Identiteit en privacy, veranderende begrippen in een nieuw millennium

(deze bijdrage verscheen ook op de Nederlandse ‘Surfspace’ website)

De laatste jaren mogen we spreken van een ware internetrevolutie – het zogenaamde “Web 2.0″ is een verzamelnaam voor een hele reeks internettoepassingen waarbij de gebruiker niet de informatie-consument is, maar wel de informatie-toeleverancier. De gebruiker participeert volwaardig aan de internet-community, en post videomateriaal, boekbesprekingen, fotomateriaal, onderhoudt online dagboeken, of onderhoudt zijn/haar professioneel of informeel netwerk.

In het leven van jongeren is die technologie zo alomtegenwoordig dat zij deze niet meer bewust opmerken. Het ICT gebruik van jongeren gaat echter vaak gepaard met weinig inzicht over veiligheid of juridische/maatschappelijke aspecten (bijvoorbeeld illegaal downloaden van software of muziek). Het is een bekend cliché: nieuwe middelen zorgen voor nieuwe kansen en nieuwe gevaren, maar onverwacht ontstonden er bijzondere neveneffecten. Zo krijgen ook begrippen zoals ‘identiteit’ en ‘privacy’ duidelijk een andere invulling in het Web 2.0 tijdperk.

The name is Bond, James Bond

Zo zijn mensen vandaag niet als zichzelf aanwezig op het internet, maar als een verzameling van verschillende virtuele persoonlijkheden. De auteur van dit artikel is ambtenaar, onderwijsondersteuner, huisvader, liefhebber van digitale fotografie en video, star trek fan. Meerdere identiteiten, die echter in een online omgeving door elkaar lopen. Google maakt geen onderscheid tussen ‘Maarten Cannaerts, huisvader’ of ‘Maarten Cannaerts, ambtenaar’.


Offline presenteer je jezelf aan de persoon of publiek met wie je praat op een bepaalde manier, aangepast aan de context. Jongeren zullen anders praten tegen hun vriendin dan tegen hun schoonmoeder, bijvoorbeeld. In een online omgeving weet je vaak echter niet wie allemaal meeleest of meekijkt, en vooral wanneer bepaalde informatie opgevraagd wordt. We moeten bovendien allemaal nog gewoon worden aan het feit dat het internet soms wel alles lijkt te weten en nooit iets vergeet.

Naast deze digitale identiteiten dit echt zijn, dus werkelijke afzonderlijke representaties van de persoon die we zijn, wordt het echter ook gemakkelijker en gemakkelijker om onechte identiteiten te maken. Vooral de milleniumgeneratie-jongeren zal zich snel in een online omgeving (al dan niet radicaal) anders voordoen dan hij/zij werkelijk is. Loop rond in een virtuele wereld en kies zelf je naam, geslacht, uitzicht en kledij. Chat met een onbekende en doe je voor als iemand van een ander geslacht of van een andere leeftijdsgroep. Of meer verregaand: surf naar een fake identity generator website en vraag in drie seconden een (valse) digitale identiteit aan met bijbehorend (mail)adres en bankrekeningnummer. Meer en meer horen we ook hoe onze digitale identiteit kan gestolen worden. Neem eens een kijkje op het geheime weblog van Bill Gates of van Steve Jobs, bijvoorbeeld.

I spy with my little eye

We zien dus dat we meer en meer online terug te vinden zijn met verschillende identiteiten: professioneel of persoonlijk. Maar elk van die identiteiten laat ook digitale voetafdrukken na, met significante gevolgen voor onze privacy.
Via twitter ziet de surfende wereldbevolking wat we aan het doen zijn, via plazes waar we zitten, via linkedin met welke personen we professioneel allemaal omgaan, via flickr waar we op vakantie gaan (en met wie). Sommige gespecialiseerde sites laten zelfs toe op een snelle en overzichtelijke manier te zien welke informatie er allemaal over ons (of iemand anders) terug te vinden is. Werkgevers gaan overigens meer en meer kijken wat er van de sollicitanten online terug te vinden is en die resultaten zijn niet altijd om over naar huis te schrijven.

In een pre-digitaal tijdperk was privacy uiteraard ook belangrijk, maar je persoonlijke levenssfeer beschermen was toen veel eenvoudiger en vooral meer transparant. In een digitaal tijdperk wordt informatie over ons verzameld langs diverse wegen en vaak zonder dat we ons daar bewust van zijn. Geef toe, wie leest die ‘privacy disclaimers‘ nog bij het invullen van persoonlijke gegevens op een website? Bovendien wordt het big brother principe in deze genetwerkte samenleving steeds meer waarheid. Doordat onze profielen, foto’s, activiteiten, video’s, blogposts, commentaren, enzoverder allemaal aan elkaar gelinkt (kunnen) worden, verdwijnt elke schijn van een afgeschermde levenssfeer of zelfs van een afschermbare levenssfeer. Neem daarbij nog het feit dat we meer en meer naar geconvergeerde toepassingen gaan : onze mobiele telefoon bevat ook ons adressenbestand, hangt aan internet, bevat een GPS en onze buddy-software geeft automatisch door aan onze vrienden waar wij ons bevinden.

Is het glas half vol of half leeg?

Het is echter belangrijk om ook de belangrijke voordelen te zien van toepassingen die informatie over ons verzamelen en gebruiken. Wie ooit al een paar boeken of DVD’s kocht bij Amazon, bijvoorbeeld, krijgt vervolgens persoonlijk advies gebaseerd op zijn eerdere aankopen. Doordat de toepassing gegevens van duizenden klanten bijhoudt en vergelijkt, kan elk individu op zijn of haar maat aanbevelingen krijgen – social recommendation genoemd. Social recommendation wordt inmiddels gebruikt bij tal van toepassingen, gaande van muziekaanbevelingen tot tips over interessante leermaterialen om in je les te gebruiken.
Dat ook zulke systemen kunnen foutlopen, bewijst het artikel waarin wordt beschreven hoe we in de kafkaëske situatie kunnen terechtkomen dat we het niet eens zijn met de perceptie die onze videorecorder over ons heeft.

Ook de mogelijkheid om meerdere digitale identiteiten aan te maken heeft voordelen. Zo kunnen jongeren deelnemen aan allerlei netwerken of hobby-gerelateerde sites zonder dat zij dit telkens onder de eigen naam moeten doen. Of in een digitale wereld rondlopen als iemand met een andere huidskleur om te leren over vooroordelen en racisme.

Wat belangrijk blijft, sowieso, is een kritische houding ten opzichte van de informatie die we zelf terugvinden online en bovendien een voortdurende reflectie bij materialen die we zelf op het internet plaatsen en de naam waaronder we dat doen.

Uitdagingen voor lesgevers

Recent werden de resultaten gepubliceerd van een Belgische studie over tieners en internet - Teens and ICT : Risks and Opportunities (TIRO). De studie werd gefinancierd door de Belgische federale overheid en toont aan dat jongeren verknocht zijn aan internet (96% is internetgebruiker), maar gelukkig ook waakzaam voor eventuele risico’s. Uit de resultaten blijkt overduidelijk dat de grote meerderheid actief informatie op internet plaatst, bijvoorbeeld op een eigen weblog of profielpagina, maar dat de jongeren zich wel bewust zijn van mogelijke gevaren. Zo zijn de meeste jongeren niet snel geneigd om tijdens het chatten persoonlijke informatie te geven (adres, telefoon). Ontstellender is het om vast te stellen dat bijna de helft van de jongeren het mailpaswoord al eens doorgaf aan een vriend(in), met alle risico’s van identiteitsdiefstal vandien.

Wat is de rol van ons onderwijs en van onze lesgevers nu op vlak van digitale identiteit en online privacy, en kunnen we de conclusies ook doortrekken naar het hoger onderwijs? De TIRO studie wijst uit dat één op vier jongeren op geen enkele manier tips of advies krijgt bij internetgebruik. 60% van de jongeren zegt dat ze graag meer zouden horen over ‘veilig online’ tijdens hun schoolloopbaan. Een duidelijke taak dus voor onze lesgevers, die ook de aspecten van de digitale identiteit en privacy-problemen moeten durven aankaarten. Het is echter ook belangrijk dat we jongeren niet alleen wijzen op mogelijke gevaren en problemen, maar hen ook weerbaar maken en alert voor kansen en opportuniteiten. Ook moeten we de jongeren er op durven wijzen dat ze hun digitale identiteit moeten beheren, en kritisch nadenken wat ze over zichzelf in welke hoedanigheid vrijgeven.

Het is een misverstand dat docenten of ouders zelf elke nieuwste trend moeten volgen om te kunnen ‘meepraten’ over informatievaardigheden of privacy aspecten. Je hoeft niet (technisch) op de hoogte te zijn van elke nieuwste virtuele wereld, microblogging toepassing of videoconferencing-applicatie om toch te weten dat er gevolgen zijn voor de manier waarop we onszelf presenteren. Het is de docent die over de nodige objectiviteit beschikt en vanuit een bredere visie tips kan aanreiken aan de jongeren. Niet over het technische gebruik van die toepassingen maar wel over de ruimere gevolgen en kansen.

Deze aandachtspunten moeten ook terugkomen in het hoger onderwijs, waar vele docenten experimenteren met innovaties die de buitenwereld betrekken bij het onderwijs. Door bijvoorbeeld jongeren te laten bloggen, of op wiki’s te laten samenwerken. Prachtige experimenten, waarbij je ziet hoe professionals uit het bedrijfsleven reageren op de projectblogs van de studenten. Maar ook hier moet het evenwicht bewaakt worden, de onervaren student die ‘verplicht’ wordt zijn visie op een specifiek probleem op een openbare plaats te bloggen, mag daar achteraf ook geen problemen mee krijgen doordat zijn online schrijfsels bijvoorbeeld van een ondermaatse kwaliteit waren. Bloggen onder schuilnamen kan hier een oplossing zijn, maar dit maakt het dan weer moeilijk om achteraf je ‘professionele portfolio’ samen te stellen. Een tweesnijdend zwaard waarvan zowel studenten als docenten zich bewust van moeten zijn.

In alle geval, de zoektocht van onze jongeren naar hun eigen identiteit is een natuurlijk proces dat al duizenden jaren goed (of slecht) loopt. De digitale identiteit voegt aan dit natuurlijk proces een interessante extra dimensie toe, waarbij ook meer en meer aandacht moet gaan naar de privacy-aspecten en aandacht voor de interessante nieuwe kansen en mogelijkheden.

Voor wie meer wil weten over het aspect ‘digitale identiteit’ raden we zeker de thesis aan: Faceted Id/entity: Managing representation in a digital World en de drie jaar oude maar qua inhoud erg actuele lezing ‘Identity 2.0‘.

Personalia

Maarten Cannaerts werkt als onderwijsondersteuner in Vlaanderen op het De Nayer instituut (Hogeschool voor Wetenschap & Kunst), en als beleidsmedewerker op het Departement Onderwijs en Vorming. Zijn voornaamste interesses gaan uit naar e-leren, met vooral nadruk op social software en informatievaardigheden. Hij onderhoudt een online webarchief en blogt bij het Vlaamse groepsweblog edublogs.be; zijn lezingen publiceert hij via slideshare.

Hij participeert in een aantal projecten over digitale identiteit en online privacy, onder andere een Associatie K.U.Leuven innovatieproject Persoonlijk informatiebeheer en een wetenschapsinformatieproject Op zoek naar mezelf in de 21ste eeuw, ondersteund binnen het actieplan Wetenschapsinformatie en Innovatie, een initiatief van de Vlaamse overheid.

2 responses to “Identiteit en privacy, veranderende begrippen in een nieuw millennium”

  1. Smetty

    Prachtig artikel Maarten.

    Toch zou ik zelf iets voorzichtiger zijn met volgende stelling: ” Je hoeft niet (technisch) op de hoogte te zijn van elke nieuwste virtuele wereld, microblogging toepassing of videoconferencing-applicatie…”.

    Dat klopt. Je hoeft niet technisch over alles op de hoogte te zijn. Ik geef mijn studenten wel de raad om mee te zijn met wat zich in hun eigen klas afspeelt. Zit de volledige klas op Habbo Hotel? Maak dan ook eens een account aan en ga kijken. Baseer je bijvoorbeeld niet alleen op wat in de media over Second Life verteld wordt omdat dat “ook een virtuele wereld” is. Zit iedereen op Netlog? Ga daar dan kijken.

    Elke leerkracht kent Mega Mindy. Het zou even evident moeten zijn dat ze ook Habbo Hotel, MSN, YouTube en MySpace kennen (indien relevant voor de eigen klas).

  2. Dirk Rommens

    Wat me opvalt, dat is dat hier niets verschenen is over Andrew Keene, terwijl je er niet naast kon kijken in de Metro, De Standaard en Knack. (Ik zou nog andere kranten en tijdschriften willen lezen, maar ik heb maar één leven…)
    Ik heb niet de moed/tijd om een jaar terug te surfen toen de Engelstalige versie verscheen.
    Het is niet omdat iets zich in de eigen klas afspeelt, dat je dit automatisch als een toegevoegde waarde aan het leren/leven moet vinden. Moeten we nu plotseling minder kritisch worden, moeten we ons geen vragen stellen over nut en waarde zonder als ouderwets te worden versleten?
    Kortom, ik denk dat er een verschil is tussen de spelende digitale wereld en de lerende schoolwereld. Je zult hoe dan ook blijven nahinken op de snelheid van de jongerenwereld, terwijl je toch potverdorie de leerlingen leerstof moet bijbrengen. Zij willen een diploma, en laten we die als school dan ook maar afleveren, want het leren is geen spel, en het leven al evenmin. Als we het leren boeiend kunnen maken met en door ICT, dan volg ik, nee, dan loop ik voorop. Maar volgen om in de gunst van jongeren te komen, vind ik te makkelijk. En de leerlingen doorzien heel vlug of je het méént of dat je geforceerde inspanningen er zijn om in de gunst te komen.

Leave a Reply

Hou me op de hoogte van nieuwe reacties via e-mail. Je kan deze ook volgen zonder zelf een comment toe te voegen.