Verslag van de Com@Modemdag 2017

Op 30/11/2017 vond opnieuw de COM@modemdag plaats, een jaarlijkse studiedag rond communicatie en ondersteunende tools voor leerlingen met beperkingen. Dit jaar kregen we weliswaar iets minder echt gloednieuwe zaken te zien maar toch een hoop duidelijke evoluties en vernieuwingen binnen bestaande tools en producten. Meer concreet merken we in de asistieve technologie de enorme impact van technologische trends zoals miniaturisering en mobiele technologie, cloud computing, sociale media, IoT, open source software en vooral de doorbraak van assistieve apps, whearables en aandacht voor universal design.

1/ Apps , apps, apps

Door de bovenvermelde trends staan traditionele robuuste hulpmiddelen zoals spraakcomputers onder druk en worden ze vervangen door apps die we op tablets en smartphones kunnen gebruiken. De trend werd vorig jaar als een discussie op de Com@modemdag al aangebracht, maar kent nu zijn grote doorbraak. Voorbeelden daarvan kregen we met name te zien in het domein van ondersteunende hulmiddelen voor blinden en slechtzienden. Klassieke hulpmiddelen zoals  kleurendetector, brailletabellen, leesloep, voorleesscanner, aangepaste smartphone met toetsen ipv touch en daisyspeler,  voor elk van deze hardware werden er apps gedemonstreerd die – zonder verlies van functionaliteit – een alternatief vormen.

2/ Ghostboy

Als een rode draad doorheen de studiedag liep het verhaal van Martin Pistorius die als kind het locked-in-syndroom beleefde. Op zijn twaalfde begon het met een geheimzinnige griep. Binnen anderhalf jaar zat hij in een rolstoel en kon hij niet meer communiceren. Hij zag en hoorde alles, maar niemand merkte het. Na elf jaar ontdekte een therapeute dat Martin wel degelijk reageerde op prikkels. In dit boek drukt hij uit hoe hij  met hoop en doorzettingsvermogen zijn moeilijkheden in het leven tracht te overwinnen. Én hoe technologie voor hem het verschil maakte tussen wel of niet interageren met de wereld rondom hem.

3/ Seeing AI

De app “seeing AI” was veruit de grootste ontdekking op deze studiedag. De app toont ons wat augmented reality kan betekenen (voor de doelgroep mensen met beperkingen). De app leest barcodes, gescande tekst, kan gezichtsherkenning aan en foto’s beschrijven. Voor slechtzienden biedt dit gigantische mogelijkheden. De voorlopig gratis app is ontwikkeld door Microsoft en helaas enkel via de Amerikaanse appstore beschikbaar.

4/ Gratis voorleessoftware

Ook ons eigen voorleessoftware programma kwam aan bod. De Vlaamse Regering keurde op 13/10/2017 een nieuw programma goed waardoor  leerlingen in basis en secundair onderwijs recht hebben om gratis voorleessoftware te gebruiken.  Er moet bij de aanmelding al een keuze gemaakt worden uit diverse softwarepakketten: Sprint, Kurzweil, Alinea en TextAid. Voor meer info zie www.leesvoor.vlaanderen

5/ Implementatiemethodiek voorleessoftware COM

Iets wat mooi aansluit bij de actie rond gratis voorleessoftware is het implementatieproject van Hogeschool Zuyd in Nederland. Hun methodiek zet in op drie fasen na oplevering van voorleessoftware: het leren werken, het effectief gebruiken en het evalueren van het gebruik van voorleessoftware.  Wie doet wat? Wie neemt voor wat verantwoordelijkheid? Welk tijdpad voorzie je? Al deze zaken komen aan bod in dit project. Zie hier voor het gratis downloaden van alle tools en heel wat extra sensibiliseringsmateriaal.

 

6/Wai Not

Mensen met een matige of diepe mentale beperking op internet? Waarom niet? Zeker wel en dat kan via het platform Wai Not. Deze leer- en speelomgeving is de ideale opstap naar internet. Wai Not biedt in een gesloten en beschermde omgeving alles wat het gewone internet aanbiedt: chat, sociaal netwerk, e-mail, filmpjes, games,… en dat allemaal in een interface die is aangepast aan mensen die niet goed kunnen lezen of schijven of motorisch en mentaal beperkt zijn. alles kan worden uitgelezen. De grootste nieuwigheid is een editor die geschreven tekst omzet in pictogrammen. Het algoritme werd ontwikkeld door KULeuven. Sinds enkele jaren wordt Wai Not verder ontwikkeld en gehost door het Departement Onderwijs en Vorming.

 

7/ Earfy

Communicatie tussen slechthorenden en doven enerzijds en horenden anderzijs, verloopt vaak moeilijk. Afhankelijkheid van schrijftolken en gebarentolken is niet erg handig. Eenvoudigweg een smartphone of tablet met een ondertitelings-app op tafel leggen zou veel gemakkelijker zijn. Niet meer van te voren boeken, geen derde persoon aan tafel en veel lagere kosten. De Earfy App betekent onafhankelijk communiceren voor personen met een gehoorbeperking. Met deze  spraak naar tekst editor in app-vorm voor doven en slechthorenden kan er in real time ondertiteld worden. M.a.w. je spreekt tegen de applicatie die ze onmiddellijk omzet in geschreven tekst. Gebruikers kunnen meelezen zodat je jezelf kan corrigeren. Bv.  nuttig voor personen die geen gebarentaal kennen.

8/ ook en traditie op de Modemdag zijn allerhande switches. Emego is een nieuw type switch die per spier  en zeer kleine bewegingen kan detecteren. Bovendien kan ze bewegingen uitfilteren. Zo kunnen bv mensen met spasmen toch de switch gebruiken. De switch kan vastgemaakt worden aan de spieren die het best werken. Werkt via bluetooth en is superlicht.

9/ Nog een update was het Clevy toetstenbord in draadloze (= bluetooth) versie. Het Clevy Keyboard is een aantrekkelijk vormgegeven toetsenbord, speciaal ontwikkeld om jonge kinderen te ondersteunen bij het aanleren van schrijf- en toetsenbordvaardigheden.  Clevy is een evergreen onder de aangepaste toetsenborden. Clevy met Bluetooth is bovendien combineerbaar met tablet voor leerlingen met cognitieve of visuele beperkingen.


De toetsen van het Clevy Keyboard zijn  vier keer groter dan de toetsen van een regulier toetsenbord. Hierdoor wordt het indrukken van de juiste toets erg vereenvoudigd voor mensen met een tijdelijke of blijvende motorische beperking. Omdat de letters op de toetsen vergroot zijn weergegeven is de leesbaarheid goed, ook voor mensen met verminderd zicht.   Er is verder ook een speciale overlay beschikbaar waardoor slechts één toets per keer kan worden ingedrukt en is het mogelijk om de hand op het toetsenbord te laten rusten zonder de toetsen aan te slaan.

 

10/ Gewoon Mediawijs

Op de beurs tenslotte leerde ik het interessante project “Gewoon Mediawijzer” kennen. Een project rond mediavorming van mensen met mentale beperkingen. Mediawijs zijn is onderdeel van een groter geheel: een algehele houding van waaruit je kritisch en actief de mediawereld van vandaag tot je neemt. Naast de kennis, vaardigheden en mentaliteit die je daarvoor nodig hebt, speelt het gesprek dat je hier met elkaar over hebt een grote rol.

“Gewoon mediawijzer”  is een methodiek om de dialoog tussen leraren en leerlingen buitengewoon onderwijs te faciliteren. Er is een leerlijn en een set van 25 gesprekskaarten om stapsgewijs te vragen naar ervaringen met en ideeën over wat jongeren (online) meemaken. Door in het kader van het gespreksonderwerp gerichte vragen te stellen stimuleer je jongeren zoveel mogelijk te vertellen, maar zet je ook aan tot nadenken: over waar ze blij van worden, tegen aanlopen en over hun eigen (online) verantwoordelijkheid.

Op studiebezoek in Noord-Ierland

Ik heb het genoegen deel uit te maken van een werkgroep van de Europese Commissie die zich bezighoudt met digitale vaardigheden. Via die werkgroep kom ik regelmatig in contact met buitenlandse collega’s, leer ik ICT-projecten uit de EU kennen en kan ik een kijkje nemen hoe het in andere landen aan toegaat. Een van die studiebezoeken of Peer Learning Activities ging vorige week door in Belfast.

De hoofdstad van Noord-Ierland heeft zelf heel wat te danken aan de EU die het vredesproces tussen Britsgezinde unionisten en Iersgezinde katholieken heeft gefinancierd. Het vredesproces werkt, maar het is broos en er is een schandalig grote muur (de “peace wall” heet hij eufemistisch) die de wijken en de mensen van elkaar scheidt. Ook hier weer heb ik kunnen vaststellen dat Europa wel degelijk werkt, want het is de unie die zorgt voor de financiële onderbouw van het vredesproces. Met Europees geld werd er gezorgd voor werk, stadvernieuwing, gemeenschapscentra, recreatieparken en nog veel meer. Geen wonder dat een grote meerderheid hier tegen de Brexit stemde en zich zorgen maakt over wat de impact ervan zal zijn.

De “Peace wall” en een mural in Belfast

 

 

 

 

 

Maar we kwamen dus niet naar Belfast om het over herinneringseducatie, maar wel over ICT in het onderwijs te hebben. Meer specifiek ging het over samenwerking met de industrie, arbeidsmarkt en bedrijfsleven. De inbreng van bedrijven in het schoolgebeuren lijkt hier veel groter dan in Vlaanderen.  De discussie over de samenwerking onderwijs-arbeidsmarkt en de skills gap was dezelfde die enkele weken gelden nog voerde met mensen van het STEM-platform. Wanneer het gaat over samenwerking met het bedrijfsleven zien de vertegenwoordigers daarvan (niet enkel bedrijven maar bv ook de  VDAB) onderwijs soms heel erg in functie van de toelevering naar de arbeidsmarkt en het oplossen van het tekort aan bepaalde arbeidsmarktprofielen. Hier moeten twee kanttekeningen bij gemaakt worden:

1/ Het onderwijs heeft meerdere finaliteiten en de toelevering naar de arbeidsmarkt is er daar slechts één van. Onderwijs heeft immers ook als taak waarden over te dragen en actief burgerschap aan te kweken, talenten te ontwikkelen en basisvaardigheden aan te leren. Een te dominante inmenging van het bedrijfsleven op onderwijs houdt dus het risico in zich dat de toeleiding naar bedrijven te veel aandacht krijgt.

2/ Een tweede bedenking die ik me maakte is dat de industrie er soms een zeer dubbelzinnige houding op nahoudt als het gaat om de omgang met kinderen en jongeren in onderwijs: aan de ene kant vragen ze meer aandacht voor creativiteit, kritisch denken, samenwerking, probleemoplossend vermogen en verwachten ze studenten die actief kunnen bijdragen aan de digitale wereld. Tegelijkertijd zien ze onderwijs als een gigantische afzetmarkt en zien ze liefst zoveel mogelijk leerlingen en leraren die hun technologie, games, apps, software en “brands” gebruiken. Die laatste houding weerspiegelt eerder een visie die jongeren ziet als passieve consumenten van technologie dan die van actieve participanten …

Op de tweede dag van de PLA bezocht ik de Blythefield Primary School. Een klein basisschooltje in een van de meer achtergestelde wijken van Belfast. Een lokaal ICT bedrijf Komt er wekelijks een codeclub organiseren, tijdens de lessen. Ze zorgen voor een deel van de infrastructuur, maar brengen ook twee personeelsleden in die als coaches mee begeleidingen doen samen met de leerkracht. De samenwerking zorgt voor een win-win voor zowel de school als het bedrijf, dat talent zowel spot als volgt (Dat laatste vond ik wel verregaand; het ging hier immers om lager onderwijs).

De school maakt zo weinig als mogelijk gebruik van handboeken, maar wel van vrije leermiddelen  (zgn. open educational resources) o.a. complexere programmeeropdrachten en instructies afkomstig van de Raspberry Pi foundation. De discussie over het gebruik van OER is met name van belang wanneer het gaat om samenwerking met industrie. Eén van de grootste industrieën in onderwijs zijn immers die van de educatieve uitgevers. De school in Belfast koos er resoluut voor om zo weinig mogelijk papieren tekstboeken te gebruiken. Iets wat in Vlaanderen nog niet echt aan de orde is…

 

 

 

 

 

Maar dit studiebezoek leerde me ook enkele positieve aspecten kennen van samenwerking tussen scholen en het bedrijfsleven. Zo kunnen scholen – met name in de STEM-domeinen – gebruik maken van de nieuwste technologie, tools en software, wat het onderwijs vernieuwend,  praktisch en leerlingbetrokken kan maken.

Uit de landenpresentaties die volgden op dag 3 weerhoud ik dit keer vooral de presentaties over het Portugese model. Portugal zit in een gelijkaardige situatie als Vlaanderen, curriculumhervormingen laten lang op zich wachten en de administratie wil niet wachten om programmeren prominenter op de agenda te zetten. Als oplossing kozen ze daar voor het opzetten van code clubs in de scholen. Die codeclubs vinden plaats buiten de lessen maar er zijn belangrijke verschillen met het model dat onze eigen minister van innovatie Muyters voor ogen heeft:

  • De Portugese code clubs vinden altijd plaats in scholen en bv. niet in bibliotheken of ander locaties;
  • De betrokken scholen werden door de overheid geselecteerd en net de scholen in kansarme buurten of met een moeilijke populatie kreeg voorrang;
  • Deelname is extra-curriculair en maakt deel uit van naschools opvangaanbod maar het is voor iedereen gratis;
  • De lesgevers zijn leerkrachten die daarvoor een incentive en een opleiding krijgen. Dit zorgt ook voor een grote transfer naar de ICT lessen in school zelf;
  • Inhouden, toepassingen, software komen voornamelijk uit het bedrijfsleven;
  • Het programma wordt zo goed als integraal door de industrie gefinancierd.

Portugal participeert ook in het “Apps for good programme”, een soort programmeerwedstrijd waarbij teams nuttige apps moeten ontwikkelen. We kregen een interessant case te zien en konden via skype ook vragen stellen aan de deelnemen leerlingen. De leerlingen hadden naast het ontwerpen van de app zelf heel wat zgn. 21e eeuwse vaardigheden geleerd: in team werken, werk verdelen, ideeën uitschrijven en uitwerken, problemen oplossen, creativiteit. Bijna de helft van het team zei dat het werken aan de app hen een beter inzicht in hun eigen talenten had opgeleverd en ook een impact had op hun toekomstige studiekeuze.

Happy Safer Internet Day

 

Vandaag 7/2 vieren we de Europese Safer Internet Dag. Naar goede traditie zullen heel wat scholen vandaag lessen inplannen over cyberpesten, veilig online gedrag en hoe omgaan met sociale media. Scholen worden daarbij ondersteund door een waaier van organisaties die hiervoor hun projecten en expertise inzetten. In Vlaanderen hebben o.a. het KennisCentrum Mediawijsheid, Child Focus, de Gezinsbond en het Departement Onderwijs zich verenigd in het Belgian Better Internet Consortium. De jaarlijkse Safer Internet Day (SID) vraagt terecht aandacht voor allerhande digitale risico’s. Zo’n “Europese dag van…” heeft een belangrijk sensibiliserend effect. Maar er is ook een risico dat de aandacht voor veilig internetgebruik beperkt blijft tot die ene dag of projectweek. Het veilig, verantwoord en doelmatig gebruik van ICT (zoals het in de eindtermen wordt geformuleerd) is immers iets waar we elke dag oog voor moeten hebben.

Dat er in Vlaamse scholen nog structureel werk aan de winkel bewijst een analyse van het eSafety Label. Het belangrijkste aspect van het eSafety label is een module waarmee een school in kaart brengt op welk niveau van ICT-veiligheid ze zich situeert. Beleidsplanning, ICT-infrastructuur en infrastructuur worden daarbij geëvalueerd. Dat gebeurt aan de hand van een vragenlijst. Op basis van de resultaten ontvangt elke school een persoonlijk actieplan met het oog op het remediëren van zwakke punten in het schoolbeleid en de verhoging van de ICT-veiligheid.

Het eSafety Label is een Europees project waar 35 landen aan meedoen en dat maakt het mogelijk om de gegevens van de Vlaamse scholen te vergelijken met die van alle andere landen samen. Voor de duidelijkheid, het gaat hier enkel om een beperkt aantal van 115 Vlaamse lagere en secundaire scholen die deelnemen aan het project, en dus  niet noodzakelijk om een doorsnee staal. Opvallend is dat we het zeker niet beter doen dan het Europese gemiddelde. In Vlaanderen is de toegang tot technologie voor leerlingen en leraren iets beter geregeld, zijn de softwarelicenties vaker in orde, en is er vaker een duidelijk beleidsplan voor ICT-gebruik door leraren. Vlaamse scholen scoren ook opvallend beter voor hun online aanwezigheid (via website en sociale media). Maar voor ongeveer alle andere criteria scoren Vlaamse scholen net onder het Europees gemiddelde. Zo is er is een duidelijk gebrek aan ondersteuning en nascholing. Voor deze twee aspecten van eSafety scoren Vlaamse scholen meer dan 10% zwakker dan scholen elders in Europa. Minder significant meer evenzeer afgetekend is het ontbreken van een incident handling procedure. Zo’n procedure maakt duidelijk wat er te doen staat als het toch foutloopt. Minder dan de helft van de scholen in Vlaanderen heeft dergelijke procedures.

Er  is nog wel wat werk aan de winkel dus. Het eSafety Label wordt regelmatig aangepast aan nieuwe trends en risico’s. Zo worden er binnenkort vragen en fact sheets toegevoegd over sexting, online extremisme radicalisering en haatboodschappen. In de tussentijd wens ik iedereen een fijne Safer Internet Day!

“Happy Safer Internet Day” verder lezen

Com@ModemDag 2016 in tien hoogtepunten

Gisteren vond voor het eerst sinds 3 jaar de com@modemdag terug plaats. Het ter ziele gegane Modem is ondertussen in afgeslankte versie maar met steun van Thomas More Hogeschool terug een operationeel kennis- en adviescentrum rond compenserende en ondersteunende technologie voor mensen met beperkingen. Een deel van de expertise van het vroegere Modem wordt zo behouden en opnieuw gedeeld. Dat er nood is aan dergelijke ondersteuning bleek uit de opkomst. Ruim 180 professionals uit onderwijs, paramedische diensten en zorginstellingen kwamen bijeen voor de hoogmis van de compenserende technologie in Vlaanderen.

Ik was erg benieuwd wat voor nieuws ze in petto zouden hebben nu de studiedag drie jaar lang niet heeft plaatsgevonden. Opvallend: weinig en veel nieuws tegelijk. Weinig, omdat het nog steeds dezelfde usual suspects zijn die in Vlaanderen compenserende technologie ontwikkelen en verdelen. Veel bekende producten zoals Grid, Mindexpress passeerden opnieuw de revue. Maar ook nieuws: dezelfde producten en diensten hebben zichzelf moeten heruitvinden. Omwille van de vraag naar  toegankelijk maken van sociale media, omwille van concurrentie van de ‘gewone’ tablet, omwille van de transformatie van robuuste software met geïntegreerde functies naar een veelheid van apps met een veel grotere waaier aan functionaliteiten.

banner-com-ad-modem

En zo was de Com@ModemDag toch weer wat we er inmiddels van gewoon waren: de dag waarop je tientallen nieuwe toepassingen de revue ziet passeren en waarvoor je vervolgens een jaar nodig hebt om een deel ervan uit te proberen. Mijn 10 highlights van de Com@ModemDag 2016 zijn de volgende:

1/ De Zingui2 een lichte maar robuuste spraakcomputer met een 8 inch aanraakscherm. Door de flexibiliteit van de Mind Express communicatiesoftware kan je het toestel volledig personaliseren. Bestaande woordenlijsten of communicatiekaarten aanpassen of individualiseren vormt geen enkel probleem. De Zingui bedien je via het aanraakscherm, via één of twee schakelaars (scannen), een (aangepaste) muis of een ander USB-apparaat. Je kan er ook vooraf opgenomen spraakboodschappen mee afspelen. Zingui is compatibel met een heleboel andere software wat hem tot een topper onder de spraakapparaten maakt.

2/ MindExpress is één van de softwarepakketten die al jaren meegaan en die nu opnieuw zijn aangepast o.a. aan bediening van social media. Andere nieuwe features zijn multimedia, agendafuncties, dynamische lijsten, zelf roosters tekenen (freestyle), symbolensets, editors om zelf oefeningen, games en communicatiekaarten te maken, PODD-boeken in het Nederlands, verbeterde spraakuitvoer enz.

3/ Als onderdeel van Mind Express is er nu ook Score, een functie waarbij een gedeelte van een communicatiekaart statisch is, en een gedeelte dynamisch afhankelijk van context.  Deze applicatie is gebaseerd op Duits onderzoek naar de meest gebruikte woorden (core woorden).

4/ Zetalk_time_a5_2ker een van de leukere gadgets op deze Com-dag: Premium Talk Time Cards. Goedkope (12-18 euro) herbruikbare sprekende briefkaarten waar je en spraakboodschap van 60 seconden kan mee opnemen. Leuk en nuttig om heen en weer mee te nemen naar huis en school, als memo- of planningshulpje of als ondersteunende boodschappendrager. Beschikbaar in A4, A5 of A6 formaat en bovendien personaliseerbaar via een beschrijfbaar whiteboardje.

5/ Een heleboel nieuwe draadloze switches, robuuste laptophoezen en –houders werden gedemonstreerd. Mij viel daarbij vooral op hoe duur die dingen zijn tegenover het draad-houdende aanbod. De iSwitch draadloze knop voor Appletoestellen kost maar liefst 185 euro. Uit dit gamma onthou ik de lichte, mobiele tabletstatief Music Stand, bedoeld voor muzikanten  maar zeker ook bruikbaar voor bv slechtzienden of andere gebruikers die hun tablet vooral statisch gebruiken. Dit ding kost wel 120 euro.

6/ Zeer gewaardeerd heb ik de keynote van Jeroen Baldewijns (Blindenzorg Licht en Liefde) over Universal Design. Interessant aan zijn betoog was dat hij tal van voorbeelden gaf waaruit blijkt dat de geesten stilaan rijp zijn om het idee van universal design toe te passen. Producenten van hardware en apps hebben stilaan door dat het not done is om de grote groep gebruikers met beperkingen te negeren. Zo introduceerde BNP Paribas Fortis een geldautomaat met audio-input waar je als blinde of slechtziende via een oortje de uitleg en commando’s in spraak krijgt. Er is ook een sprekende bankkaartlezer.

7/ Hij stelde ook een fundamentele discussie op scherp: tabletmakers hebben veel geïnvesteerd in universele toegankelijkheid of stellen apps ter beschikking die de toegankelijkheid erg vergroten. Apple heeft veel ingebouwde toegankelijkheidsopties geïntegreerd in de iPad: zoomer en contrast, vergrootglas in iOs, Voice over met degelijke Nederlandstalige stem, audiodescriptie en ondertitels, Siri en dicteren, voorwerpherkenning. Een mooi voorbeeld van de toepassing hiervan in de klas, vind je in deze video. In welke mate heb je dan nog computeraanpassingen of specifieke compenserende technologie nodig? Ook het VAPH betaalt nu immers “gewone” consummententablets terug voor personen met een beperking. Voer voor heel wat discussie.

8/ Sympathiek project is VIAMIGO, een app voor slimme mobiliteit voor personen met een handicap. Deze in Vlaanderen ontwikkelde app helpt mensen met beperkingen en vooral hun begeleiders bij extra muros verplaatsingen. Waar er soms veel begeleiding nodig is bij dergelijke verplaatsingen gebeurt dit nu van op afstand via de Viamigo-app. De basis daarvan is een tracker via gsm of smartphone. De begeleider (coach) beschikt over een dispatch-achtige interface waarop hij het traject in real time kan volgen en meldingen krijgt bij vertrek en aankomst, als er afgeweken wordt van de route, bij te lang stilstaan of ongepaste snelheid. Kwam mij een beetje big brother-achtig over maar ik kan me het nut ervan wel voorstellen.

9/ Splash City: is een wikskunde app voor leerlingen met motorische beperkingen. Alle subdisciplines (meetkunde, rekenen, vergelijkingen, figuren, …) komen in motorisch vereenvoudigde aan bod op pc. De app heeft ook een via switch of toetsenbord bedienbare meetlat, passer, gradenboog etc. Verder zijn er functionaliteiten zoals invulvelden, tekstvakken plaatsen, etc en er is een leerlingen en lerarenmodus voor opvolging. Kost wel 210 euro en is Engelstalig.

10/ En tenslotte als uitsmijter: de SENteacher, een must voor leraren uit het (buitengewoon) lager onderwijs. Boordevol gratis picto’s, freeware, lesbladen, spelletjes enz.

Leren met een smartphone

Met een werkgroep van de Europese Commissie was ik de voorbije dagen te gast in Hamburg voor een studiebezoek. Het onderwerp was deze keer BYOD ofwel “bring your own device”, het systeem van infrastructuurvoorziening waarbij elke leerling een eigen computer naar school meebrengt om mee te werken in de les.

De keuze voor Hamburg om daarover een studietweedaagse te organiseren was ingegeven door een grootschalige pilot: “Start in die nächste Generation”. Voor dat project werden 6 scholen geselecteerd (3 ASO en 3 BSO/TSO). De lokale overheid voorziet in de wifi-infrastructuur (géén detail in dit project!), de school bedenkt het pedagogisch model, de leerling brengt mee wat hij heeft, in 90% is dat een smartphone, slechts een minderheid brengt een tablet of laptop mee.

En dat is anders dan in andere landen of regio’s. Gedurende de eerste dag waren er een aantal inhoudelijke presentaties over het project maar ook landenpresentaties waarbij BYOD-initiatieven uit Duitsland, Cyprus, Luxemburg, Vlaanderen en Oostenrijk werden voorgesteld. Ik heb er zelf de resultaten van het Edutab-project voorgesteld.

Uit de verschillende presentaties bleek dat twee problemen steeds naar voor komen: infrastructuur (bandbreedte, een performant wifi-netwerk, oplaadpunten, …) en digitale leerinhouden. Wat dat laatste betreft merken we in de meeste landen een contentmix waarbij soms digitale versies van handboeken worden gebruikt, aangevuld met apps en door leraren zelf gemaakte oefeningen, werkbladen, e-books etc. Er is wat dit betreft in zowat heel Europa een appel aan educatieve uitgevers om businessmodellen te ontwikkelen voor de educatieve mobiele technologiemarkt. Zoniet evolueren we naar een model waarin meer en meer leraren zelf content (moeten) gaan ontwikkelen.

Uit de landenpresentaties bleek overigens wel een belangrijk verschil wat de technologie zelf betreft: in Cyprus betekent BYOD dat leerlingen meestal een laptop meebrengen, in Vlaanderen zijn dat overduidelijk tablets, in Duitsland smartphones.

slide BYODInteressant was ook de presentatie van Jim Ayre die de BYOD-gids van European Schoolnet kwam voorstellen. Hij presenteerde daarbij verschillende pedagogische en organisatorische modellen waarmee scholen aan de slag gaan. Van BYOD waarbij de school bepaalt welk merk of model tablet moet meegebracht worden, over scholen die enkel een minimumfunctionaliteit opleggen, tot scholen die alles toelaten. Pedagogisch betekent dit dat sommige scholen echt voor een geïntegreerde vorm BYOD gaan waarbij de meegebrachte toestellen effectief gebruikt en ook nodig zijn voor het leerproces. Andere gaan dan weer voor een vorm van BYOD waarbij de eigen devices eerder gedoogd worden maar slechts af en toe ingeschakeld worden in de lessen. Ook in Vlaanderen manifesteren zich dergelijke grote verschillen in aanpak heel duidelijk.

De praktijk dan. Op dag twee konden we een bezoek brengen aan één van de 6 pilotscholen. Ikzelf koos voor een gemeenschapsschool, “Stadtteilschule Oldenfelde”, waar beroeps en technisch onderwijs wordt aangeboden. Het was voor mij de allereerste keer dat ik een volledige klas zag leren met smartphones. Slechts 2 leerlingen hadden een tablet. De juf hanteerde een vrij traditionele set-up waarbij de leerlingen in een halve cirkel rond haar zaten. Gedurende deze les Engels moesten leerlingen informatie opzoeken op een Britse website en deze info verwerken in een online werkblad. Bij aanvang van de les moesten leerlingen een Padlet gebruiken voor een brainstorm. Alle taken konden ze vinden op het elektronisch leerplatform its learning. De problematiek van het vinden van digitale leerinhoud manifesteerde zich hier ook. Er werd een mix gebruikt van apps, het officiële leerhandboek, de werkbladen uit dat handboek, door de juf zelf gemaakte oefeningen en authentieke websites. De lerares bevestigde nadien dat er heel veel tijd kruipt in het bijeenzoeken van alle materiaal, het bedenken van de opdrachten en het inbrengen van dat alles in de leeromgeving.hamburg 3De leerlingen waren constant in de weer op hun gsm’s om info op te zoeken of in te vullen. In tegenstelling tot wat ik had verwacht hebben zij geen enkel probleem met het kleine scherm. Het zag er allemaal heel natuurlijk uit. Het gebruik van de smartphone ondersteunde de samenwerking tussen de leerlingen die in groepjes van 2 of 4 samen aan de taak werkten. De technologie was in deze klas ondersteunend aan de opdracht, en het leek voor de leerlingen niet extra motiverend. Na een tijdje (lesblokken duren hier 90 minuten aan één stuk!) merkte ik toch wat afleiding bij sommige leerlingen: ze begonnen te sms-en of hun facebookpagina te checken.

Belangrijkste conclusies van dit bezoek:

  • Er is nog een duidelijk rol weggelegd voor uitgevers, niet alleen voor het ontwikkelen van digitale methodes, maar ook voor kleinere leerobjecten, gebaseerd op methodes of deel uitmakend van leerlijnen.
  • Een goede technische infrastructuur gefinancierd én beheerd door de lokale overheid draagt in grote mate bij aan het succes van dit Duitse project. Het vergt overigens grote investeringen om een performant wifinetwerk draaiende te houden. Veel installatie- en onderhoudswerk wordt geoutsourced.
  • De aard van het device lijkt er minder toe te doen dan ik had verwacht. Zelfs met kleine schermen op smarthones slagen leerlingen er in reguliere opzoek- en invultaken te volbrengen.
  • Samenwerkend leren en de beschikbaarheid over multimedia apps leken hier de belangrijkste meerwaarde te leveren voor het leerproces. Het mobiele karakter van smartphones, wat klasdoorbrekend leren mogelijk maakt, bleef hier onbenut.
  • Er waren een aantal praktische beslommeringen die de lerares er gewoon bij had te nemen: in de klas waren heel weinig oplaadmogelijkheden voor de smartphones, de gsm zorgde soms voor afleiding, sommige leerlingen waren hun paswoord voor bepaalde apps vergeten,…

 

Radicalisering, extremisme en de media centraal op Media & Learning 2016

Op deze gitzwarte dag een kort verslag over de Media & Learning Conferentie. Deze vond plaats van 9 – 11 maart 2016 het Departement Onderwijs. Deze conferentie brengt beleidsmakers, onderzoekers, praktijkmensen en partners ui de media en de media-industrie samen rond actuele thema’s.

Eerlijk, ik was van plan een ander soort verslag te maken omdat er heel wat interessante mediatopics de revue zijn gepasseerd: media-competentiemodellen, videotoepassingen, VR-tools, filmeducatie en beeldgeletterdheid enz. enz.

M&L2 Maar na wat er vandaag in Brussel is gebeurd haal ik er enkel het thema “media en radicalisering” uit. Omdat de discussies, de tools en de resultaten van wat we tijdens M&L hebben geleerd, misschien een kleine bijdrage kunnen leveren om het extremisme waar we vandaag de trieste uitwas van zien te bekampen. Rode draad doorheen deze editie was dus het thema media en radicalisering. Er waren doorlopend workshops, screenings en debatten over radicalisering en hoe onderwijs hierop kan inspelen door te werken aan mediageletterdheid.

Tijdens een pre-conference workshop op 9 maart ging de Amerikaanse experte Prof. Renee Hobbs dieper in op de werking van via propaganda. Zij reikte tools aan om propaganda bespreekbaar te maken, te deconstrueren en hierrond een klaswerking op te zetten. Interessant aan haar programma Mind Over Media is dat ze focust op het herkennen, analyseren en deconstrueren van de mechanismen achter hedendaagse propaganda, eerder dan een moreel oordeel te vellen op de boodschap die getoond wordt.

Screenings waren er o.a. van de Belgische documentaireMijn Jihad”  en het materiaal dat daarrond voor scholen is ontwikkeld. Maar ook het praktijkvoorbeeld van het Xaveriuscollege uit Borgerhout waar het Palestijns-Israelische conflict wordt benaderd vanuit lokale geschiedenisboeken. Ook het schoolbeleid m.b.t. sociale media en hoe je jongeren daar op een verantwoorde manier mee aan de slag kan laten gaan kwam uitvoerig aan bod. Tijdens een van de debatten met o.a. het UNAOC, RAN, De Europese Commissie en de Raad van Europa werd de vraag behandeld hoe strijd tegen radicalisering kan omgedraaid worden naar een meer positieve en actieve benadering van actief burgerschap.

 

M&L5
Het slotdebat met o.a. Renee Hobbs, Rudi Vranckx, Karin Heremans en Moad El Boudaati dat je hier kan herbekijken ging dan waar over kaders en strategieën waarover scholen beschikken om radicalisering te bestrijden.

Meer informatie, en ook alle presentaties enz. zijn hier te vinden: http://media-and-learning.eu/programme/

Lessen van BETT 2016

The Bett Show (wat staat voor British Educational Training and Technology Show) is de grootste onderwijstechnologiebeurs van Europa. De editie van 2016 bracht liefst 868 bedrijven samen die zich met technologische oplossingen richten op scholen, gaande van multinationals als Google, Microsoft en Apple tot kleinere start-ups en bedrijfjes die een specifieke oplossing aanbieden. Ik was er samen meer dan 35.000 andere bezoekers uit 110 verschillende landen. Onderwijstechnologie wordt bovendien niet al te breed gedefinieerd: het profiel van BETT is ICT en dat maakt het event ideaal om IT-trends te spotten, inspiratie op te doen en te netwerken.

Als ik de Top 3 van de trends moet samenvatten, dan kies ik voor 3 C’s: Cloud, Coding en Creatieve toepassingen. De rode draad was STEM: geïntegreerde trajecten waarin techniek, technologie en wetenschappen samenkomen in engagerende leertrajecten.
Nagenoeg alle exposanten bieden cloudgebaseerde oplossingen aan. Het mag duidelijk zijn dat het klassieke licentiemodel zijn beste tijd gehad heeft . Grote leveranciers zoals Google en Microsoft promoten heel fel hun (concurrentiële) clouddiensten. De strijd tussen Office 365 en Google Apps for Education werd ook op BETT uitgevochten, al stelden de titanen er ook andere innovaties voor. offcie 365 vs google apps3Zo pakte Microsoft uit met een heus Minecraft-land waarin de educatieve toepassingen van Minecraft in de kijker stonden. Minecraft Edu is immers een perfect voorbeeld van de integratie van cloud, programmeren én een creatieve toepassing. Ideaal dus voor STEM. Google stelde er dan weer zijn virtual reality programma “Google Expeditions” voor. Iedereen kent ondertussen het kartonnen brilletje, maar de app (vooralsnog een prototype ) is werkelijk mindblowing. Stel je voor dat je kan rondkijken vanuit het ISS of via virtuele realiteit de zee of een berg kan verkennen. Op dit moment zijn er meer dan 100 virtuele reizen ontwikkeld voor scholen.

WP_20160122_024WP_20160122_003

 

Tools om te leren programmeren waren er in overvloed en dat was te verwachten nu de Britse overheid nog maar net programmeren heeft toegevoegd aan het officiële curriculum. Een erg vooruitstrevende beslissing die bovendien wordt gesteund door een brede schare van openbare diensten (BBC!) en technologische bedrijfjes. BBC lanceerde op BETT zijn micro:bit maar Raspberry Pi spande de kroon in het STEM-village. Beide zijn eenvoudige (nou ja) programmeertools. Elke 7-jarige (!) in het VK krijgt binnenkort gratis een micro:bit. Het doel is om kinderen te leren software programmeren en nieuwe dingen te laten ontwikkelen. Raspberry Pi bestaat al veel langer en kon dus uitpakken met een breed gamma van toepassingen en educatieve projecten. Ook opvallend was het gamma aan 3D-printers voor scholen al dan niet voorzien van 3D-ontwikkelingssoftware en programmeer tools.
In de BETT aWP_20160122_031rena – het publieksforum – waren echter ook kritische geluiden te horen. Zo vroeg een Google-man zich openlijk af wat het punt is om van internet een konijntjesdesign te downloaden en dit vervolgens te printen op een 3D printer. STEM, programmeren en technieken als 3D-printers moeten volgens hem veel meer tegemoetkomen aan het oplossen van reële problemen .

Creatieve toepassingen waren er in overvloed: van portfolio’s waarmee je zelf leermiddelen kan maken, over eenvoudige game designer tools, tot handige en goedkope hardware zoals deze stopmotioncamera inclusief bijhorende studiosoftware van HUE-animation. Dingen maken, je creatief uiten met behulp van ICT, je eigen robot in mekaar zetten, zelf programmeren, … het is op zich een opvallend gegeven. Het feit dat er zoveel tools beschikbaar zijn om zelf aan de slag te gaan markeert een belangrijk keerpunt nl. dat waarbij leraren en leerlingen vooral gezien worden als passieve consumenten van technologie naar makers en doeners die zelf dingen gaan ontwikkelen. Laat dat de allerbelangrijkste trend van BETT 2016 zijn.

Programmeren is het nieuwe Latijn

Als we willen dat alle jongeren de huidige snelle technologische evolutie kunnen volgen, en als we voldoende jongeren willen motiveren om nieuwe technologie te creëren, moeten onze jongeren informaticavaardig worden. En dat gaat een stuk verder dan louter het gebruik van computers, en houdt ook in dat de jongere moet begrijpen hoe computers en software werken. Om dit te realiseren zijn nieuwe, ambitieuze eindtermen en leerplannen broodnodig, alsook goed opgeleide leerkrachten en een goede infrastructuur. Dit zijn, in een notendop, de conclusies van een uitgebreid rapport van de Jonge Academie en de KVAB, de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Kunsten en Wetenschappen.

do you speak code

De KVAB vertrekt vanuit de volgende vaststellingen voor het schrijven van dit advies:

  • De snelle technologische evoluties in alle maatschappelijke sectoren, waardoor een grondige kennis van de onderliggende werkingsprincipes van de digitale technologie nodig is om jongeren op een permanent veranderende toekomst voor te bereiden.
  • De vaststelling dat momenteel bijna alle huidige en toekomstige jobs (zowel routine als non-routine jobs en zowel de jobs van hoog- en laaggeschoolden) in meer of mindere mate een ICT-component (zullen) kennen.
  • De noodzaak om jongeren niet enkel op te leiden als goede technologiegebruikers, maar hen ook de basis van programmeren bij te brengen zodat ze de werking achter de technologie die ze dagdagelijks gebruiken, beter begrijpen.
  • De verwachting van diverse overheden dat een sterke component informaticawetenschappen wordt aangeboden in STEM-georiënteerde en technologische richtingen.

De KVAB formuleert 2 hoofdaanbevelingen:

1/ Zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs dient een sterke component informaticawetenschappen opgenomen te worden in het leerplichtonderwijs. De op stapel staande onderwijshervorming biedt hiertoe een unieke kans.

2/ Om degelijk onderwijs in de informaticawetenschappen te kunnen aanbieden, dienen de lerarenopleidingen inhoudelijk aangepast te worden en aantrekkelijker gemaakt. Tegelijk dient op korte en middellange termijn sterk ingezet te worden op bijscholing en navorming van het bestaande leerkrachtenkorps.

 

Lees het volledige advies op :

http://www.kvab.be/downloads/stp/ktw-ja_informaticawetenschappen.pdf

Het European Schoolnet publiceerde eind vorig jaar een overzicht van hoe programmeren structureel ingebed zit in Europese curricula. http://www.eun.org/c/document_library/get_file?uuid=521cb928-6ec4-4a86-b522-9d8fd5cf60ce&groupId=43887

ICT en digitale media in het onderwijs: wat zeggen de beleidsnota’s?

Dat er (serieus) moet bespaard worden wisten we al. Toch hebben de Vlaamse beleidsnota’s van Onderwijs, Media, Cultuur, Inburgering en Armoede ook aandacht voor de verdere digitalisering van het onderwijs. Wat opvalt is een continuering van voorgaand beleid met aandacht voor digitale leermiddelen en een duidelijke focus op digitale geletterdheid. Als we op de beleidsnota’s afgaan moeten we niet echt grootschalige nieuwe projecten verwachten. Dat heeft uiteraard met de krappe budgetten te maken. Een beleidsnota is weliswaar een belangrijke indicatie voor het nieuwe beleid, de ervaring leert echter dat veel beleid en cours de route vorm krijgt. Zo vermeld de beleidsnota Onderwijs zo goed als niets over curriculumhervorming, terwijl die er – in het kader van de hervorming Secundair Onderwijs – wel zit aan te komen. Zo’n curriculumhervorming zou voor allerhande zogenaamde 21e eeuwse vaardigheden (waaronder digitale geletterdheid, programmeren, mediawijsheid,…) wel eens heel belangrijk kunnen zijn. Maar het blijft dus nog wachten op meer concrete beleidsintenties op dat vlak. Hierna een overzicht van wat al wél al in de beleidsnota’s staat.

media_xll_7243779

 

 

 

 

 

Infrastructuur

Minister van Onderwijs Crevits wil ter vervanging van de huidige aflopende regeling voor internetconnectiviteit (Telenet-SchoolNet) een nieuwe raamovereenkomst onderhandelen rond breedband internet voor scholen.
Opleiding

Omwille van de besparingen werden de middelen voor ICT-nascholing via de vzw SNPB geschrapt en herbestemd. Wel wil de minister inzetten op Massive Open Online Courses (MOOCs) als e-learning methodiek en als nascholingskanaal voor leraren.

 

e-safety
eSafety-Logo_RGBCentraal in het beleid staat het eSafety Label project, dat na twee jaar als pilot klaar is om breed uitgerold te worden. Dit project beoogt een geïntegreerde aanpak van veilig ICT-gebruik via een schoolbrede aanpak waarbij op drie terreinen wordt gewerkt:

  • Schoolbeleid: Acceptable Use Policy, rol van ICT-coördinatoren, beleid inzake gsm-gebruik, social media beleid, …
  • Praktijk: mate waarin veilig ICT-gebruik aan bod komt in de lessen, mate waarin ouders betrokken/geïnformeerd worden, nascholing,…
  • Infrastructuur: firewall, back-up, paswoordenbeleid,…

 

Onderzoek

In 2016 is een evaluatie van het Plan Geletterdheid voorzien, dit met het oog op de verdere uitbouw van een structureel geletterdheidsbeleid in de periode 2016-2020. En om het ICT-beleid in het Vlaamse Onderwijs te monitoren en te evalueren voorziet minister Crevits een nieuwe afname van de ICT-monitor in 2017.

 

Digitale leermiddelen

De Beleidsnota Cultuur (minister Sven Gatz) meldt dat zowel het gamefonds als het Vlaams Instituut voor Archivering van Audiovisueel materiaal (VIAA) nog voorwerp zijn van evaluaties. Van beide organisaties loopt de beheersovereenkomst weldra ten einde. We gaan ervan uit dat deze nog niet zolang geleden opgestarte projecten verlengd zullen worden. Het VIAA dat o.a . het VRT-archief openstelt voor scholen levert immers schitterend werk. Een kleine 300 leraren testen momenteel hun educatief platform Testbeeld uit. Minister Crevits kondigt in haar eigen Beleidsnota trouwens aan dat ze de educatieve werking van het VIAA actief wil steunen.

Minister Crevits kondigt ook de uitbouw van een uniek toegangsportaal voor open leermiddelen aan, wellicht in de vorm van een single sign-on infrastructuur voor diverse leermiddelenverstrekkers zoals VIAA, Klascement, Knooppunt etc.

 

Mediageletterdheid

Om gelijke tred te houden met de snelle digitalisering en verdere mediatisering van de samenleving moet er de volgende jaren nog meer aan mediawijsheid worden gewerkt. Om deze reden krijgt het Kenniscentrum Mediawijsheid (www.mediawijs.be) meer verantwoordelijkheid. Voogdijminister Gatz wil dit Kenniscentrum uitbouwen tot hét referentiepunt voor mediawijsheid in Vlaanderen. Het Kenniscentrum Mediawijsheid zal nieuwe acties en initiatieven ondernemen, actuele trends opvolgen en specifieke doelgroepen bereiken. En dit in overleg met o.a. het beleidsdomein onderwijs.

Het leesbevorderingsproject ‘Kranten in de Klas’ blijft bestaan maar wordt grondig aangepast. Van een passieve kennismaking met gedrukte kranten moet het project evolueren naar een actieve consultatie van digitale nieuwssites, participatie aan discussiegroepen ed. De komende legislatuur wil bevoegd minister Sven Gatz dit project nog meer afstemmen op de technologische evoluties binnen het medialandschap.

 

Digitale kloof

In de beleidsnota’s ‘Inburgering’ en ‘Armoedebestrijding’ vinden we tenslotte enkele passages terug over de bestrijding van de digitale kloof. Al zijn die minder concreet uitgewerkt. Binnen de inburgeringstrajecten wil de bevoegde minister Liesbeth Homans extra aandacht voor het werken aan geletterdheid in zijn ruime betekenis, waaronder digitale geletterdheid. Op die manier wil ze de Nederlandse taalverwerving extra ondersteunen en de digitale kloof verminderen. Ambitieus is de wil om bij inburgeringstrajecten gebruik te maken van ‘e-learning’ of ‘blended learning’ teneinde de combinatie van inburgering met werk, kinderopvang, opleiding, verblijf in het buitenland, etc. mogelijk en makkelijker te maken.

ICT-monitor (2) effectief ICT-gebruik in Vlaamse scholen

Aan leerkrachten is gevraagd in welke mate ze verschillende klasgerelateerde activiteiten uitvoeren waarbij ICT kan ingezet worden. Het effectieve gebruik van ICT voor lesvoorbereidingen en tijdens de lessen is er licht op vooruitgegaan t.o.v. vijf jaar geleden. Maar van een veralgemeend ICT-gebruik is nog lang geen sprake. De overgrote meerderheid (85%) van de leerkrachten in het lager onderwijs  gebruikt de computer regelmatig (dagelijks of wekelijks of meerdere keren per maand) voor lesvoorbereidingen. Iets meer dan 50% gebruikt de computer regelmatig tijdens de les. Ook opvallend is dat ICT in het lager onderwijs het meest gebruikt wordt in het leergebied wereldoriëntatie (54,1%) gevolgd door wiskunde (26,1%) en Nederlands (10%).

aard en frequentie samenv 

 

 

 

 

 

In het secundair onderwijs is het gebruik in de lessen nog veel lager. Iets meer dan 70% van de leerkrachten gebruikt de computer regelmatig voor lesvoorbereidingen. De meerderheid van de leerkrachten (50%) gebruikt de computer slechts een paar keer per jaar in de les; slechts 35% van leerkrachten in het secundair onderwijs gebruikt de computer met enige regelmaat. In het lager onderwijs gebruikt 4% van de leerkrachten de computer nooit. In het secundair onderwijs is dat percentage liefst 13,4%.

 Games en sociale netwerksites

Het gebruik van sociale netwerksites en games voor educatieve doelen is nog niet ingeburgerd in het onderwijs. 80% van de leerkrachten secundair onderwijs en 77% in het basisonderwijs gebruiken helemaal nooit games in de klas. Jongere leerkrachten en leerkrachten uit de eerste graad secundair onderwijs gebruiken soms games. Iets meer dan de helft van alle leerkrachten gebruikt nooit sociale netwerksites in het basis- en secundair onderwijs. Jongere leerkrachten en leerkrachten in het BSO gebruiken iets meer sociale netwerken dan hun collega’s.

Het volledige rapport vind je hier

ICT-monitor (1): basisinfrastructuur

Zoals elders werd aangekondigd zijn de resultaten van de ICT-monitor voor het Vlaamse onderwijs bekend. Om de enorme rijkdom aan data wat meer tot zijn recht te laten komen ga ik hier de komende dagen themagewijs enkele van de vornaamste cijfers in de kijker zetten.

Vandaag: basisinfrastructuur

In vergelijking met vijf jaar geleden is de PC-leerling-ratio met 1 PC per leerling gestegen. Gemiddeld staan er in het gewoon basisonderwijs nu 46 laptops en desktops in een lagere school ofwel 1 PC, laptop, of tablet per 5,7 leerlingen in het gewoon basisonderwijs en 1 PC per 2,7 leerlingen in het buitengewoon onderwijs. De basisscholen hebben ook een inhaalbeweging gemaakt m.b.t. internetvoorzieningen. Bijna alle devices zijn voorzien van internet. In het buiteengewoon basisonderwijs is er 1 PC beschikbaar per 3 leerlingen.

Het (gewoon) secundair onderwijs beschikt over een groot computerpark. Gemiddeld staan er in een secundaire school 188 PC’s, 24 laptops en een tiental tablets en in het BuSO gemiddeld 52.  Vijf jaar geleden was er in het gewoon secundair onderwijs is 1 PC per 3 leerlingen, nu is dat 1 PC, laptop of tablet per 2 (1,8) leerlingen. Die zijn bijna allemaal ook aangesloten op het internet. In het buitengewoon secundair onderwijs is er 1 PC per 3,3 leerlingen.IMG_0816

Deze ratio’s zijn goed in vergelijking met ratio’s van andere Europese landen. Zoals hieronder verduidelijkt, is een flink deel van het computerpark verouderd, d.w.z. ouder dan 4 jaar. Daarom werd ook een computer-lln ratio berekend met enkel de devices jonger dan 4 jaar. Voor het basisonderwijs krijgen we dan 1 PC per 15 leerlingen; voor het buitengewoon basisonderwijs 1 Pc per 6 leerlingen; voor secundair onderwijs 1 per 3 leerlingen en voor buitengewoon secundair onderwijs 1 PC per 8 leerlingen.

Het computerpark in het onderwijs is sterk verouderd. In het gewoon en buitengewoon basisonderwijs is 53% van de PC’s ouder dan 4 jaar. En bijna 33% tussen de 1 en 4 jaar oud. Slechts 11% van het computerpark is nieuw (jonger dan 1 jaar). De situatie is iets beter in het secundair onderwijs, maar is er op achteruit gegaan tegenover 5 jaar geleden. In het gewoon secundair onderwijs bedraagt de gemiddelde leeftijd in de helft van de computers tussen 1 en 4 jaar. Toch is ook daar 36,2% van de computers ouder dan 4 jaar. Slechts 12% van de PC’s zijn nieuw. In deze cijfers zijn tablets niet inbegrepen. Het buitengewoon secundair onderwijs beschikt over het meest verouderde PC-park over alle onderwijsniveaus en types heen. Bijna 54% van de computers is ouder dan 4 jaar, 40% tussen 1 en 4 jaar en slechts 7,5% is nieuw.

 Ook interessant is de herkomst van de computers. Ook hier weer zien we grote verschillen tussen het basis- en secundair onderwijs. In het basisonderwijs is slechts 50,7% van de PC’s nieuw aangekocht materiaal, 46% zijn tweedehands aangekochte of giften. We zien wel een tendens (verschuiving met10%) naar meer nieuw aangekocht materiaal. In het secundair onderwijs is de situatie wel gunstiger. Bijna 83% van het computerpark bestaat uit nieuw aangekochte PC’s, 12% zijn tweedehands en 4,3% komt zijn schenkingen. Ook hier merken we de trend naar meer nieuw aangekocht materiaal en minder tweedehands of giften. Binnen het secundair onderwijs zijn er op dit vlak wel grote verschillen tussen gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. In het buitengewoon secundair onderwijs maakt men veel meer gebruik van tweedehands materiaal (13,3%) en giften (30%) dan het gewoon secundair onderwijs.

kids_education_tablet2 Tablets

De introductie van tablets in het onderwijs is voorlopig nog beperkt, al blijkt uit de cijfers wel een grote experimenteerdrang   op dit vlak. In de grote meerderheid van de basisscholen (88%) zijn er geen tablets. De overige 12% experimenteren er mee en in 3,2% van de basisscholen zijn er meer dan 10 tablets aanwezig. In het secundair onderwijs kochten meer dan 1/3 van de scholen tablets aan, maar er zijn grote verschillen qua aantallen. Slechts 1 op 10 secundaire school heeft meer dan 10 tablets voor educatief gebruik.

Internetvoorzieningen

Ook op vlak van internetfaciliteiten zijn de scholen er op vooruit gegaan. 77% van de basisscholen en 75% van de secundaire scholen beschikt over draadloos internet (tegenover resp. 33% en 50% in MICTIVO 1). In het basisonderwijs beschikt 70% en in het secundair onderwijs bijna 90% over een lokaal (intern) netwerk. Die cijfers lijken goed, maar gezien het relatief grote aantal computers per school zouden eigenlijk alle scholen over zo’n intern netwerk moeten beschikken.

Breedbandinternettoegang is nog steeds niet 100% dekkend en dit ondanks de raamovereenkomst met Telenet die voor de data- afname werd gesloten. In het basisonderwijs beschikt 86% van de scholen over breedband en in het secundair onderwijs is dat 92%.

Re:Pest geïntegreerd programma tegen pesten op school

banner

De preventie van pestgedrag, zelfdoding en psychische problemen staan hoog op de maatschappelijke agenda. Het voorbije jaar zijn we er meermaals mee geconfronteerd en al te veel leerlingen krijgen er  tijdens hun opleiding mee te maken. Het welbevinden van leerlingen op school is dan ook een van de speerpunten van het onderwijsbeleid.

Daarom lanceert het Departement Onderwijs het geïntegreerde programma Re:Pest. Dit lessenpakket wil een bijdrage leveren aan het voorkomen van pestgedrag op school en aan het verhogen van het welbevinden in de klas. Het lessenpakket richt zich op de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs.

 Re:Pest is een educatief project tegen pesten dat bestaat uit verschillende onderdelen en dat gericht is op leerlingen uit de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs. Het creëert een toegevoegde waarde bij al genomen maatregelen ter bestrijding van pestgedrag. Re:Pest bestaat uit volgende  onderdelen:

  • De handleiding is een hulpmiddel voor schoolpersoneel dat samen met leerlingen werkt aan een veilige leeromgeving. Het biedt naast achtergrondinformatie over pesten ook een uitgewerkt lessenpakket aan van vier lesuren. In dit lessenpakket worden verschillende werkvormen toegelicht zoals de game, onderwijsleergesprekken, rollenspelen, stellingenspel,…
  • De vorming voor leerkrachten bereidt leerkrachten voor om van start te gaan met het lessenpakket. De filosofie van waaruit vertrokken wordt in het Re:Pest verhaal wordt verduidelijkt.
  • De website, www.howest.be/repest, is bij de lessenreeks een omvangrijke bron van aanvullende informatie zoals voorbeelden, filmpjes, oefeningen, wetenschappelijk onderzoek en actuele berichtgeving.
  • Een gids voor ouders bevat informatie over de problematiek van het pesten. Het geeft tips aan ouders van kinderen die geconfronteerd worden met pestgedrag. Deze gids wordt ter beschikking gesteld van de scholen die intekenen op Re:Pest.
  •  Het educatieve 3D game Re: pest. Bijzonder aan dit lessenpakket is de game Re:Pest. Geïnspireerd door het Finse KIVA-project en dankbaar gebruik makend van de Kortrijkse antipestgame werd een serious game op punt gesteld. Leerlingen maken aan de hand van dit game op een aantrekkelijke manier kennis met situaties en  rollen die bij pestgedrag voorkomen. Een computergame maakt als dusdanig nog geen deel uit van de leermiddelen en maatregelen die binnen het bovenvermelde beleid inzake het tegengaan van antisociaal gedrag – waar cyberpesten onmiskenbaar deel van uitmaakt –  genomen werden. Echter, de Hogeschool West- Vlaanderen en Katho (Ipsoc) ontwikkelden een antipestgame in opdracht van de Stad Kortrijk. Het spel is een  simulatiegame en werd gebruikt in het kader van preventieactiviteiten van de Stad Kortrijk.

Scholen die aan de slag willen gaan met Re:Pest vinden meer informatie op www.howest.be/repest .

Studiedag Mediawijsheid in scholen en bibliotheken

debibopschoolHet Departement Onderwijs en Vorming en Bibnet nodigen leerkrachten secundair onderwijs en bibliotheekmedewerkers uit om te ontdekken hoe ze samen kunnen werken aan mediawijze jongeren. Deze studiedag vindt plaats op 24 mei vanaf 10 uur in het Ellipsgebouw in Brussel. Hij is bovendien gratis, maar het aantal deelnemers is wel beperkt.

In de voormiddag kijken we hoe het staat met mediawijsheid in onze scholen en de bibliotheken. Het veld is volop in beweging, maar er is nog werk aan de winkel: zowel voor scholen als bibliotheken blijven er belangrijke uitdagingen.  We tonen hoe scholen en bibliotheken, elk vanuit hun eigenheid, optimaal mediawijsheid bij jongeren kunnen bevorderen. Waar liggen hun unieke sterktes en waar kunnen ze elkaar versterken? Liggen er kansen in een goede samenwerking?

In de namiddag worden concrete voorstellen en aanbevelingen voorgelegd aan de deelnemers van de studiedag. De deelnemers gaan met elkaar in interactie om samen tot concrete en gedragen aanbevelingen te komen.

Programma, praktische informatie en meer info: http://www.bibnet.be/portaal/Bibnet/Lokale_Ondersteuning/Mediawijsheid

 

Oproep tot deelname aan het Project eSafety Label 2013-2014

Scholen hebben de plicht om veilige leeromgeving te voorzien en te werken aan veilig en verantwoord ICT-gebruik op school. Het eSafety Label heeft tot doel scholen te ondersteunen  bij het realiseren van ICT-veiligheid op school. Een positieve ICT ervaring gaat immers hand-in-hand met een degelijk schoolbeleid en een goed doordacht eSafety actieplan. Op de eSafety Label webportal, kunnen scholen hun eSafety beleid vormgeven en verbeteren door gebruik te maken van leermiddelen, factsheets en checklists. Leerkrachten, ICT-coördinatoren en schoolhoofden kunnen via het platform ook nuttige tips uitwisselen en antwoorden vinden op hun vragen. Het belangrijkste aspect van het eSafety Label is echter de assessment module waarmee een school in kaart brengt op welk niveau van ICT-veiligheid ze zich situeert. Beleidsplanning, ICT-infrastructuur, schoolprojecten enz. worden daarbij geëvalueerd in het licht van e-safety. Op basis van de resultaten ontvangt elke school een persoonlijk actieplan met het oog op het remediëren van zwakke punten in het schoolbeleid en het verhogen van de ICT-veiligheid. Wanneer de school voldoet aan een bepaalde norm ontvangt ze een eSafety Label. Meer info: www.esafetylabel.eu

Het eSafety label is een project van het European Schoolnet en kwam tot stand i.s.m. met een aantal toonaangevende bedrijven (Kaspersky Lab, Telenet, Microsoft, Telefonica) en Europese ministeries van Onderwijs (België-Vlaanderen, Italië en Portugal, Oostenrijk, Tsjechië, Estland en Spanje.

Een Pilootproject

Vooraleer gestart werd met de ontwikkeling van de instrumenten en het eSafety label concept werd onderzoek gevoerd in de participerende landen. Zo werden de belangrijkste noden en bestaande initiatieven in kaart gebracht. Gedurende het schooljaar 2012-2013 werd het eSafety Label concept uitgetest in diverse scholen uit de vermelde landen. Vlaanderen participeerde met 10 scholen uit het Basis- en secundair onderwijs aan  het pilootproject. 

Voor het schooljaar 2013-2014 wordt de pilotfase uitgebreid en kunnen 50 nieuwe scholen instappen in het programma.

Van de scholen wordt verwacht dat zij actief de instrumenten van het eSafety Label inzetten voor hun school. Dat houdt in:

–          Zich registreren op de portal

–          Een contactpersoon aanduiden voor de school

–          De volledige assessmentprocedure doorlopen

–          De aanbevelingen van het assessmentrapport uitvoeren

–          Het project evalueren en hierover beknopt rapporteren

–          Deelname aan een beperkt aantal overlegmomenten (max. 3)

Het project staat open voor scholen uit gewoon of buitengewoon basis- en secundair onderwijs en Centra voor Basiseducatie. Scholen die reeds participeerden aan de eerste fase (schooljaar 2012-2013) kunnen niet opnieuw intekenen.

Wat krijgt de school ervoor in de plaats?

–          De exclusieve toegang tot een geïntegreerd eSafety Label instrumentarium: de drie assessmentmodules, een gepersonaliseerd werkplan, toegang tot leermiddelen,…

–          Het officiële eSafetyLabel (indien het minimumlevel behaald wordt)

–          Een vormingssessie in het klaslokaal van de toekomst (http://fcl.eun.org).

–          Een beperkte financiële ondersteuning om kosten van het project te dekken.

 

 

Oproep

De kandidaat-scholen sturen vóór 7 juni 2013 naar het Departement Onderwijs een e-mail naar jan.decraemer@ond.vlaanderen.be met daarin een korte motivatie, de identificatie van de school

(naam, contactgegevens, instellingsnummer, URL van de schoolwebsite) en de identificatie van een contactpersoon (naam, functie, postadres, telefoonnr. en e-mailadres) en/of van de ICT-coördinator.

 

 

Oproep tot deelname aan het Netwerk van Innovatieve Scholen

In het kader van haar ICT-en digitale mediabeleid richt het Departement Onderwijs 3 nieuwe netwerken van innovatieve scholen op. Deze netwerken bestaan telkens uit minstens tien scholen die gedurende het schooljaar 2013-2014 nieuwe technologieën uitproberen en hun ervaringen uitwisselen met andere scholen uit het netwerk. Met dit initiatief wil het Departement Onderwijs voorkomen dat scholen elk op zich het warm water gaan uitvinden. Een andere doelstelling is de opgedane ervaringen, expertise en know-how te delen met het brede onderwijsveld. De scholen fungeren daarvoor als demonstratieproject en als voorbeelden van goede praktijk. Ze bundelen hun positieve en negatieve ervaringen in concrete tips en aanbevelingen en/of leermiddelen die naar het brede onderwijsveld verspreid worden, bv. via studiedagen, publicaties of peterschapsformules. 

 De drie Netwerken van Innovatieve Scholen hebben een verschillende inhoudelijke focus. De drie thema’s zijn als volgt bepaald:

  • One-to-one computing en tabletklassen of opstellingen waarbij elke leerling beschikt over een eigen ICT-toestel
  • Gaming
  • Het gebruik van GSM en smartphones in de klas

Deelnemende scholen ontvangen een beperkte financiële incentive om deel te nemen aan vergaderingen en om bepaalde concepten of technologieën uit te testen. Verder worden de scholen begeleid en ondersteund door een coördinator die samen met de scholen een jaarwerkplan opstelt en de scholen op bepaalde tijdstippen bijeenroept en seminaries organiseert. De coördinator is een expert die op basis van ervaring en expertise wordt geselecteerd door de het Departement Onderwijs & Vorming.

 De kandidaat-scholen sturen hun gemotiveerd dossier vóór 8 mei 2013 via het formulier in onderstaande link:  http://goo.gl/VPKzr

 

 

 

Eerste Vlaamse eSafety Labels uitgereikt

Naar aanleiding van Safer Internet Day 2013 heeft Onderwijsminister Pascal Smet gisteren de eerste tien e-safety labels uitgereikt. Het eSafety Label heeft tot doel scholen te ondersteunen  bij het realiseren van ICT-veiligheid op school. Een positieve ICT ervaring gaat immers hand-in-hand met een degelijk schoolbeleid en een goed doordacht eSafety actieplan.

Op de eSafety Label webportal, kunnen scholen hun eSafety beleid vormgeven en verbeteren door gebruik te maken van leermiddelen, factsheets en checklists. Leerkrachten, ICT-coördinatoren en schoolhoofden kunnen via het platform ook nuttige tips uitwisselen en antwoorden vinden op hun vragen.

Het belangrijkste aspect van het eSafety Label is echter de assessment module waarmee een school in kaart brengt op welk niveau van ICT-veiligheid ze zich situeert. Beleidsplanning, ICT-infrastructuur, schoolprojecten enz. worden daarbij geëvalueerd in het licht van e-safety. Op basis van de resultaten ontvangt elke school een persoonlijk actieplan met het oog op het remediëren van zwakke punten in het schoolbeleid en het verhogen van de ICT-veiligheid. Wanneer de school voldoet aan een bepaalde norm ontvangt ze een eSafety Label.

Het eSafety label is een project van het European Schoolnet en kwam tot stand i.s.m. met een aantal toonaangevende bedrijven (Kaspersky Lab, Telenet, Microsoft, Telefonica) en Europese ministeries van Onderwijs (België-Vlaanderen, Italië en Portugal, Oostenrijk, Tsjechië, Estland en Spanje.

Vooraleer gestart werd met de ontwikkeling van de instrumenten en het eSafety label concept werd onderzoek gevoerd in de participerende landen. Zo werden de belangrijkste noden en bestaande initiatieven in kaart gebracht. Gedurende het schooljaar 2012-2013 werd het eSafety Label concept uitgetest in diverse scholen uit de vermelde landen. Vlaanderen participeerde met 10 scholen uit het Basis- en secundair onderwijs aan  het pilootproject. 

Het gaat om:

  • Vrij Instituut voor Buitengewoon Onderwijs Kasteelpark Oud-Turnhout
  • Gesubsidieerde Vrije Basisschool Sint-Joris, Menen
  • Heilige Harten Beroeps en Technisch Onderwijs, Ninove
  • Sint-Aloysiuscollege Ninove
  • Sint-Jozef-Klein-Seminarie, Sint-Niklaas
  • Vrije Basisschool Sint-Jozef, Overmere
  • Vrije Basisschool Het Belleveer Schellebelle
  • Technisch Instituut Sint-Isidorus
  • Stedelijk Lyceum Paardenmarkt – Antwerpen
  • Spes Nostra, Heule

Deze scholen ontvingen gisteren dus hun certificaat. Binnenkort kunnen nieuwe scholen instappen in het project. Geïnteresseerde scholen nemen contact op met jan.decraemer@ond.vlaanderen.be

http://www.esafetylabel.eu/

Bezoek het klaslokaal van de toekomst

Het Future Classroom Lab is een nieuw project waarbij een hal van het European Schoolnet (bekend van o.a. e-twinning en het saferinternet programma) is uitgerust met de nieuwste technologieën zoals digiborden, digitale apparatuur voor wetenschappen, mediatechnologie en innovatief interieur.  De Vlaamse overheid is een van de 30 Europese ministeries van onderwijs die deel uitmaken van European Schoolnet.

Het “klaslokaal van de toekomst” is echter niet enkel een demonstratieruimte maar wil vooral een plek zijn waarbij leraren, lerarenopleiders en beleidsmakers nadenken over de plaats van ICT en digitale media in het onderwijs van morgen en hoe conventionele leslokalen gemakkelijk opnieuw kunnen worden ingericht, zodat er ruimte is voor veranderingen op het gebied van onderwijs- en leermethoden.

Het Future Classroom Lab is opgedeeld in  zes zones of “sferen” waar er rond bepaalde leeractiviteiten technologie gebruikt kan worden. Zo is er een zone voor interactieve lesvormen, voor presenteren en instructie, voor onderzoek, voor creatie en creativiteit, voor uitwisseling en voor ontwikkeling.

Verschillende Europese landen hebben al zo’n denk- en demonstratielokaal, maar voor België is dit een primeur. Wie geïnteresseerd is in een rondleiding en demosessie van ca. 2 uur kan zich melden bij jan.decraemer@ond.vlaanderen.be. Er kunnen max. 15 personen aan dit bezoek deelnemen.  Dit bezoek zal doorgaan op dinsdag 5 maart 2013 van 10.00 – 12.30 op de locatie van het Future Classroom Lab: Trierstraat 61, 1040 Brussel (vlakbij metrostation Maalbeek). 

Meer info: http://fcl.eun.org/

 

Safer Internet Day 2013

De Safer Internet Day of de werelddag voor een veilig en verantwoord gebruik van het (mobiel) internet nadert met rasse schreden : Dit jaar gaat het evenement door op 5 februari 2013.

Met als thema “Connect with respect!” legt deze tiende editie het accent op de rechten en verantwoordelijkheden als je online begeeft. Enkele doelstellingen van de Safer Internet Day 2013 zijn jongeren informeren en hen aansporen om na te denken over hun doen en laten op het internet, alsook hen ook de sociale en technische kneepjes aan te leren om volluit te kunnen genieten van het internet. Child Focus is organisator en coördinator van de Safer Internet Day in België.

Onze actie op die dag bestaat uit twee luiken :

 –          Enerzijds organiseert Child Focus een verrassende sensibilisatie activiteit in het Centraal station dat toegankelijk is voor iedereen. Dit doen ze samen met kinderen van het 5de en 6de leerjaar en hun leerkrachten.

–          Child Focus nodigt uit om alle e-safety activiteiten te registreren op het online platform van de Safer Internet Day België www.clicksafe.be/sid . Dankzij dit systeem worden alle activiteiten gecentraliseerd en kan iedereen die het wenst met een simpele muisklik te weten komen wat er in zijn of haar buurt georganiseerd wordt.

Studiedag Wi-Fi en gsm-straling op school

Scholen worden steeds vaker geconfronteerd met ouders, schoolpersoneel …  die zich ongerust maken over elektromagnetische straling.  Soms gaat het over een zendantenne die op of in de nabijheid van een schoolterrein geplaatst wordt. Andere keren gaat het over de beslissing van een school om een draadloos netwerk te installeren. Ook maken sommige ouders zich ongerust over het gebruik van gsm, smartphone, tablet, … door hun kinderen, zowel voor privé- gebruik als op school.  

Op een studiedag op 28 november 2012 wil de Vlaamse overheid aan scholen een houvast bieden m.b.t. de problematiek van straling. Op de studiedag krijgen scholen informatie, tips en richtlijnen m.b.t. elektromagnetische straling afkomstig van zendmasten in de buurt van de school of van Wi-Fi-netwerken en gsm-gebruik.

 Er wordt o.a. stilgestaan bij:

  • De technologie zelf: wat is elektromagnetische stralingen en hoe functioneren zendmasten, gsm’s, Wi-Fi.
  • De wettelijke normering voor toestellen en zendmasten.
  • Resultaten uit onderzoek naar gezondheidseffecten van toestellen en zendmasten.
  • Richtlijnen voor het schoolbeleid.
  • Waar scholen terechtkunnen voor meer informatie en ondersteuning

De studiedag richt zich op schooldirecties, ICT-coördinatoren, preventieadviseurs en andere onderwijsactoren met interesse in het thema

programma, praktische info en inschrijven vind je hier

Conceptnota mediawijsheid

Mediawijsheid is een thema dat raakt aan diverse aspecten van de beleidsvoering zoals media, innovatie, jeugd, onderwijs, cultuur, welzijn en armoedebestrijding. Daarom beslisten  de Ministers Smet en Lieten voor een gezamenlijk beleidsplan Mediawijsheid. De nota heeft dan ook vooral aandacht voor het snijvlak mediabeleid en onderwijsbeleid, maar is tegelijk een uitnodiging naar een verbreding van de samenwerking en beleidsmatige aanpak. De nota werd op 4 mei door de Vlaamse Regering goedgekeurd.

In de conceptnota vind je in de eerste plaats de overheidsvisie op de omgang met media en onze verwachtingen ten aanzien van de verschillende actoren op dit vlak. Verder willen we in deze nota toelichten wat de krachtlijnen zijn van het mediawijsheidsbeleid. We hechten daarbij vooral belang aan vier zaken: het stroomlijnen en op elkaar afstemmen van het mediawijsheidsbeleid, de competentieontwikkeling, de aandacht voor gelijke kansen vanuit een e-inclusieve benadering en het creëren van een veilige en verantwoorde media-omgeving. Tenslotte biedt deze nota een antwoord op de vraag welke concrete acties en maatregelen wij reeds uitvoeren, maar ook op de vraag welke initiatieven we in de nabije toekomst willen nemen om de mediacompetenties van alle Vlamingen te verbeteren.