelijk maar afgevoerd. In het beste geval koopt de school zelf een setje tablets aan waarop de leerlingen soms tijdens de lesuren eens kunnen ‘experimenteren’.

Het is echter ten zeerste te betreuren dat een prachtig apparaat als een tablet hierdoor zijn spoedige intrede in de individuele handen van elke leerling of student zou missen. Pas als je als leerling of student je eigen tablet dan en nacht, weekend en weekdag, schooltijd en vakantie, ter beschikking kan hebben, komt het apparaat pas echt tot zijn recht. Huiswerk maken? Op mijn tablet! Les leren? Op mijn tablet! Pas als elke leerling te allen tijde over zijn of haar persoonlijke tablet kan beschikken, kan het alle schoolboeken, werkblaadjes, de klasagenda, het contractwerk, de computerklas en zelfs het digitale schoolbord vervangen.

Gaan we hierbij voorbij aan de sociaal-economische situatie van ouders? Leggen we een extra financiële last op hun schouders? Nee, je kan hoogstens spreken van een verschuiving van het budget bij vele ouders en scholen. Bekijk de tablet als een virtuele boekentas die pakweg 4  jaar zal meegaan, focus vervolgens niet op de klassebak van de tablets, de Ipad, bij de prijssetting. Er zijn immers heel wat kwalitatief sterke tablets op de markt die minder dan de helft van een Ipad kosten. Daarenboven is het gebruik van een opensource besturingssysteem nog steeds aan te bevelen voor scholen, boven het zeer gesloten iOS.
Een tablet vervangt letterlijk de boekentas en het schoolgerei van een leerling. Die kosten die voorheen volledig bij de ouders lagen, vallen letterlijk volledig weg. De inhoud van de virtuele boekentas, tablet genaamd, zijn zoals nu reeds voor rekening van de school: schoolboeken, oefenblaadjes,… En ook daar kunnen ze door de komst van de tablet op besparen. Eerder dus een verschuiving van budgetten, zowel voor de ouders als voor de scholen.

Te kort door de bocht? Te vaak heeft het onderwijs in het verleden gewacht met een daadwerkelijke integratie van nieuwe ICT-materialen met de dooddoener: “Niet alle leerlingen hebben dit thuis”. Zolang niet zowat iedere leerling thuis internettoegang had, kwamen schitterende toepassingen zoals Bingel dus maar moeizaam van de grond. Sinds de laatste jaren zien we dat er een ommezwaai in dit denken komt.

Nu is het dus aan de tablet om de weerstand te doorbreken. Financiële overwegingen mogen alvast geen breekpunt vormen. De intrede van de tablet zal immers andere schoolkosten voor de ouders verminderen. Uiteraard zijn er nogal wat gezinnen voor wie de aankoop van een tablet voor elk schoolgaand kind een onverantwoorde of onmogelijke hap uit het gezinsbudget zou plukken. En daar ligt een nieuwe uitdaging voor elke school afzonderlijk: net zoals sneeuwklassen, bosklassen en zeeklassen waar nodig dienen bijgepast te worden door een sociale kas van de school, kan dit ook gebeuren bij persoonlijk ICT-materiaal.

Bekijk de tablet als een boekentas: je hebt ze in verschillende geuren en kleuren, verschillende maten en gewichten, verschillende prijsklassen. Sommige leerlingen pronken jaarlijks met de nieuwste boekentas, anderen stellen het met een basismodel die dan ook nog eens enkele jaren moet meegaan. Ook tablet s heb je in alle vormen en maten, in alle kleuren en prijsklassen. Maar het is net zoals nu de school die ervoor moet zorgen dat de boekentassen kosteloos gevuld geraken. Apps zoals de e-boekentas maken duidelijk dat de uitgeverijen klaar staan om de ommezwaai te maken. Leren lezen met Hup hoeft niet langer noodgedwongen in een boek, maar is er ook op de tablet. Werkblaadjes, invuloefeningen, contractwerk,… alles is voorhanden om op de tablet te gebruiken. Het aankoopbudget van scholen voor boeken en werkschriften zal omlaag kunnen. Een e-boek kost immers minder dan een papieren versie ervan. Om nog maar te zwijgen over fotokopiekosten die zullen gedecimeerd worden. Het vrijgekomen budget kan gaan naar een wezenlijke financiële bijdrage voor de aankoop van de tablet van de leerlingen met minder financiële armslag. Zo blijven ook zij niet verstoken van het nodige ICT-materiaal, wat de sociale ongelijkheid zal helpen verminderen: het ontbreken van ICT-incentives in economisch zwakkere gezinnen was ooit een van de redenen tot het doorvoeren van de ICT-eindtermen: scholen dienden iedereen in staat te stellen de nodige ICT-vaardigheden te ontwikkelen, los van de eigen opvoedingssituatie. Het verplicht invoeren van een tablet in scholen kan in het zelfde kader gezien worden: elke leerling, los van zijn of haar thuissituatie in staat stellen om ICT-vaardigheden te ontwikkelen die de verdere ontwikkelingskansen in onze maatschappij mee zullen bepalen. En het functioneel gebruik van een tablet kan daar in 2013 niet langer los van gezien worden. Noem de tablet gerust de nieuwe boekentas.

 

Smoothboard air

Smoothboard air is de jongste telg in de smoothboard familie.

Het laat je toe om je leerlingen of je toehoorders je scherm te delen op hun eigen laptop, tablet of smartphone.
Bij de start van je les of van je presentatie projecteer je een QR-code. Iedere aanwezige kan dan met een standaard QR-lezer inloggen. Ze zien dan vervolgens je presentatie of je les verschijnen op hun eigen device.
Het is een logisch vervolg op de trend ‘bring your own device’.
De mogelijkheden voor het onderwijs moeten nog wat worden uitgezocht, maar we herkennen alvast twee mogelijkheden:
-je kan zelf je presentatie bedienen met je tablet of smartphone terwijl je rondloopt in je klas. De veel gehoorde kritiek dat digitale borden het frontaal lesgeven opnieuw in voege brengen, wordt zo de das omgedaan.
-je toehoorders/studenten moeten niet langer naar het (digitale) bord komen om oefeningen in te vullen, te participeren. Vanop hun plaats kunnen ze aanduidingen maken, mindmaps aanvullen,…
Voor de gebruikers is dit volledig gratis. Het enige waar je moet op letten is dat ze verbonden zijn met hetzelfde WIFI-netwerk als jijzelf. Jouw presentatiecomputer moet met andere woorden ook op een wifi-netwerk zijn aangesloten.
Jijzelf kan in eerste instantie de proefversie van Smoothboard Air gebruiken. Deze heeft volledige functionaliteit, maar een vervelend popup-venster moet je er wel bijnemen.  Voor minder dan 20 dollar beschik je over een licentie, verbonden aan 1 computer.

Sankoré

Sankoré, voorheen bekend als Uniboard, is de perfecte freeware software voor gebruik met je digibord. Het maakt niet uit of het een zelfgemaakt bord is, een Smartboard of een Activ Board. Je start je computer en je digibord op de normale wijze op, je calibreert en je opent Sankoré. That’s it.

Deze software laat je toe zelf bordlessen te maken ‘from scratch’, van een bestaand werkblaadje, cursus of powerpointpresentatie. De toepassingen zijn relatief basic, maar geef toe: het merendeel van de toeters en bellen gebruik je toch niet in je dagelijkse klaspraktijk.

Alles valt eenvoudig te downloaden via http://open-sankore.org/

Het enige wat er nog ontbrak was een Nederlandstalige handleiding. Maar ook dat heuvel is momenteel verholpen: https://sites.google.com/site/vernieuwendonderwijs/digitale-borden/open-sankore

Probeer het zeker uit: niet-commerciele software valt toch steeds te prefereren in het onderwijs?

Leren lesgeven zonder digitaal bord

 Marketing is iets opmerkelijks. Marketeers slagen er in om ons vooreerst duidelijk te maken dat we iets missen, dat we ons dringend iets moeten aanschaffen. Vervolgens overtuigen ze er ons van dat we zoveel gelukkiger zijn en beter presteren met wat ze ons hebben laten aanschaffen. Om tenslotte onszelf te laten verkondigen dat we “niet meer zonder zouden kunnen”.

En dat is nu net wat er is gebeurd met de hype van het digitale bord.
Vele honderden jaren was elke lesgever volstrekt tevreden met een krijtbord. Een quasi onverslijtbaar en duurzaam instrument dat je toeliet om aantekeningen te maken (en ze opnieuw uit te wissen!), tekeningen te maken, prenten op te hangen,… Ten opzichte van de huidige interactieve borden boden ze heel wat voordelen: geen kopzorgen over stroompannes of een server die plat ligt, geen onderhoud of updates nodig, geen kabels die liggen te slingeren, geen beamer, … Maar vooral: multitouch! Zoveel leerlingen als we zelf wenselijk achtten, konden simultaan aan het krijtbord aan de slag.
En tijdens de speeltijd? Dan leefden de kinderen zich met stoepkrijt uit op de grootste interactieve speelplaats aller tijden! Ze tekenden op de betontegels en wonderwel: de tekening verscheen op ware grote op hun speelplaats, in kleur! Voorwaar een “must have” voor elke school…

Stijn Van Laer kreeg zeer terecht uitgebreide media-aandacht tijdens de voorbije weken. Hij zorgde immers voor een onderzoek dat elke schooldirectie zou moeten lezen om gewapend het marketinggeweld van de digiborden-lobby tegemoet te gaan: “Hoe gebruiken leerkrachten een digibord?” Het resultaat lijkt in één zin samen te vatten: 44% van de leerkrachten gebruikt zijn of haar digitaal bord niet. Rekening houdende met de lamentabele staat van vele schoolgebouwen, de noodzakelijke wafelslagen en eetfestijnen om geld in te zamelen,… op zijn minst een conclusie die tot nadenken stemt.

Afhankelijk van je doel of belang kan je hier twee meningen uit laten volgen:
-“Vlaamse scholen dienen dringend werk te maken van een intensieve bijscholing rond het gebruik van de digitale borden die in hun lokalen hangen. Pas dan zullen de leerkrachten degelijk gebruik kunnen maken van de schoolborden met al hun mogelijkheden.” (Noot: voor bijscholingen ben je vaak nog eens aangewezen op het aanbod van de fabrikant van je digibord.)
-“De huidige generatie digitale schoolborden bieden geen toegevoegde waarde aan de Vlaamse leerkracht. Velen voelden zich verplicht om mee te stappen in de hype, maar blijven teleurgesteld achter.”

Uiteraard zijn er vele lesgevers die prachtig gebruik maken van de toegevoegde waarde van een digitaal bord. Maar moeten we ook niet durven inzien dat dit niet voor ieder van ons is weggelegd? En dan doel ik niet zozeer op “engagement” of op “ict-vaardigheden”, maar eerder op de eigen stijl van lesgeven, de eigen dynamiek in de klas. Daarom ook geen pleidooi tegen digitale borden, maar wel een oproep om kritisch na te gaan of een digitaal bord in jouw leslokaal wel de verhoopte meerwaarde zal bieden die de commerciële aanbieders beloven.

Komen we immers niet uit een tijd waar we negatief stonden ten opzichte van het frontale lesgeven? Waarbij we zochten naar alternatieve (“activerende”) lesvormen?  Waarom laten we ons “bord” dan nu niet los?

De echte meerwaarde die de opkomst van het interactieve bord met zich mee heeft gebracht ligt in vele klaslokalen niet zozeer in het interactieve gebruik ervan, maar eerder in de bijhorende plaatsing van een multimediaprojector. Deze vaste plaatsing (een noodzaak bij een interactief bord) maakt dat vele lesgevers veel vaker gebruik maken van visualisaties in de klas: ze gaan vaker op internet, ze zoeken sneller een filmpje op en tonen veel vaker foto’s en didactische platen.
Maar heb je daarvoor een digitaal bord nodig? Helemaal niet: een computer en multimediaprojector volstaan. Wat zou immers de meerwaarde kunnen zijn van een digitaal bord om je filmpje te projecteren…? Meteen is echter de kostprijs voor je klasopstelling minstens met 60% naar omlaag gehaald…

Uiteraard is deze column zwartwit opgesteld. Uiteraard zijn er vele lesgevers die zich met hart en ziel overgeven aan hun digitale bord en er zeer veel meerwaarde uit halen. Maar we moeten ook durven inzien dat een digitaal bord geen must is om interactief les te geven, om “modern” les te geven, om het doel te bereiken die we allen nastreven: het aanbieden van kwalitatief onderwijs.

Geert Callebaut

Mediadocent
Lerarenopleidingen KAHOSL-Aalst

Onze school verbiedt gsm’s…

 Dat jongeren steeds sneller in het bezit zijn van een gsm is oud nieuws. Dat ze zich te pletter sms’en ook. Dat gsm’s verbannen worden uit klas lijkt echter een evidentie te zijn. Maar gaan we zo niet voorbij aan een cruciaal element uit de leefwereld van onze leerlingen? Hét communicatiemiddel bij uitstek voor hen? Wordt het niet hoog tijd om de gsm niet alleen toe te laten in onze klassen, maar ook actief aan te wenden met het oog op het bereiken van de lesdoelen? Zeker nu je met een gsm eindeloos meer dingen kan doen dan slechts telefoneren en sms’en.

Verbieden!

Ouders en leerkrachten zijn het er over eens: een gsm hoort niet thuis in de klas. Wordt een leerling toch betrapt met de gsm onder de bank, dan volgt meestal inbeslagname tot na schooltijd. “Leerlingen worden door hun gsm slechts afgeleid van de essentie in een klas: kennis, vaardigheden en attitudes verwerven.” Zolang we een gsm echter blijven benaderen als een ‘speeltje’ waarbij men in schabouwelijk Nederlands non-events naar elkaar stuurt, cyberpesten hoogtij viert en de concentratie van de les wegneemt, kan dit verbod gerust behouden blijven. Maar aangezien de huidige generatie leerlingen opgroeit met de gsm in de hand, kan er mogelijks ook gepleit worden om leerlingen constructief te leren omgaan met de mogelijkheden van hun mobieltje. Door de gsm inhoudelijk te gebruiken in de les, kan de aandacht net verhoogd worden. Welkom in de leefwereld van je leerlingen…

 Mediawijsheid wordt een steeds belangrijker item in de scholen: leerlingen niet alleen de werking van de (nieuwe) media leren kennen, maar hen ook voldoende begeleiden inzake het gebruik ervan en de invloed op hun leven. Uiteraard zijn er vele gevaren verbonden aan het actieve gebruik van de nieuwste technologieën en hun toepassingen. Maar een eenvoudig verbod zou te eenvoudig zijn en deze problemen slechts verbannen naar de momenten buiten de schoolmuren. De school heeft een cruciale taak in het ‘streetwise’ maken van de leerlingen in het nieuwe medialandschap.

 Smartphones

Steeds meer gsm’s worden kleine zakcomputers met onder andere een GPS-module, wifi-aansluiting en vele Apps. De markt van de smartphones is explosief gegroeid, de prijzen zijn sterk gedaald en de doelgroep is verplaatst van zakenmensen naar zowat elk lid van onze maatschappij. Even je mail nakijken op je telefoon, de aankomst van je trein checken of je Facebookpagina updaten? Niets mag nog een probleem vormen met je smartphone in je hand.
Willen we echter onze leerlingen toelaten om hun smartphone te gebruiken in de les, dan zal dit moeten kaderen in een ruimere visie van de totale school. Zo is Wifi-toegang voor iedere leerling een must. Dat vraagt de nodige maatregelen inzake toegangsbeveiliging en een voldoende sterk netwerk. Er zal een protocol moeten opgemaakt worden waardoor de krijtlijnen waarbinnen leerlingen zich mogen bewegen in dit draadloze schoolnetwerk, duidelijk zijn. Wie zich niet aan de regels kan houden, zal de consequenties ondervinden. Net zoals bij alle andere afspraken op school.

 Hoe een smartphone integreren in je lessen?

Geotagging: Zowat elke smartphone heeft een gps-module ingebouwd. Daarmee kan je niet alleen zeer precies je eigen geografische positie bepalen, maar ook routes uitstippelen. Leerlingen kunnen op deze wijze een stads- of natuurwandeling perfect in kaart brengen, illustreren met foto- en filmmateriaal en er extra inhoudelijke informatie aan toevoegen. Interdisciplinair werken in de praktijk…
Varianten hierop zijn eindeloos. Waarom zou je bijvoorbeeld je leerlingen geen wandeling doorheen de schoolgebouwen laten opmaken? Bezoekers op de infodag kunnen dan aan de hand van de smartphone de school ontdekken. Op elke stopplaats krijgen de bezoekers dan informatie die specifiek gelinkt is aan die ruimte: een fragment van een turnles, de visietekst van de school, foto’s van het schoolfeest,…

QR-codes: iedereen kent ze, slechts weinigen gebruiken ze. Een QR-code is de moderne variant van de streepjescode en kan veel meer informatie bevatten. Je neemt met je smartphone een foto van zo’n QR-code en je belandt direct op een website, een stukje tekst, een mailadres,… Waarom neem je in je cursus geen QR-codes op die verwijzen naar illustratieve beeldfragmenten of verdiepende sites? Je maakt zo van je cursus op slag een interactief bordboek.

 GTranslate: Laat je leerlingen anderstalige teksten fotograferen met hun smartphone. Een app zorgt er wel voor dat de tekst herkend en vertaald wordt. Je leerlingen hun opdracht is vervolgens om de vertaalde tekst foutloos en leesbaar te maken.

 Google: Met de internet-zoekfunctie op elke smartphone heeft elke leerling een zeer uitgebreide encyclopedie bij de hand. Hen opzoekingswerk laten verrichten bij recente actualiteit, nieuwsberichten laten volgen, extra informatie over het lesthema laten delen met de anderen,… De mogelijkheden zijn onuitputtelijk. In onze kennismaatschappij wordt het steeds belangrijker om informatie gericht te kunnen opzoeken en ligt de focus steeds minder op louter memoriseren en parate kennis.

 De smartphone als een stemkastje: Velen kennen ze, slechts weinig hebben ze: de stemkastjes voor gebruik in de klas. Vaak worden ze gelinkt aan het gebruik van een digitaal bord, maar op zich hebben ze er niets mee te maken. Deze stemkastjes kan je in je les integreren door je leerlingen op regelmatige basis te bevragen. Dat kan met kennis- en inzichtsvragen, maar evenzeer bevragingen rond opinies zijn mogelijk. Surf eens naar www.socrative.com en  je merkt direct hoe eenvoudig het werkt.

Meer weten? www.onderwijsvernieuwing.be

Geert Callebaut, febr 2012

13 jaar internet op school.

Als een mens een dag geen internet, geen digitale tv en geen telefoon heeft, doet hij gekke dingen. Zo ook uw edublogger. Opruimen… en dan een Clickx Extra uit herfst 1998 vinden over … “Internet in je klas”. En omdat je soms wel eens moet terugblikken om de huidige stand van zaken in te schatten, geef ik hier een greep uit die befaamde editie.

 

De cover en inhoudspagina komen al bevreemdend over… 292 url’s… waarvan slechts 38 didactische url’s (over chemie, geschiedenis, latijn, enz). Een artikel van 6 (zés!) pagina’s over zoeken op internet met Altavista (bestaat nog steeds maar is overgenomen door Yahoo!)…. Toen was zoeken nog een ambacht. Er waren immers 38 of meer zoekmachines. Kan jij er meer dan 5 uit het blote hoofd opsommen? (*Google, Google, Askjeeves, Bing en …Google?)

 

Lees even het eerste blad van “Je eerste stappen”. De ietwat betuttelende manier van uitleggen in dit artikel doet het ergste vrezen. Nu weet iedereen wat internet is, dat je een provider nodig hebt, enz.  Ik lees ook dat onbeperkt surfen op ISDN 9000 Bfr per jaar kostte. Voor de jongste lezers, dat is 225 euro. Betaal jij nu ook meer dan het dubbele?

Maar goed, technologisch zijn we in die 13 jaar toch wel vooruit gegaan: sneller, niet meer inbellen, wireless, Firefox en Chrome, streaming audio en video, 3D, sociale media…

 

Maar het meest interessante is natuurlijk het artikel met toenmalig minister Van den Bossche (geflankeerd door Fientje). Mijn gekleurde bril haalt hier een paar zinsneden uit. (Het artikel bestaat uit 3 pagina’s : pg1, pg2, pg3)

“We willen dat alle scholen over vier jaar beschikken over 1 pc per 10 leerlingen in de leeftijdsgroep van 9 tot 18 jaar.” Kan iemand even opzoeken hoeveel dat nu is? (Zet het maar in de commentaren bij dit artikel.)

“Ik juich het idee van ICT-coördinatoren toe maar sommige projecten draaien inderdaad te veel op het enthousiasme van één leerkracht. Het moet geïntegreerd worden in het schoolwerkplan.” Heb ik dat niet nog eens gehoord op seminaries de laatste tijd?

“Momenteel wordt een project afgewerkt dat het hele administratieve proces voor het eigen aanbod van schriftelijke cursussen automatiseert. In de toekomst  willen we die cursussen ook gaan aanbieden via Internet. Hierbij zullen bepaalde cursussen worden omgevormd met hyperlinks en aangevuld met geluidsfragmenten, interactieve oefeningen of video.”  Had hij het hier over Bis-Online? Je weet wel, dat project dat 5 jaar geleden is opgedoekt.

“Ik zie de opdracht van die regionale expertisenetwerken trouwens ruimer dan alleen maar nascholing. Ik verwacht dat ze ook technische ondersteuning gaan geven bij de installatie van het computerpark en het gebruik van programma’s. Een soort helpdeskfunctie dus…..” REN-Vlaanderen, dus. Intussen ook RTC’s.

“Drie doelstellingen. Ten eerste onderwijsmensen bewust maken van de educatieve mogelijkheden van ict. Ten tweede hen stimuleren om zelf in gang te schieten door het maken en aanbieden van goede praktijkvoorbeelden van modellen en methoden. Ten derde uitgebreide nascholing en opleiding aanbieden.” Het huidige Toll-net?

Je merkt ‘t. Nil novo sub sole. Zelfs cyberpesten was toen al een aandachtspunt. Maar toch… op technologisch vlak veel vooruitgang. En in iedere instelling is er nu wel een ELO, een ict-coördinator, een computerklas, digitale schoolborden… Leerkrachten zijn volop bezig met ict te integreren. Nascholingen links en rechts. Sociale media worden stilaan als kanaal en middel ingezet.

Ik nodig de lezer van harte uit om commentaren te posten. Ik lees graag hoe jij de situatie van nu inschat tov herfst 1998. En of je dergelijk artikel kan appreciëren. 😉

 

Aan een coole onderwijsminister

Everybody teaches, everybody learns *

1 september 2010. Bijna 1 mio leerlingen naar school. Vanaf vandaag is ook mediawijsheid een ‘officieel onderwijsdoel’, m.n. een vakoverschrijdende eindterm, zoals dat heet. [N.v.d.r. voel ik daar de wind van de vernieuwing weer niet uit Nederlandse hoek aanwaaien?!] En voor de start van het nieuwe schooljaar promoot de Vlaamse onderwijsminister Pascal Smet zowaar gamen in de klas. Trendy, toch? Klinkt cool, toch.

@ Pascal Smet, minister van Onderwijs

Vraagt u het Margreet van den Berg en haar zoon Martijn nog eens hoe cool gamen (in onderwijs) wel kan zijn, mijnheer de minister. Margreet kent haar stof van binnen en van buiten. En zij en haar zoon delen hun media- (en onderwijs)competenties loyaal en royaal met de wereld! For free dus. Mediawijsheid is voor Margreet van den Berg geen mode- of ijdel woord. Stel ik me pretentieus op als ik u haar ten warmste aanbeveel: dringend op haar abonneren, mijnheer de minister, als u het al niet gedaan zou hebben, en haar linken op uw site. Dat zou ik nu eens een cool gebaar vinden.

Herkent u ze, mijnheer de minister, deze übercoole gasten op mijn foto van het scherm dat enkele maanden geleden opgesteld stond in de Koninklijke Serres te Laken? We kunnen het volledige filmpje bekijken op de blog van leraar Bart Verswijvel en zijn leerlingenteams die dit jaar de Koningin Paolaprijs voor het Onderwijs (en meer prijzen) wonnen met het project Teacher Aid: leerlingen maken leraren mediawijs! Laten we de rollen omkeren en van de mediacompetenties van jongeren gretig gebruik maken. Of zoals Bart Verswijvel het mooier formuleert: leerlingen en leerkrachten delen hun digitaal universum. E-competent, mediawijs in no time, mijnheer de minister, met de speed en de power van generatie X, Y of Einstein. En ik kan het weten, getuige mijn blogje TSM.

Mag ik u nog een abonnement aanbevelen, zonder opdringerig te willen zijn? I happily present Bart Van Bossuyt uit mijn netwerk. Een superman in AR, teacher geek. Vanuit Vlaanderen (erfgoedstad Brugge) bouwt hij via Twitter en YouTube een sterke internationale reputatie op. Hij is een pionier van augmented reality in de klas. Of aardrijkskunde of chemie: hij drijft de leer-kracht in zijn leerlingenbundels op met 3D-visualiseringstechnieken. En wat definitely beautiful is: hij biedt het ons allemaal gratis aan op het web! Open source. Abonneren op Neogeobart, zou ik zeggen. Kijkt u even mee naar zijn methaanmoleculemodel of speurt u liever mee de hemel af naar Orion of Jupiter?

Nog eentje uit de overvloed, mijnheer de minister? In der Beschränkung zeigt sich der Meister, ik weet het wel, maar mag De Edublogs Daily nog snel bovenop uw stapel nieuwsbladen? Maar u was hoogstwaarschijnlijk al geabonneerd …

Tot slot wil ik u | allen een übercool gelukkig nieuw schooljaar 2010-2011 wensen!**

Voetnoten
* Citaat van de baseline van Bart Verswijvels Teacher Aid-blog.
** Zie ook mijn tweet @Phyllis in Mees’ klas (ja, die van teacher geek Maarten Hendrikx).

Crossposted in The Sausage Machine.

De Edublogs Daily

Zeven maanden geleden maakten we voor deze weblog een Twitter account aan. Niet zonder succes, want vandaag tellen we al 60 volgers.

Onze Twitter account geeft ons nu de mogelijkheid om mee te doen aan de (huidige) populaire trend om gepersonaliseerde magazines aan te maken. De hype van het moment is Flipboard voor de iPad, maar ook paper.li waar je zelf een ‘dagblad’ kan aanmaken op basis van ondermeer je Twitter- of Facebookaccount.

En zo kunnen we vandaag de eerste uitgave voorstellen van De Edublogs Daily. Het systeem koos als eerste hoofdartikel voor een post uit de blog van Janien.

Waarschijnlijk is paper.li als applicatie geen blijver, maar ik vind het zelf wel een mooie bundeling van informatie uit een bepaald netwerk.

Meer info: The Edublogs Daily is terug te vinden op deze url, alsook via een widget in de rechterkolom op onze homepage. Wie ons wil toevoegen aan zijn/haar Twitter-netwerk en zo indirect deel wil uitmaken van de Edublogs Daily, kan dat via deze Twitter-account.

Edublogs twittert

We hebben hier ooit eens een Facebook-experimentje gedaan, maar dat was geen succes. Waar we wel in geloven is Twitter.

Het was, om eerlijk te zijn, een lezer van deze blog (en collega van mij)  die vroeg waarom posts en comments van Edublogs.be niet automatisch op twitter gepubliceerd werden. Dus voor alle edublogslezers, stellen wij vandaag graag voor: de Edublogsbe Twitter account.

Over de inhoud van de nieuweling gaan we hier geen beloften doen. Maar u weet, hoe meer zielen, hoe meer vreugd, en waarschijnlijk ook… hoe meer tweets.

Volg ons dus nu ook via: http://twitter.com/edublogsbe

Wie is er bang van de boze wolf?

MC
Hehe… ik werk sinds november bij KBC ICT Services in Leuven als kennismanager (what’s in a name…). Na een loopbaan in onderwijs en overheid, op het Vlaamse departement onderwijs (als beleidsmedewerker e- en afstandsleren), op campus De Nayer (als ict coördinator voor onderwijsvernieuwing), bij de Open Universiteit (als docent open- en afstandsleren), wil ik jullie graag mijn ervaringen delen bij de overstap van onderwijs/overheid naar privé.

Eerst en vooral: KBC is geen gewone werkgever. Niet voor niets staat KBC in de lijst met beste werkgevers van Vlaanderen. Wat ik zeg geldt dus ongetwijfeld niet voor elke overstap van overheid/onderwijs naar de privé.
“Wie is er bang van de boze wolf?” verder lezen

De virtuele campus blaast 10 kaarsjes uit…

Vergeef me mijn cross-posting en het onbedoelde vleugje publiciteit. Maar ik hou er toch van om jaarlijks de naakte cijfertjes te brengen. Niet omdat ze iets zeggen over VeeDeeAaaBee maar wel omdat ze iets zeggen over hoe het e-leren in de lift zit.

De virtuele campus blaast 10 kaarsjes uit…

Redenen genoeg, vinden wij, voor een terugblik.

Een grafiekje is dan altijd leuk: je leest in één oogopslag de evolutie van jaar tot jaar.

grafiek

2008 krijg je ook nog even in cijfers:

  • 520 volle autobussen
    als je voor elke inschrijving voor webleren (26.000) een plaatsje in een autobus zou reserveren. Onze webcursisten krijgen wij nooit te zien. Ze studeren van thuis uit of vanop hun werkplek en houden contact met hun coach via elektronische weg.
  • 935 pc-lokalen
    als je voor elke inschrijving voor blended leren  (11.340) een plaatsje in een pc-lokaal zou voorzien. De ‘blended leerders’ zijn de cursisten die een opleiding volgen in een competentiecentrum van VDAB en webcursussen gebruiken in combinatie met hun klassieke opleiding.
  • 175 pc-lokalen
    voor de leerlingen en studenten van 35 scholen die onze webcursussen kunnen gebruiken omdat hun school een samenwerkingsovereenkomst met VDAB heeft. (2.112 inschrijvingen)
  • 146 webcursussen in ons aanbod
    wat een ontelbaar aantal combinatiemogelijkheden geeft voor iedereen die zelf zijn persoonlijk leertraject wil uitstippelen.

Voor welke webcursussen kiezen jullie?

  • De top-20 blijft nagenoeg ongewijzigd tegenover 2007.
  • De klassiekers bureautica, internettechnologie en administratie scoren weer hoog.
  • Soft skills hebben hun vaste plaats in de top-20 veroverd. Nieuwkomer ‘Creativiteit’ duikt zelfs meteen de top-20 binnen.
  • Ook de nieuwe taalcursus ‘Franel’ haalt de top-20, net als ‘Nederlandse spelling’ en ‘Business English’.
  • ‘Kleuradvies voor kleding’ prijkt al voor het derde jaar op rij in de top-10.
  • Technische cursussen hinken een beetje achter. ‘Elektriciteit basisbegrippen’ scoort het hoogst en haalt de top-20 net niet.

Voor 2009 geven wij jullie al heel wat om naar uit te kijken: PowerPoint 2007, Frans voor de verkoop, solliciteren in de elektromechanica, solliciteren in de sector vervoer, drie nieuwe sleutelspellen en nog veel meer. Heb je dan nog een reden om niet te webleren?

De rivier van het leven…

Vandaag is mijn laatste dag in ‘onderwijs en vorming’. Ik stop mijn job op het Vlaams departement onderwijs, als beleidsmederwerker e-leren, en op campus De Nayer – associatie K.U.Leuven, als onderwijsondersteuner in technologie in onderwijs. Morgen start ik bij KBC bank in Leuven als kennismanager – een nieuwe uitdaging in een nieuwe wereld voor mij… maar graag had ik een kort dankwoordje geplaatst, en ik dacht dat ‘edublogs’ daar misschien wel een geschikte plaats voor is.

Edublogs staat voor de dingen die ik belangrijk vind – geïnspireerde mensen, die in informele én formele netwerken elkaar ontmoeten, ervaringen uitwisselen, praten, lachen, leren en ontwikkelen. Technologie in onderwijs, en onderwijs op zich, als belangrijk element om de uitdagingen van de volgende jaren op te vangen.

Edublogs, Elise, ICT en onderwijsvernieuwing, Toledo, digitale didactiek, polarisatieproject, informatiebeheer,… Alle projecten vond ik inspirerend, leerrijk en boeiend. Maar vooral de mensen achter al die projecten… Cindy, Johan, Gabrielle, Jan, Geert, Steven, Steven, Leen, Tom, Luc, Christine, Alain, Fred, Ludo, Rein, Jan, Jef, Dirk, Bern, Jan, Hans, Marc, Geert, Hans, Jan, Gino, Ben, Jelle, Jan, Naomi, Chama, Reinhilde, Patrick, Annelies, Ruben, Gerd, Fernand, Dirk, Paul, Frederik, Veerle, Jan, Geraldine, Jacqueline, Jacques, Chris, Johannes, Jeroen, Erik, Valere, Leo, Jeroen, Wim, Walter, Greet, Joris, Gorik, Bart, Caroline, Mia, Licia, Christine, Paul, Ilse, Tim, Patrick, Geert, Herman, Mariet, Hilde, Sarah, Nicole, Lies, Mieke, Jan, Daniël, Dirk, Fernand, Rony, Jean-Marie, Johan, Kurt, Kurt, Marianne, Johan, Leen, Jan, Ilse, Peter, … (en wellicht vergeet ik er nog tientallen)…

Durvers en dromers, denkers en doeners: het was een voorrecht in jullie midden rond te lopen. Bedankt voor het enthousiasme, de inspiratie en de vriendschap. Vlaanderen blijft klein, dus ik hoop jullie nog wel eens vroeg of laat tegen het lijf te lopen…. Het ga jullie goed.

Je bent jong en je wil wat…

Het zal toeval zijn, maar de laatste maanden gebeurt er toch wel wat studiewerk rond een bepaalde gebruikersgroep van het internet en hun verwachtingen tegenover leren en werken : de net-generatie, de digital natives, de einstein-generatie, de e-generatie, de homo zappiens…

En waar studiewerk wordt verricht, worden artikels/studies geschreven zoals in Opleiding & Ontwikkeling, uitgave juni 2008 (die hebben verdorie nog geen online versie??? shame!)

En waar studies worden geschreven, worden seminaries georganiseerd :

De rode draad doorheen mijn persoonlijke kennismaking met dit thema is Pedro De Bruyckere. (waarvoor hartelijk dank Pedro ! Heb je zin om occasioneel schrijver van deze blog te worden?)

En wat typeert deze jongeren dan?

1. Generatie Einstein is mediasmart. Opgegroeid in een 24/7 informatiewereld waardoor informatie over elk denkbaar onderwerp razendsnel gaat, informatiemonopolies niet bestaan, waardoor ze eerlijkheid en openheid eisen.

2. Zij zijn professionele ontvangers, die snappen hoe communicatie en marketing werkt. Als een product/campagne/idee/dienst voor hen niet relevant is of hen om wat voor reden dan ook niet raakt, dan zien of horen ze je niet, ben je onzichtbaar.

3. Ze staan constant in contact met elkaar, waardoor informatie razendsnel verspreid wordt. Dit kan positief zijn (buzz rondom een product dat leidt tot verkoop), maar ook negatief (buzz rondom een film waardoor die flopt)

4. Generatie Einstein hecht emotionele waarde aan middelen en media. Zo zien zij een computer en een mobiele telefoon als een sociale machine, als onderdeel van de manier waarop ze in constant contact staan met hun sociale netwerk van vrienden en kennissen. Zij vinden technische functies van middelen en media niet interessant. Deze zijn ondergeschikt aan de emotionele functie.

5. Generatie Einstein maakt onderdeel van verticale segmenten, een segment gebaseerd op hobby en interessen, dat zich wereldwijd uitstrekt over alle leeftijden en nationaliteiten.

6. Generatie Einstein is gewend aan lezen en direct reageren. Zij zijn eraan gewend te praten, maar ook te luisteren. Zij verwachten tweerichtingscommunicatie, waar wij gewend zijn aan eenrichtingsverkeer. Zij zijn ook zelf zenders geworden. Op het internet profileren ze zichzelf door middel van weblogs en profielensites.

7. Generatie Einstein heeft respect voor iedereen die zichzelf is, authentiek en oprecht met een ware identiteit, niet gekopieerd, maar volstrekt zichzelf. Je hoeft het niet met zo’n persoon eens te zijn, je hoeft die persoon zelfs helemaal niet aardig te vinden, het belangrijkst is dat iemand echt is. Bedrijven moeten dan ook zichzelf blijven en niet jong of hip gaan doen.

Bekijk de presentatie van Pedro op slideshare :

En hoe willen jongeren leren ? Wat verwachten ze van toekomstige werkgevers?

Ze vertellen je het op deze steengoede film met interviews. ( Echt de moeite waard maar opgepast : traaaaaaag ! ) Het zijn allemaal studenten van de Provinciale Hogeschool Limburg. Je weet wel… “de school met de laptop”.

De onderstaande presentatie van Wouter Hustinx van de PHL is slechts een deeltje, maar dan wel dat deeltje wat mij persoonlijk is bijgebleven : E-learning evolueert want de doelgroep en de techniek evolueert.

En wat moeten bedrijven bieden om deze jongeren te werven / te houden?

Wel hier toch al enkele tips :

* wees eerlijk en authentiek.
* stop met mailen (want dat is outdated en traag)
* gebruik instant messaging
* stel web2.0 applicaties ter beschikking
* laat hen informeel samenwerken en communiceren
* geef hen zelfstandigheid
* zorg voor technologische tools
* ..? (zelf aanvullingen? zet het in de commentaren.)

Er valt nog veel te zeggen over dit thema, maar laten we toch ook niet alles over één kam scheren. Er is nog een groep van jongeren die de digitale trein mist, er is nog een groep die niet de capaciteiten heeft ontwikkeld om zelfstandig te leren, te werken, te ontdekken.
Dus is de e-generatie zoveel anders dan voorgaande?