Bedenkingen naar aanleiding van de Safer Internet Day

Twaalf februari is door de Europese Commissie uitgeroepen tot de Safer Internet Day. Het initiatief is bedoeld om de brede samenleving te sensibiliseren over (on)veilig ICT-gebruik. De nadruk ligt steevast op het aspect communicatie: veilig chatten, seksueel misbruik via chatboxen, cyberpesten, pornografie op het internet, enz.

Om de Safer Internet Day te promoten, publiceerde de Europese Commissie een interessant filmpje. Je ziet een computermuis op een tafeltje en vervolgens een 10-tal stereotype handen die met de muis werken: die van een arts, een motard, een bloemenmeisje, een muzikant, een in leer uitgedoste hand. Het filmpje toont dat er mensen met verschillende intenties op het net rondsurfen en suggereert daarmee dat er ook mensen met slechte bedoelingen actief zijn: pedofielen, kinderlokkers… Nog op safer internet day wordt een vervolgrapport bekend gemaakt met een benchmark van allerlei contentfilters, dit zijn filters die verwerpelijke of schadelijke inhouden moeten tegenhouden.

Veilig ICT-gebruik is een complex gegeven en omvat meer dan dat. Er is ook de kwestie van auteursrechten, van technische zaken zoals spam, virussen, spyware en andere troep. Veilig ICT gaat ook over een gezonde computerplek. Vanwaar telkens die engere focus op schadelijke inhouden?

Het begint al bij de naam: het is niet Safe Internet Day, maar SafER Internet Day. Daarmee wordt gesuggereerd dat het internet feitelijk onveilig is. Ik vind dat een slecht onderbouwde aanname. Elke technologie kan ten goede of ten kwade gebruikt worden. Dat er misbruik kan zijn en ook is, hoeven we niet te illustreren, maar voor het overgrote deel gebruikt de gemeenschap het internet precies waarvoor het is bedoeld: om te communiceren, om informatie van allerlei aard uit te wisselen, om met een groep gelijkgezinden een online game te spelen, om zaken te delen of te verhandelen.

Morele paniek

Is die enge focus op de mogelijk schadelijke invloeden van internetcommunicatie niet eerder een vorm van morele paniek? Internet is in geen tijd deel gaan uitmaken van de jongerencultuur. Gemiddeld spendeert een twaalf- tot achttienjarige anderhalf uur per dag aan activiteiten op internet. 95% van alle vijftienjarigen heeft thuis toegang tot pc en internet. Meer dan vier op vijf jongeren chat minstens een keer per week. Meer dan de helft van de zestienjarigen downloadt elke week muziek of films van het internet.

Veel ouders vragen zich af wat jongeren in godsnaam uren op die computer zitten te doen. Wel, ze communiceren. Ze kletsen gewoon. Ze lossen huistaken op en praten over wat er in de klas gebeurde. Of ze babbelen gewoon over niks. Als er maar contact is. Ze testen uit hoe anderen op hen reageren – een stap in hun zoektocht naar persoonlijkheid en identiteit. Chatten is ook een graadmeter voor hun populariteit: het gaat erom zo veel mogelijk chatvrienden te hebben. De digitale wereld betekent voor heel wat jongeren een andere en bredere waaier van mogelijkheden tot experimenteren. Alles gebeurt sneller, is anoniemer, toegankelijker. De kansen voor nuttige experimenten liggen dus voor het grijpen.

Natuurlijk gebeuren er ongelukken in de digitale wereld. Precies zoals in de gewone wereld. De media laten niet na om dergelijke ongelukken dik in de verf te zetten. Ouders en opvoeders merken bovendien al heel vroeg dat ICT zeer sterk deel uitmaakt van de kinder- en jongerencultuur, terwijl ze er zelf op technisch vlak veel minder van afweten. Enerzijds wordt de computer ingeschakeld om kinderen ‘rustig bezig te houden’, anderzijds creëert het gebrek aan eigen computervaardigheden een extra angst om de controle over hun kinderen kwijt te raken. De overdreven aandacht in allerlei media en het gebrek aan eigen vaardigheden versterkt de foute perceptie dat de virtuele wereld wel een erg gevaarlijke plek is.

Jongeren kritisch, weerbaar en alert maken

Belangrijk is dus dat jongeren kritisch, alert en weerbaar genoeg zijn om de verlokkingen van hen die het minder goed voorhebben te weerstaan. Knelt daar het schoentje? Geenszins. Het is ver zoeken naar jongeren die zomaar ingaan op het oneerbaar verzoek van een wildvreemde. Uit een onderzoek dat de VRT voor het programma koppen liet uitvoeren blijkt dat de Vlaamse jeugd overwegend gezond reageert op seks op internet. Een jongere op vier kreeg het voorbije jaar wel eens een seksuele getinte vraag. Maar de grote meerderheid (7 op 10) vindt dit niet tof en slechts 23% antwoordt ook op dit soort vraag. Als ze antwoorden, gebeurt dit omdat ze de gesprekspartner vertrouwen of omdat ze er verliefd op zijn (56%). Vier jongeren op tien reageren omdat ze dat spannend of leuk vinden. Acht jongeren op honderd kregen ook de vraag om iets seksueels te doen voor de webcam. Twee ondervraagde jongeren uit de steekproef toonden ook effectief geslachtsdelen. Dat waren jongens uit de leeftijdsgroep van 17 tot 18 jaar die dat ‘spannend’ vonden. Acht meisjes (1,5%) zetten het voorbije jaar wel eens sexy foto’s van zichzelf online.

Is er dan helemaal geen opdracht voor ouders, leerkrachten en opvoeders? Zeer zeker, weerbaar, alert en kritisch word je immers niet vanzelf. Betrokkenheid van opvoeders en ouders bij de (ICT-)activiteiten van jongeren is daarvoor een randvoorwaarde. Het punt is dat niemand er aan denkt zijn kinderen alleen achter te laten in een speeltuin, waarom dan wel in de virtuele speelruimte? Als tienjarigen op hun kamer een PC hebben staan en daar zonder enige controle met een paar muisklikken het web op kunnen, moeten we niet verbaasd zijn dat die kinderen vatbaar zijn voor allerlei misbruik.

Voor alle duidelijkheid: Internetfilters die schadelijke inhouden moeten tegenhouden of software die het internetgedrag van de gebruiker opvolgt zijn geen alternatief voor ouderlijke betrokkenheid. Geen enkele filter is immers waterdicht en in veel gevallen zeilen de jongeren er zelf in een mum van tijd omheen. Filters creëren bovendien de gevaarlijke illusie dat technologie de opvoedende taak van ouders zou kunnen overnemen. De virtuele ‘netnanny’ houdt ons kind wel in het oog. Niet dus. Betrokkenheid houdt in de eerste plaats in dat je weet waarmee je kinderen bezig zijn en verder dat je daarover ook met hen in dialoog treedt.

Naast betrokken zijn, moet je als leraar en ouder jongeren mee motiveren om grenzen te stellen en risico’s te vermijden. Pubers kunnen een pesthekel hebben aan de regels en grenzen die volwassenen hen opleggen, maar diep in hun hart hebben ze er ook ontzettend behoefte aan, stellen Justine Pardoen en Remco Pijpers in ‘Verliefd op internet’.

Je behoedt leerlingen op de speelplaats voor vechtpartijen, pesterijen.. In het park hou je in het oog dat waaghalzerij niet tot ongelukken leidt. Je leert je kinderen veilig de straat oversteken. Leer ze ook veilig surfen.

Auteur: Jan

Studeerde Moraalwetenschappen te Gent. Werkt sinds 1998 op het departement Onderwijs en is er verantwoordelijk voor de coördinatie van het ICT-beleid. Is afgevaardigde van de Vlaamse overheid in het European Schoolnet en de werkgroep DELTA van de Europese Commissie.

2 gedachten over “Bedenkingen naar aanleiding van de Safer Internet Day”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.