De activeringsparadox

Maandag zat ik op een vergadering waar alweer een discussie liep over het begrip “permanente evaluatie”. Hierbij staan inhoudelijke argumenten lijnrecht tegenover puur praktische/decretale bedenkingen. Met deze post wil ik hierrond een klein punt maken: omdat de organisatie van ons hoger onderwijs steeds meer geformaliseerd wordt, komt het inhoudelijke argument in de verdrukking en blijft enkel het formeel praktische over. Dat is géén mening van mij, maar een nuchtere vaststelling.

Permanente evaluatie, praktisch bekeken

Het aanleren van praktische vaardigheden vereist een hele andere aanpak dan die van kennis. Praktijk leer je door dingen te doen, door te oefenen. Kennis kan je studeren. Dit onderscheid zet zich door in onze visie over evaluatie. Kennis kan je evalueren via examens, dat zijn statistische momentopnames. Een examen dient evenveel om het verwerven van kennis te stimuleren en sturen, dan om deze te toetsen; een student leert niet wat je onderwijst, hij leert wat je ondervraagt.

Omdat we studenten willen motiveren in het verwerven van praktische vaardigheden, moeten we zowel het oefenen belonen als het verwerven evalueren. We noemen dat permanente evaluatie. Het lijkt logisch dat dat belonen/evalueren enkel kan gebeuren tijdens de contactmomenten, door de aanwezige docenten die tegelijkertijd de student begeleiden. Begeleiding, beloning (=motivering) en evaluatie zijn bij praktische vakken onlosmakelijk verweven. Logisch?

Er zijn twee niet-inhoudelijke argumenten die deze gedachtengang ontkrachten.

(1) De wetgever, met de beste bedoelingen.

Het flexibiliseringsdecreet leert ons dat,
een student opleidingsonderdelen via examencontract kan volgen; daarbij volgt hij geen enkele vorm van opleiding, enkel evaluatie
een student zich in december kan inschrijven voor een opleiding; na het verlopen van de begeleide opleidingssessies
een student recht heeft op twee examenkansen; wat elke gewone student in september de facto in de positie stelt van de examencontract student

De conclusie kan niet anders zijn dan dat men begeleiding en evaluatie moet (kunnen) loskoppelen, zelfs bij praktijkvakken. En dus dat het permanent karakter van permanente evaluatie onhaalbaar is.

(2) Vanuit de organisatie van studielast

Aan elk studiepunt kleeft een studielast van 25 à 30 uren, wat gerekend volgens de 38 uurse werkweek op een totaal van 900 uren per semester uitkomt. Je mag rekenen dat met elk contactuur ongeveer 2,5 studielasturen overeenkomt (dus 1,5 uur extra). Gerekend aan 25 contacturen per week, blijven er nog 13 extra uren over. Indien we deze maximaal zouden inzetten voor ‘permanente’ evaluatie, dan komt dat neer op een totale studielast van

(12 weken)*(13 uren)*(2,5 totaal per contactuur)/(1,5 per contactuur)
= 260 studielasturen = 8 à 10 studiepunten per semester

Een eerlijke opleiding kan dus maximaal 8 à 10 studiepunten alloceren voor onderwijsactiviteiten die geëvalueerd worden tijdens de lesweken. Maar dan blijft er niets over voor de kennisvakken. In de veronderstelling bovendien dat studenten 38uur per week werken, anders is het nog minder.

Wat ons brengt op een verrassende paradox:
Een opleiding die haar studenten met activerende werkvormen aanzet tot regelmatig werken, dwingt haar studenten in werkelijkheid tot uitstelgedrag bij de theorievakken.

Tenzij er aan die activerende werkvormen geen (studie)punten gekoppeld worden… maar dat is een beetje tegen de geest van de onderwijsreglementering. Of tenzij er studielast (b.v. een werkje) en evaluatie geplaatst wordt nà  de gewone lesweken; d.w.z. dat men evaluatie en begeleiding loskoppelt.

Zeg nu nog dat het onderwijs geen interessante stiel is.

[opmerking: dit gaat enkel over opleidingen met een belangrijke praktische arm, niet over opleidingen als vroedkunde, waar de praktische vaardigheden centraal staan]

Palaborwa

In grote stukken van het hoger onderwijs begint volgende week de examenperiode.

Dat is de periode waar de nadruk even niet enkel op het weten ligt, maar ook op het doen alsof. Hierna kunnen we weer bij pot en pint de oorlogsverhalen bovenhalen waarin we de nacht voor het examen snel al die gegevens in onze hersenen persten om deze bij het verlaten van het examenlokaal al vergeten te zijn. Gelukkig is dat niet waar, want dat examensysteem is een tamelijk essentieel onderdeel van onze onderwijsmethode. Het menselijk geheugen is voor het grootste deel passief en aan de deur van dat examenlokaal zit de kennis (hopelijk) daar, in het passieve archief. Nochtans wordt in het debat over vaardigheden en over de mogelijke tegenstelling tussen kennen en kunnen het belang van die passieve kennis wel eens over het hoofd gezien.

Om alle studerenden een klein hart onder de riem te steken, graag een anekdote.

Ongeveer 15 jaar geleden reden we in een huurauto het Krugerpark binnen via de ingangspoort van Palaborwa. Een naam die ik bij het verlaten van het park al vergeten was. Vorige week echter, kwam ik al spelende met Google Earth virtueel terecht in Palaborwa. Sindsdien kan ik niet alleen die naam niet meer uit het hoofd krijgen, er komen ook hele reeksen met beelden en namen terug van die reis. Zo gaat het ook met leerstof. Soms lijkt het zinloos om te blokken, maar de kennis sijpelt gelukkig dieper binnen dan we denken… dus het is vooral te hopen dat die leerstof zélf niet zinloos is. Want blokken is geen verloren energie als je twee dagen later alles vergeten zou zijn, het is verloren moeite als het om overbodige kennis gaat.

Veel succes aan alle deelnemers van het examenspel.

Financieringsdecreet

In een interview met De Morgen licht de minister van Onderwijs de krijtlijnen toe van de nieuwe financiering van het hoger onderwijs.

De grote lijnen zijn al langer bekend, al lijkt Frank Vandenbroucke van plan om enkele oudere “problemen” via een creatieve benaderingen vlot te trekken. De Morgen meldt als belangrijke punten:

  • Het totale aantal keren dat een opleiding mag ingericht worden in Vlaanderen, wordt van bovenuit opgelegd; er is wel ruimte voor een oranje (grijze) zone. De proffen en docenten moeten zelf de knopen doorhakken.
  • Ongeveer de helft van de financiering van de instellingen moet voortkomen uit onderzoeksmiddelen.
  • Een student heeft recht op een leerkrediet van 140 studiepunten (60 studiepunten is een jaarprogramma), wat vermoedelijk betekent dat een student zich maximaal twee bisjaren en een GOP programma mag permitteren. Dit om de meerkost in te dijken van pseudo-studenten door zich in te schrijven zonder echt te studeren

Eindverhandelingen

Nogal wat commentaren in kranten en op websites formuleren vandaag een mening over eindwerken en thesissen die kan tellen. Stellingen in de aard van Welke student heeft niet ooit de helft van zijn cursus op armen of dijen geschreven? Nodig ze niet uit, al degenen die aan de Sorbonne of in Tübingen de thesis van een hoger begaafde Franse of Duitse collega zijn gaan ophalen, om die nadien netjes vertaald als eigen werk in te dienen.

Ergens ga ik ervan uit dat dit ongefundeerde stoerdoenerij is. Taal die mij doet denken aan scenes waarin ik zelf als eerste kand. student figureerde. Bissers poneerden toen schouderophalend hoe eenvoudig de leerstof wel was, waarop ik begon te twijfelen aan mezelf omdat het zo moeilijk leek. Het klinkt als die kerels die luidkeels beweerden dat ze niet blokten – maar tegen de examens op magische wijze alles kenden.

Als begeleider van eindwerken en als ex-student hoop ik dat het niet waar is. Natuurlijk weet ik dat er thesissen geschreven worden in opdracht. Niet alleen J.P. Van Rossum schept ermee op. Ik ken uit eerste hand ook straffe anekdotes. Maar laat dat de uitzondering zijn, eerder dan de regel.

Het belang van eindwerken en thesissen voor een opleiding zal in de toekomst bovendien enkel nog toenemen. Opleidingen verschuiven vandaag wat van kennis naar competenties en eindverhandelingen zijn een belangrijk vehikel om die competenties aan te brengen. Ook in het kader van een meer onderzoeksgericht onderwijs, zijn thesissen logischerwijze belangrijk.

Daarom is het de moeite om onderwerpen als “omgaan met digitale bronnen” voor alle (?) studenten al van bij het begin van het curriculum een expliciete plaats te geven. Het verschil tussen refereren, citeren, parafraseren en plagiëren is trouwens niet alleen interessant voor studenten, las ik ergens, (onze) zelfgeschreven cursussen kunnen er ook hun voordeel mee doen…

Uitgevers en de nieuwe technologie

Hoewel het vermoedelijk al een tijdje bestaat, is het voor mij helemaal nieuw: educatieve uitgeverijen die aan Custom Publishing doen.

Het idee gaat terug op de verzuchting van ieder (hoger)onderwijsmens die op zoek gaat naar een goed handboek voor zijn vak. Alle Amerikaanse textbooks zijn veel te dik, daardoor zijn ze veel te duur en ze bevatten net dat ene toegepaste hoofdstuk niet. Waardoor iedereen toch maar weer zelf cursussen begint te schrijven.

Vorige week kreeg ik een emailtje met een mogelijke oplossing hiervoor. Bij Pearson kan je zélf een boek samenstellen met hoofdstukken uit om het even welk boek van hun cataloog. Je kan ook eigen teksten laten invoegen. De eisen vanuit de uitgever zijn relatief mild. Het kan voor een groep van 100 studenten en voor een minimum van twee jaar, waarna een evaluatie (evt. aanpassing) volgt.

Het systeem is nog altijd niet perfect, zo zal een samengesteld boek al vlug evenveel kosten als een gewone paperback, maar voor heel wat vakgebieden biedt het toch perspectieven.

Andere uitgeverijen werken alternatieve ideëen uit, zoals Prentice Hall met andere elektronische initiatieven, waarop we later wel eens terugkomen.

Link: Pearson Custom Publishing, Safarix

Wat met de vierjarige opleidingen?

In een openhartig interview met De Standaard [DS Online] geeft André Oosterlinck zijn visie op de toekomst van de vierjarige hogeschoolopleidingen. Hij ziet de vierjarige opleidingen – het gaat hier dan vooral om opleidingen tot vertaler-tolk, architectuur, handelswetenschappen en industrieel ingenieurs – verregaand integreren met hun universitaire evenknie/tegenpool, maar niet verdwijnen. Bij de Industrieel Ingenieurs geeft hij het voorbeeld dat ze enerzijds hun onderling profiel kunnen versterken, maar dat anderzijds “het niveau- of statusverschil tussen opleidingen als burgerlijk en industrieel ingenieur, verdwijnt”.

Qua onderzoek worden de Masters van de hogeschoolopleidingen onderbouwd met toegepast onderzoek, terwijl de universiteit zich concentreert op fundamenteel onderzoek.

Op een aantal belangrijke vragen, kan de voorzitter van de Associatie K.U.Leuven nog geen antwoord geven.
Bijvoorbeeld, over het huidige verschil in studieduur tussen twee richtingen met gelijk niveau en status, spreekt hij zich niet uit.

Dat is begrijpelijk, aangezien het moeilijk is om in te schatten of de schijnbare tegenstrijdigheden in deze visie uiteindelijk niet zullen uitlopen in concrete tegenstellingen:

  • hetzelfde niveau/status versus onderling versterkte profilering,
  • eenvoudige overgangen tussen bachelors van de ene instelling naar masters van de andere versus het onderbouwen van die masters met fundamenteel verschillend onderzoek.

De oud-rector gebruikt ook het warmste buzzword in onderwijsland: het zalm model. In de meeste hogescholen is dit model vandaag erg zichtbaar, het kan dus geen kwaad om het bij een volgende vergadering even in uw betoog op te nemen.

Veranderend onderwijs

Even plaats maken voor een korte getuigenis.

In de zeven jaren dat ik in het Hoger Onderwijs meedraai, hoor ik telkens hetzelfde verhaal: studenten veranderen, ze worden minder sterk, ze tonen minder inzet of interesse. Altijd denk ik bij mezelf daarop: “Dat zal wel typisch zijn, het onderwijs verandert eigenlijk nooit. Goeie studenten zullen altijd bovendrijven. Intrinsiek verandert de intellectuele kwaliteit van mensen niet.” U kent dat misschien wel.

Maar dit jaar is het anders. Het hoger onderwijs is fundamenteel veranderd.

De oorzaak is nochtans niet massief. “Veranderend onderwijs” verder lezen

Geen ingenieurs staken niet

Agoria, de vereniging die de belangen van de technologische industrie behartigt, stuurde donderdag een persbericht de wereld in dat veel te weinig weerklank krijgt.

“INSCHRIJVINGEN INGENIEURSSTUDIES ALARMEREND LAAG”

De daling is het sterkst in de hogescholen, waar het aantal beginnende Industrieel Ingenieurs in 15 jaar tijd gehalveerd is. De Burgerlijk Ingenieurs kunnen de schade nog beperken. Ze genieten immers van de grotere toevloed aan studenten die hun kans wagen omdat het toelatingsexamen is afgeschaft. Maar deze grotere toevloed veroorzaakt ook een lager slaagpercentage, omdat een gedeelte van die studenten eigenlijk aan een hogeschool thuis hoort, aldus Wilson De Pril van Agoria.

Ik kan het hier alleen maar mee eens zijn.

Op basis van cijfers van de Vlaamse Gemeenschap kan je zien dat het aantal kandidaat Ingenieurs (Burgerlijk, Bio- en Industrieel) tussen 1999 en 2003 met 20% daalde. Een deel van deze daling wordt wel gecompenseerd door de toename van graduaatsstudenten.
“Geen ingenieurs staken niet” verder lezen

Losse links.

Enkele losse links.

  1. Openoffice 2.0 is uit, http://www.openoffice.org/. Gratis software (free beer/free speach) is altijd belangrijk om in overweging te nemen; zelfs als je het niet zou gebruiken.
  2. Leuke link naar de blog van de opleiding audiovisuele vorming. De blog wordt gebruikt als combinatie van prikbord, forum, uithangbord. Alles behalve perfect, maar het wordt wel gebruikt.
  3. Bill Gates stapt naar scholen toe om studenten te motiveren in de richting van de wetenschap.

Zoom in, zoom uit

Onderwijs bekeken vanuit twee helemaal verschillende perspectieven:

(1) Het tijdschrift Klasse experimenteert al eventjes met blogs van ouders en blogs van enkele leerkrachten.

Het idee is een erg leuk idee, berichten uit de buik van het onderwijsbeest. De ouders hebben af en toe de neiging om er een jong-gezin blog van te maken, maar vooral de leerkrachten moeten nog wat op toeren komen.

Misschien moeten ze er bij Klasse nog twee dingen toevoegen om het volledig te maken: een bloggende klas én een degelijke RSS-feed.

(2) Vanuit een vogelperspectief heeft Eurydice (onderdeel van het Europese Socrates programma) een boek gepubliceerd met een overzicht van gegevens over het onderwijs in Europa.

“Key Data on Education in Europe 2005” is beschikbaar in twee talen. De gegevens stoppen wel net voor de invoering van het Bachelor-Master systeem in België. Met dank aan onze coördinator Internationalisering.

Internet als eerste informatiebron

Het is een slinger die voorlopig maar één richting uit gaat: het internet blijft groeien als belangrijkste informatiebron.

Voor 60 procent van de Europeanen is het internet de belangrijkste bron van informatie, vóór televisie (13,8 procent) en kranten (9,7 procent). Dat blijkt uit een studie van MSN (Microsoft) bij 12.000 personen in tien Europese landen.

Met de regelmaat van de klok worden onderzoeken en cijfers de wereld in gestuurd. In november vorig jaar heette het nog dat “Internet als eerste informatiebron” verder lezen