Verderstuderen na technisch onderwijs: enkele ervaringen
De discussie laait geregeld weer op in de opiniepagina’s van de kranten waardoor het daar al bijna een vaste waarde begint te worden, een echte klassieker, zeker in komkommertijdperk. Elke nieuwe minister van onderwijs plaatst de herwaardering van het technisch onderwijs en het terugdringen van het watervalsysteem steevast ergens bovenaan zijn/haar todo-lijstje. Objectieven worden opgesteld en plannen gemaakt. In de praktijk verandert er echter niet altijd veel. Nog steeds heerst er de opinie dat je je middelbare studies bij voorkeur aanvat in het Algemeen Secundair Onderwijs, om indien dit niet zou lukken, af te zakken naar het Technisch Secundair Onderwijs en desnoods te eindigen in het beroeps. Het technisch onderwijs wordt in deze zienswijze (nog steeds) schromelijk onderschat, en dan zeker richtingen zoals industriële wetenschappen, elektromechanica of elektriciteit-elektronica die alle toekomstkansen als kenniswerker bieden en gericht zijn op verderstuderen.
Een recente tekst die mij op een aparte manier aansprak, is deze van Izegemnaar Kurt Himpe. De tekst werd gepubliceerd in Psychologos, het tijdschrift van de Belgische Federatie voor Psychologen (2007, jaargang 22, nr. 4) en is integraal te lezen op de website van N-VA. Vooral volgend citaat deed bij mij een belletje rinkelen:
In een opiniestuk stelde hij (Marc Verminck, red.) dat het hoger onderwijs voor de meeste leerlingen uit het technisch onderwijs niet haalbaar is. Dat is wel heel ongenuanceerd.
Heel wat technische opleidingen zijn specifieke vooropleidingen voor het hoger onderwijs: industriële wetenschappen, elektromechanica, elektriciteit-elektronica. Deze hoogwaardige studierichtingen zomaar afschrijven is meer dan een onderwaardering van de kwaliteitsvolle opleiding in technische scholen.
Dat er nood is aan degelijke informatie over de slaagkansen in het hoger onderwijs na een technische of beroepsopleiding is correct. Die taak is in de eerste plaats weggelegd voor het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en de scholen zelf.
De nagel op de kop, als je ‘t mij vraagt! Ik heb zelf vier jaar TSO gevolgd, Industriële Wetenschappen bij Don Bosco in Gent. Een fijne tijd, maar waar ik nu echter nog steeds koude rillingen van krijg, is de mentaliteit die daar heerste. Niet enkel onder de leerlingen die zichzelf als “afzakkertjes” zagen van het ASO op weg naar een gemakkelijker richting, maar vooral onder de leerkrachten. Men raadde iedereen daar graduaat aan (om de wiskunde te vermijden, terwijl men in IW 8u wiskunde had) of een zevende jaar. Direct de studies industrieel ingenieur aanvatten was voor de uitzonderingen, en burgerlijk was al helemaal uit den boze. Dit terwijl de richting IW eigenlijk vooral bedoeld is als voorbereiding op hoger onderwijs, in het bijzonder (industrieel/burgerlijk) ingenieur. Het meest hallucinante voorbeeld was echter de vrouw van het (toenmalige) PMS die kwam spreken over de keuzemogelijkheden in het hoger onderwijs: veel info over graduaat, een beetje over industrieel ingenieur, maar op mijn vraag “hoe zit het met burgerlijk ingenieur” kwam een beschamende “euh, dat is aan de universiteit zeker?”
Ook de universiteiten stappen echter mee in dit verhaal. Ik ben anderhalf jaar geleden afgestudeerd als burgerlijk ingenieur, in de voorziene tijd van vijf jaar, maar heb in mijn laatste jaar IW nooit enige vorm van informatie ontvangen van eender welke universiteit, terwijl de brievenbus overliep met info over alle mogelijke graduaatsopleidingen en af en toe een folder over de opleiding industrieel ingenieur. Dit ondanks het feit dat ik IW nog steeds een fantastische voorbereiding vind voor studies burgerlijk ingenieur: ik heb op vele vlakken een voorsprong gehad op mijn jaargenoten, die bijvoorbeeld nog nooit van een condensator of drijfkracht of materiaalspanningen/sterkteleer gehoord hadden. Allemaal zaken die ook op de universiteit terugkwamen, weliswaar in meer theoretische vormen.
Vorig jaar had ik hierover dan ook een gesprek met de PR-verantwoordelijke van de faculteit Ingenieurswetenschappen. Met de problematiek van de sterk gedaalde slaagcijfers na het afschaffen van het toelatingsexamen en de politiek van de outputfinanciering in het achterhoofd, was hij er helemaal niet voor te vinden om laatstejaars IW, laat staan andere leerlingen uit TSO, te voorzien van promotiemateriaal voor de opleiding burgerlijk ingenieur. Dit terwijl er een groot tekort is aan ingenieurs en men wel nog volop ASO-leerlingen bestookt met als gevolg dat mensen uit pakweg Latijn-Wetenschappen tot zelfs Grieks-Latijn instromen en zich reeds na de eerste lesweek hopeloos verloren voelen. Vragen over wat pakweg die complexe i wil zeggen tijdens de practica van de wiskundevakken zijn geen uitzondering meer.
Een ander verhaal heb ik van iemand uit het gemeenschapsonderwijs die IW gevolgd heeft aan het KTA van Herzele. Terwijl bij ons in de verste verte geen meisjes te vinden waren en de technische school en zeker IW een mannenbastion waren, was daar veeleer sprake van een evenwicht. De leerkracht wiskunde wou ook niet liever dat ze voor industrieel ingenieur gingen, en begeleidde zelfs heel serieus de enige klasgenote die ging voor burgerlijk ingenieur. Compleet anders dan wat ik meegemaakt heb dus. Die persoon verwijst hiervoor naar het verschil in mentaliteit tussen het GO! en het katholieke net, maar zelf heb ik daar niet direct meer aanwijzigingen voor. Hoewel we daar met de uitspraken van topvrouw Mieke Van Hecke hierover (ze betwijfelt of TSO- en BSO-leerlingen even goede leraars kunnen worden als leerlingen die een ASO-opleiding volgden, cfr hier) niet echt van zouden verschieten.
Veralgemeningen hierin zijn natuurlijk uit den boze, het zijn eerder individuele ervaringen. Zo wist Kurt Himpe me te melden dat hoewel in het VTI Izegem het aantal leerlingen in de vooropleidingen hoger onderwijs (EM, IW, EE) daalt, er een zeer nauwe samenwerking is tussen de school en de hogescholen en universiteiten en er serieuze inspanningen geleverd worden om het niveau daarvan zeer hoog te houden, ondermeer door via de terugkomdag van oud-leerlingen de lacunes in de vooropleiding te proberen opvangen.
Als besluit kunnen we stellen dat daar waar men het bij de herwaardering van het TSO steeds heeft over het imago naar ouders en toekomstige leerlingen toe, waarbij men het niet schuwt om cliché’s à la “met handenarbeid verdien je ook je boterham” in de mond te nemen terwijl ex-TSO’ers massaal gezocht worden als hoogopgeleide technici en operatoren en echt niet steeds hun handen hoeven vuil te maken, men vergeet steevast dat het niet de minister is die dergelijk imago creëert, maar vooral de andere actoren uit het onderwijsveld: scholen, scholengemeenschappen en de instellingen voor hoger onderwijs. Hun uiterst belangrijke rol hierin mag zeker niet onderschat worden. Een en ander zou volgens mij al ferm helpen mochten de leerlingen ASO meer in contact komen met hun TSO-collega’s en niet in afgescheiden scholen zitten. Nu lijkt het alsof TSO niets te maken heeft met ASO, maar eerder in een BSO-sfeertje hangt waar je een uitstekende stielman wordt. De door Kurt aangehaalde proeftuinen, waar leerlingen niet meer in ASO-, TSO- of BSO-hokjes worden maar er gewerkt wordt met belangstellingsgebieden waar bijvoorbeeld de vroegere studierichtingen handel (TSO) en economie (ASO) onder de noemer “economische vorming” vallen, lijkt me alvast een goede zaak en een pad dat verder moet betreden worden.
Heeft u eigen ervaringen en suggesties hierover? Aarzel dan vooral niet om een berichtje na te laten in de commentaren hieronder.
In een opiniestuk stelde hij (Marc Verminck, red.) dat het hoger onderwijs voor de meeste leerlingen uit het technisch onderwijs niet haalbaar is. Dat is wel heel ongenuanceerd.