Hoe sterk is mijn school?

Hoe sterk is mijn schoolDankzij twee Canadezen die een tijdje geleden de ‘shut down’-dag organiseerden (één dag zonder computer), heb ik me kunnen verdiepen in het studieboek ‘Hoe sterk is mijn school?’ – ‘ Het beleidsvoerend vermogen van Vlaamse scholen’, (Uitgeverij Wolters Plantyn) van de promotoren Peter Van Petegem, Geert Devos, Paul Mahieu, Thu Dang Kim (Onderzoeksgroep Edubron) en Veronique Warmoes (Vlerick Leuven-Gent). Het is een coproductie van deze uitgeverij (Professionele informatie), met Edubron en Management School, Vlerick Leuven-Gent. Het is het resultaat van het onderzoek dat gevoerd is in opdracht van de vroegere Vlaamse minister van Onderwijs, Marleen Vanderpoorten (2000). (ISBN-10: 9030190035)
In een eerste hoofdstuk worden vanuit vroegere onderzoeksresultaten de definities van begrippen duidelijk omschreven. Wat verstaat men onder beleidsvoering, beleid, beleidsuitvoering, beleidsruimte en -benutting? Aan de hand van de typologieën van Vlaamse en Nederlandse scholen komen de auteurs tot een aantal organisatie-indicatoren van een beleidsvoerend vermogen: doelgerichte en gedeelde visie, leiderschap, openheid voor innovaties, participatie van leerkrachten in de besluitvorming, professionele samenwerking van leerkrachten, responsiviteit en reflecterend handelen. Dat dit laatste element heel belangrijk is, blijkt alvast uit de titel van het boek: ‘Hoe sterk is mijn school?’, of het stellen van de vraag als eerste aanzet tot het zelfevaluerend handelen.

…’Een professionele school hangt nauw samen met het uitwerken en ontwikkelen van een schoolvisie, responsiviteit en een reflecterend handelen en het openstaan voor vernieuwingen binnen de school.’ (p. 18) Uit onderzoek blijkt dat scholen die erin slagen een expliciete visie te ontwikkelen zonder veel interne conflicten een belangrijke stap zetten en de ontwikkeling van een coherent beleid.’ (p. 20)

Bij het reflecterend handelen leggen de auteurs sterk de nadruk op de sociaalconstructivistische visie (Verschaffel en Decorte): leren is constructief, cumulatief, zelfregulerend, doelgericht, gesitueerd of contextgebonden en verloopt interactief en coöperatief. Dit zal trouwens later in het boek nog beklemtoond worden door het in de verf zetten van het belang van netwerken.

Innovatieve scholen zijn open scholen. Ze stellen zich open voor nieuwe ideeën, ze staan open voor veranderingen en kijken tevens naar de toekomst. (p. 27)

Het is belangrijk aan te geven ‘dat bij kenmerken van een goed leiderschap (Devos, p. 30) de schoolleiders steeds rekening moeten houden met het spanningsveld van de controle van leerkrachten, de autonomie van de leerkracht en de samenwerking tussen leerkrachten en de directeur.’

De rol van het schoolbestuur, de inrichtende macht of scholengroep, het middenkader en de scholengemeenschap spelen eveneens een rol in de beleidsvoering van de school. Maar de auteurs leggen de nadruk op de kenmerken van de netwerken en de voor- en nadelen ervan. De auteurs geven een definitie van netwerken uit eigen onderzoek. (p. 58). Ze geven ook een aantal internationale en Vlaamse netwerken die onder de definities sorteren (o.a. Comenius 3 netwerken, Verenigingen Leraren Aardrijkskunde, de koepels, ENIS – ondertussen een proeftuin geworden.)

In de hoofdstukken 2 tot 5 wordt de methologie van het onderzoek (literatuurstudie, casestudie, steekproeftrekking, panelgesprek, analysekader) uitvoerig beschreven. Volgen drie hoofdstukken over de kwalitatieve en kwantitatieve analyse en een waargave van de panelgesprekken. Aan de hand van de tien dragers voor het beleidsvoerend vermogen worden een aantal concrete scholen onder de loupe genomen.

Beleidsaanbevelingen

Het is opvallend dat de meeste aanbevelingen gericht zijn aan de overheid. De overheid moet volgens de auteurs het beleidsvoerend vermogen van de scholen in kaart brengen, o.m. door de overheidsinspectie (doorlichtingen). Er wordt gesuggereerd dat deze studie daarbij het uitgangspunt zou kunnen zijn – wat ongetwijfeld een goede suggestie is. Dit moet leiden naar een maatschappelijk debat met allerhande onderwijsactoren (ouders, leerkrachten, leerlingen, vakbonden, beleidsmakers, scholen…) over de ‘bandbreedte van het beleidsvoerend vermogen’ (p. 343). Er wordt gepleit voor een begeleiding van scholen met een laag beleidsvoerend vermogen als de inspectie moet ingrijpen. Voor de professionaliteit van het schoolleiderschap kan de overheid de bestaande opleidingen accrediteren. De auteurs trekken ook de kaart van de scholengemeenschappen om de professionaliteit van de scholen te verhogen – maar er zijn een aantal voorwaarden aan verbonden opdat de scholengemeenschappen die rol zouden kunnen waarmaken. (p. 347) Ten slotte wordt een pleidooi gehouden om leerkrachten geheel of gedeeltelijk lesvrij te maken om het ondersteunend middenkader tot gedeeld leiderschap te brengen.

De aanbevelingen aan het adres van de scholen zelf vallen onder het begrip zelfevaluatie: de scholen zijn zelf verantwoordelijk voor hun beleidsvoerend vermogen. De instrumentaria die in het boek aan bod komen, kunnen in elke school op een eenvoudige manier intern gebruikt worden. Ook goede praktijkvoorbeelden kunnen door de overheid beschikbaar gesteld worden.

Een andere aanbeveling is de verdere professionalisering van het schoolbestuur. Hierbij komen bij een selectie van directies de al geciteerde kenmerken als basis, met het blijvend opvolgen en begeleiden door het schoolbestuur doorheen de loopbaan. De laatste zin van het boek brengt ook het belang van de verantwoordelijkheid van de leerkracht in het totaalbeeld:

Een grotere betrokkenheid van leerkrachten bij de organisatie kan de beleidsvoering ten goede komen. (p. 351)

De uitgebreide bibliografie staaft de degelijkheid van de onderbouw van deze indrukwekkende studie.

Evaluatie

Dit is volgens mij een standaardwerk dat in geen enkele bibliotheek van een school mag ontbreken – in minstens twee exemplaren: een voor de directie en een voor de lerarenkamer. Zeker ook niet in de hogescholen voor leerkrachtenopleidingen. Ik zou zelfs zeggen: verplichte lectuur voor iedere collega die zijn of haar taak als lesgever in een groter geheel wil zien. Ik denk aan leerkrachtencoaches die hun collega’s als actieve deelnemers van een netwerk kunnen opleiden. Als scholen op zoek zijn naar onderwerpen voor hun pedagogische studiedagen, dan ligt deze studie als concreet uitgangspunt voor een interne evaluatie voor de hand. In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksvragen letterlijk gesteld.

Het boek kan een aantal mogelijke lezers afschrikken omwille van de dikte van de publicatie en het theoretisch gehalte. Ik zou alvast aanraden het eerste hoofdstuk grondig door te nemen. Kies daarna een case (lager onderwijs, secundair onderwijs) volgens de grootte van je school, en neem het laatste hoofdstuk helemaal door. Misschien heb je dan ook echt de smaak te pakken om de andere hoofdstukken te lezen.

Uit deze publicatie een brochure destilleren die geschreven is naar de leerkrachten toe, zou natuurlijk een mogelijke oplossing zijn om de ‘leesvrees‘ bij de leerkrachten te overwinnen. Zij hebben immers nu al zoveel werk op de planken om in hun klassen hun eerste bekommernis, namelijk lesgeven, waar te maken. Maar ‘Hoe sterk is mijn school?’ is een must voor elke verantwoordelijke van beleidsvoering in de school en de scholengemeenschap.

Meer info: “Hoe sterk is mijn school?”. P. Van Petegem, G. Devos, P. Mahieu, T. Dang Kim, V. Warmoes; Wolters Plantyn, ISBN 9030190035. 

Auteur: Dirk Rommens

(Moen, 19 januari 1949) Tot 2004 leraar Nederlands-Engels aan het Spes Nostra Instituut in Kuurne. Vanaf 1 september 2004: Halftijdse detachering Departement Onderwijs voor KlasCement. Halftijds ICT-coördinator (didactiek) Scholengemeenschap O.L.V. Groeninge. Website: http://www.dirk-rommens.be Blogs en artikels in COS, VONK, KlasCement.

3 gedachten over “Hoe sterk is mijn school?”

  1. Als auteur van het boek kan ik meegeven dat leerkrachten en schooldirecteurs wel degelijk beroep kunnen doen op een brochure (50 pagina’s).

    Deze brochure kan trouwens gratis gedownload worden via de website http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties

    titel: Beleidsvoerend vermogen van Vlaamse basis- en secundaire scholen, P. Van Petegem, G. Devos, T Dang Kim & V. Warmoes (2006)

  2. Mijn eigen ervaring als voorzitter-ouder van een Freinetschool toont dat je ook best ouders bij de beleidsvoering van een school kan betrekken. In ons geval voeren ouders en leerkrachten samen – en in evenwicht – het beleid van de school, en zijn wij samen de inrichtende macht. De verantwoordelijkheid bij een directie leggen is soms wat te makkelijk, lijkt me.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.