Kennis en Vaardigheden

Een ICT-collega uit Brugge start een e-mailactie en heel het onderwijs staat op zijn kop. Iedereen kan zijn zeg doen: de welles-nietesbeweringen worden lustig in het rond gestrooid. We zijn heel vaardig om uit de losse hand te beweren dat het onderwijs de mist ingaat of daarentegen de redding van het menselijke brein is… De kennismaatschappij staat aan de rand van de afgrond, als we deze collega moeten geloven. We hebben teveel vaardigheden met – ja waarmee???

Nu heeft zo’n discussie toch niet meteen met kennis van zaken te maken: op grond van eigen ‘bewijzen’ kom je niet tot een deftige discussie, maar tot gelijkhebberij. Je moet hier toch wel even je kennis bijspijkeren om tot degelijke conclusies te komen.

Echter… bestaat zo’n objectieve benadering bij de betrokkenen die we wel allemaal op de een of andere manier zijn: leerling, ouders, collega’s, ex-collega’s, ex-leerlingen, instanties…? Het komt erop neer dat iedereen wel zijn zegje heeft: onderwijs is een zaak van alle mensen, en niet alleen van de leerkrachten! Iedereen spreekt vanuit zijn eigen ervaringen, vooral die van vroeger… die goeie ouwe tijd, weetjewel!

ICT als hulpmiddel om kennis te verwerven

Laten we dus eerst onze kennis opbouwen van wat ‘kennis’ eigenlijk is, vooraleer we tot een discussie kunnen overgaan. Aangezien de Brugse collega ICT-coördinator is, stel ik me de vraag of het misschien ook de schuld is van ICT dat de kennis bij de jongeren achteruitboert? Ik heb altijd gedacht dat het gebruik van ICT de kennis bij de leerlingen vergroot…

Ik ben er nog altijd van overtuigd. ICT is een ideale hulp om bij voorbeeld woordenschat en spelling in te oefenen! Het is des te bedroevender dat precies een ICT-coördinator ervan uitgaat dat het gebruik van de computer ertoe zou leiden dat ICT nefast is voor de kennisopbouw bij onze leerlingen.
Ik beschreef een taalles in het tijdschrift COS ‘Computers op School’ en in mijn edublog waarin communicatie (vaardigheid) hand en hand gaat met kennis (inoefenen van woordenschat en spraakkunst met hotpotoefeningen). In plaats van het steriele inoefenen van woorden in lijstjes zoals dat vroeger het geval was, krijg je dank zij de computer de woorden in zinsverband, door elkaar, mondeling of schriftelijk ingeoefend, zelfs voorzien van tekeningen en geluid. Dit is toch een ongelooflijk handige manier om je kennis bij te spijkeren, je woordenschat actief in te oefenen?

Een citaat uit ICT en Moderne Talen: van theorie naar praktijk: (Uit te breiden tot alle talen, ook klassieke talen, want ook voor dit vak hebben leerkrachten digitale oefeningen).
«

Taal is communicatie, dus leerlingen zitten met zijn tweeën aan één scherm, en niet alleen; de gebruikte taal is uiteraard het Engels. Ik maakte een hele reeks HotPotatoesoefeningen die ze per twee mondeling/schriftelijk maken. Voor woordenschatoefeningen zijn invuloefeningen heel dankbaar: laat ze de oefeningen samen maken, met een beurtsysteem, zodat er ook voor hen afwisseling in zit. Voor zinstructuuroefeningen, maar ook voor bij voorbeeld het inoefenen van de hoofdtijden, zijn de flashcard-oefeningen heel geschikt. Ook hier kunnen de leerlingen om beurten de zinnen lezen en de oplossingen geven. Leuk vinden ze ook om eens ‘tegen elkaar te spelen’, en ze vinden het nog plezanter als ze ervaren dat ze er echt op vooruit gaan.
– Maak ook duidelijke afspraken: je kunt er ook een test van maken. Als leerlingen goed geoefend hebben, kunnen ze je ‘vragen’ om eens een score te geven. Dan hebben ze de leerstof op hun eigen tempo verwerkt – als dit geen gedifferentieerd onderwijs is! En ja, de cijfers zullen hoog liggen – het kan toch niet de bedoeling zijn dat de leerlingen falen? En zorg voor extra-oefeningen. Vergeet ook niet dat leerlingen die het al goed kunnen, graag de anderen zullen helpen. Op die manier creëer je een echte ‘leersfeer’. Leren aan elkaar – er bestaan moeilijker woorden voor!
– Tja, wat doet de andere groep ondertussen? Terwijl de eerste groep leerlingen ‘driloefeningen’ maken – maar nu met veel meer afwisseling dan in het vroegere taallabo – toegespitst op een deelaspect van de leerstof, kun je met de tweede groep communicatief te werk gaan: wat je in de vorige les hebt laten inoefenen, komt nu bij voorbeeld in een gesprek van pas. Daarbij kun je je aandacht toespitsen op precies dat deel van de leerstof wat ze onder de knie zouden moeten hebben.
Dit communicatieve deel is de kroon op het werk: allerlei opdrachten komen aan bod, steeds per twee, met de leerkracht als ‘medespeler’, die niet als een hakbijl elke fout afstraft, maar positief luistert naar wat de leerling goed doet. Beter is het op het einde een uitnodigende opdracht te geven dan het als ’straf’ op te leggen. Het is een minderheid van leerlingen die van kwade wil zijn, en niet echt willen bijleren – wat men ook zegt over de zogenaamde aversie voor ’strevers’.

»

Ik vraag me af op welk vlak in de bovenstaande beschrijving kennis niet aan bod zou komen. Integendeel, kennis is geïntegreerd in de echte functie van taal: communicatie.

Dit is een oproep om ICT nog méér en beter te integreren in het lesgebeuren. De mogelijkheden van het gebruik van de computer in de lessen worden nog te weinig gebruikt. Laten we de discussie ook niet verengen tot de ‘schoolse’ kennis in de ‘oude’ betekenis van vijftig jaar geleden. We leven in de maatschappij van nu, met andere (betere? slechtere?) verwachtingen naar de school toe. De vraag of kennis achteruitgaat is te complex om in een half uur te beantwoorden, ook niet in een TV-reportage.

Ik zag de Koppen-benadering (dinsdag 13 december 2006) van het ‘gesprek van de maand’: een test van een ex-leerkracht Nederlands die nu eens een dt-test zou geven van vroeger, zie, waar je tachtig procent moest op halen. Het gemiddelde anno 2006 was 20/30 – bijna onderscheiding… Met de ontnuchterende constatering van de leerkracht: ja, maar die tien fouten zijn er teveel aan! Een leerlinge had de moed om te zeggen: ‘Ja, maar we oefenen er nog altijd op.’ Men vertrok ook blijkbaar van het standpunt alsof volwassenen (ook leerkrachten) geen dt-fouten maken! Hier hebben we ook te maken met de overstress op spelling als onderdeel van taal. Ik kan de dt-fouten in e-mails niet meer bijhouden, en die komen heus niet van tieners… De collega’s die aan het woord kwamen, waren het hoorbare bewijs hoe weinig aandacht er vandaag uitgaat naar correct taalgebruik en uitspraak – dikwijls ook streekgebonden, want we willen nu echt wel ‘Vlaams’ spreken… maar dat is een andere discussie…
Als dit de bewijsvoering moest worden om aan te tonen dat kennis achteruitgaat, dan vertrekt men al van een verkeerd gegeven. Immers, hier wordt net een vaardigheid getest: hoe en wanneer pas ik die regel (kennis) toe om te weten te komen of een werkwoord met d of t of dt geschreven wordt (vaardigheid). In zo’n test zijn net kennis en vaardigheid gecombineerd! Ook hier raad ik de Koppenmakers aan hun huiswerk beter voor te bereiden, eens een didactisch naslagwerk te raadplegen; daarna kunnen ze ook eens een hotpotoefening op de werkwoordsvormen maken, en zien hoe goed zij wel zijn.
En geen enkel kritische bedenking (= vaardigheid) bij deze reportage. Nee, de typisch democratisch interviewmethode: de stem van het volk! Laat zeker geen deskundigen aan het woord – want die weten te veel. Zij putten teveel uit hun kennis! Het medium televisie verwijt het onderwijs dat zij de leerlingen dom willen houden…

Niveau, dames en heren van Koppen! Eerst je eigen kennis bijspijkeren vooraleer je het onderwijs lessen wil leren!

Leerkrachten staan voor enorme uitdagingen

Is het dan allemaal rozengeur en maneschijn in het onderwijs? Zeker niet. Ik beperk me tot de verwachtingen die de maatschappij het onderwijs ‘oplegt’ op het vlak van informatica en communicatie – ICT dus.

In de hele discussie over kennis en vaardigheden vergeet men te vaak dat oudere leerkrachten steeds opnieuw een plaats moeten weten te vinden in het hele onderwijsproces. Het is begrijpelijk dat er wordt teruggegrepen naar zekerheden om ergens houvast te vinden in deze zo veranderlijke maatschappij met de noodzaak tot vernieuwing. Och, waren er maar de vaste regels en vaststaande feiten (van vroeger). Toen wisten we nog welke regels en begrippen we moesten aanleren.

Nu surfen de leerlingen op het internet om antwoorden te vinden op vragen van de leerkrachten. I.p.v. regeltjes te leren hoe je een woord spelt, surfen ze naar http://woordenlijst.org en ze zien meteen de juiste spelling. (Ik pleit schuldig: doe ik ook telkens als ik twijfel – wat een comfort, wat een zalige vaardigheid!)

In het speciale ICT themanummer (december) van VONK (het tijdschrift van de Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands) benader ik het gebruik van het internet in het onderwijs.

Ik citeer hier mijn samenvatting over het Selecteren van bronnen:

«
Uitgaande van verkeerde veronderstellingen kan een leerkracht een minderwaardigheidscomplex cultiveren en ervan uitgaan dat zijn leerlingen een gave hebben om de internetwereld te verkennen waar hij geen of minder affiniteit mee heeft vanuit zijn eigen opleiding.
Veronderstellen dat het internetgebruik automatisch het leren bevordert, blijkt uit onderzoek niet zo vanzelfsprekend te zijn: kinderen kunnen wel het technische aspect oppervlakkig onder de knie hebben, inhoudelijk hebben zij zeker hulp nodig om uit het grote aanbod van ‘kaf’ het ‘koren’ te onderscheiden. Het leren via het internet is bovendien ook niet zo vanzelfsprekend, want het beklijvende leren is meer dan het zoeken naar prentjes en het kopiëren en plakken van teksten. Daar is jammer genoeg nog te weinig onderzoek naar gedaan.
Toch is een didactisch streven een noodzaak in het huidige informatieaanbod. Daarbij is de leerkracht een goede richtingaanwijzer op voorwaarde dat hij zelf de nodige ervaring opdoet om vanuit deze zoektocht op een adequate manier het web te verkennen. Daarbij kan hij ondersteuning krijgen en zich laten leiden door een aantal concrete aandachtspunten om het web te doorgronden; aangezien ook andere instanties en collega’s al een weg hebben afgelegd, kan hij een beroep doen op de expertise van deze ervaringen.
Door zelf op een gedegen manier samen te zoeken met zijn leerlingen naar concrete peilpunten en die te toetsen op resultaten van collega’s kan hij een expertise opbouwen om de generatie van jonge gebruikers adequaat te begeleiden op hun zoektocht op het internet. Daarbij zijn voorbeelden van ‘good practice’ haalbare stappen naar kennisuitbreiding bij de leerlingen via het internet.
»

Het aanbrengen van kennis is dus in die mate gewijzigd dat je de methodiek van het onderwijzen in vraag moet stellen. Je kunt nu eenmaal de didactiek van de jaren vijftig niet toepassen op het hedendaagse verwachtingspatroon van de jongeren en die van de maatschappij. Teruggaan naar het internaat van vroeger kan een leuk TV-programma opleveren (alhoewel, het origineel is een stuk beter dan het afkooksel dat we voorgeschoteld krijgen op onze Vlaamse zender), maar het zomaar opnieuw als hoogtepunt van goed onderwijs aanprijzen, is een foute redenering.
Ik hoop dat de critici met hun kennisdebat niet willen aantonen dat het vroeger allemaal zoveel beter was – vermoedelijk stond dat traditionele onderwijs toen als model in het pedagogisch denkmodel van toen. Ofwel gaat men zover om het democratiseringsproces als een slechte zaak te bestempelen, ons opgedrongen door de generatie van de jaren zestig…

Vragen zonder antwoorden?

Dit brengt ons terug bij het begin van de discussie: wat wordt bedoeld met ‘kennis’?
Gaat het over de kennis van vroeger? Is de kennis van wat jongeren nu ook buiten de school verwerven volgens die norm waardeloos?
Als er dan al vaardigheden ‘aangeleerd’ worden, bekijkt men die dan als ‘minderwaardig’?
Wat zijn de concrete kennistekorten en hoe ga je die concreet als leerkracht aanpakken?
In hoeverre heeft onze collega die de kat de bel aanbond zelf stappen gezet om het kennistekort aan te vullen, of zijn het de anderen die de schuld dragen?
Is het net geen teken van uitgeblust gevoel dat iemand het allemaal zo slecht vindt?
Kan een leerkracht die zo gefrustreerd is in en door zijn beroep nog functioneren en zijn leerlingen ‘begeesteren’ om te leren?
Kon hij als ICT-coördinator zijn collega’s niet motiveren door zelf voorbeelden aan te reiken van ‘hoe het moet’?
Heeft hij door zijn actie zijn doel bereikt, of zijn er concrete stappen gezet om zijn doel te bereiken?
Bezinnen we ons in het onderwijs enkel als een onderwerp hot is? Of zijn we bewust bezig met ons beroep dat toch altijd een roeping is?
Vinden we dat wezelf een goed evenwicht leggen tussen kennis en vaardigheden?
Vinden we de tekorten vooral bij de collega’s die te weinig eisen stellen, en zijn wij de redders van kennis in deze tijd van onzekerheden?
Zoeken we geen zekerheid in het quoteren van kennis om zo de moeilijk te evalueren vaardigheden te ontlopen?

Nee, dit is geen onderwerp om in één e-mail, lezers- of nieuwsbrief af te handelen, zeker ook niet aan de hand van dooddoeners (‘Leren leren: schrap de tweede keer ‘leren’, dixit Hullebus).
Dit is een totaaloefening in zelfevaluatie over onze ‘core business’: leerlingen ‘klaarstomen’ om in de maatschappij van morgen zichzelf te kunnen laten ontplooien, hen het bewustzijn meegeven dat het einddiploma een start is voor levenslang leren.

Dirk Rommens, 14 december 2006

Om de achtergrond van mijn denkpistes nog beter te begrijpen, verwijs ik naar  mijn tekst ‘ICT breekt niet echt door in het SO‘ (Ook verschenen in COS) op de blog van Klascement

Auteur: Dirk Rommens

(Moen, 19 januari 1949) Tot 2004 leraar Nederlands-Engels aan het Spes Nostra Instituut in Kuurne. Vanaf 1 september 2004: Halftijdse detachering Departement Onderwijs voor KlasCement. Halftijds ICT-coördinator (didactiek) Scholengemeenschap O.L.V. Groeninge. Website: http://www.dirk-rommens.be Blogs en artikels in COS, VONK, KlasCement.

14 gedachten over “Kennis en Vaardigheden”

  1. dank je wel, Dirk… interessante beschouwingen.
    Wellicht zag je ook het TIME coverartikel van deze week : “How to bring our schools out of the 20th century”
    ( http://www.time.com/time/magazine/article/0,9171,1568480,00.html – even de reclame bekijken en je mag gratis het artikel lezen (of betalen om te lezen zonder reclame)).

    Er wordt inderdaad nogal vaak zwart-wit gedacht over vele van deze zaken. En dan vergeten we nog dat je de ‘problemen’ in school niet kan en mag beperken tot de schoolmuren… We leren wel of niet omdat een leerkracht ons wel of niet kan boeien, maar ook omdat we ons wel of minder gesteund voelen thuis, omdat de maatschappij ons wel of niet beloont voor onze kennis/vaardigheden, omdat we wel of niet de tijd hebben ’s avonds om nog iets te doen voor school (ik hoorde net dat meer dan 50% van onze studenten een job-on-the-side bijhebben?)
    ‘Holistische’ oplossingen voor het probleem, zegt men wel eens. Maar dat maakt het helaas helaas erg moeilijk voor de leerkracht voor de klas die eigenlijk alleen (soms) kan bepalen wat er binnen zijn klasmuren gebeurt.

  2. Beste Maarten,

    Bedankt voor je reactie. Ik kon om de een of andere reden niet meteen de Time-bijdrage lezen. Ik hoop nog eens die op de kop te kunnen tikken. Heb ik het gevoel dat er gelijkenissen zijn met Vlaamse toestanden?

    Ik hoop dat ik de motivatie kan aanwakkeren om niet mee te doen met de stemmingmakerij dat we verkeerd bezig zijn?

  3. We leven in een tijd dat alles vlug moet gaan, want “Tijd is geld”. Zo ook met televisieprogramma’s, vandaar de navenante kwali-teit. En wat Jan Modaal op de straat (lees: in het café) zegt, wordt gemakkelijk begrepen en verkocht, want herkenbaar en doorspekt met halve waarheden. Het tekort aan “inhoudelijke kennis van het onderwerp” en het gebrek aan vaardigheden als “zich kritisch opstellen” maken dat realitysoaps of discussies als deze er als zoete broodjes ingaan… “Als het maar plezant of controversieel is…” Jammer. Gelukkig kruipen er nog mensen als Dirk in hun pen.

  4. Is het net geen teken van uitgeblust gevoel dat iemand het allemaal zo slecht vindt?
    Kan een leerkracht die zo gefrustreerd is in en door zijn beroep nog functioneren en zijn leerlingen ‘begeesteren’ om te leren?

    k kan helemaal niet goed overweg met mensen die beweren dat iemand uitgeblust is omdat hij durft een discussie op te starten tussen kennis en vaardigheden.
    . Me dunkt dat zo iemand nu net niet uitgeblust is omdat hij dit durft aan te kaarten. (een uitgeblust persoon zou gewoon weg niet eens reageren, brommen in zichzelf en blijven kritiek leveren maar zeker niet de moeite doen om deze discussie op te starten, veel te veel moeite nietwaar)
    Wie zijn wij, wie bent u, om dit zomaar te beweren.
    Los hiervan , kunnen we er helemaal niet om heen dat schrijfvaardigheden bij ons jeugdig publiek achteruit gaan. Hoe verklaart u anders fouten als ‘leidend voorwerp’ , bevool, beveelde en beviel als verleden tijd van bevelen?
    Kijk naar de sms taal en emailtaal (volledig fonetisch schrijven) en je hebt daar de kern van het probleem. En die taal is er maar gekomen door het gebruik van computer. Het moet allemaal vlug gaan nietwaar. Jongeren oefenen maw buiten de school niet meer in de taal die ze spreken. Er komt meer en meer een afscheiding tussen jongeren-schrijftaal en jongeren- spreektaal. Het juiste nederlands schrijven doen ze alleen nog maar in de school, daarbuiten is het de weg van de minste moeite. Met dan nog vele engelse woorden erbij, niet juist geschreven uiteraard, bv greetz .
    Kan ICT dit verhelpen? Tja, het is een werkvorm als een andere net zoals groepswerk,individueel oefeningen maken, oefeningen maken met 2 of met 3 of met een sterkere leerling, met oplossingsbladen enz enz.. Maar ICT alleen is niet zaligmakend, want je bent veel te veel afhankelijk van een machine : start de computer wel op? Is het internet wel beschikbaar? Is er niet teveel beveiliging zodat je nog nauwelijks iets kan doen op de computer? Werkt de printer ? enz. Veel te vaak heb je dan iets voorbereid tot in de puntjes en valt alles in duigen omdat de machines niet meewillen ! Dan zijn oefeningen op papier, al dan niet zelf gemaakt of aanwezig in werkboek of handboek nog altijd het meest betrouwbaar.

  5. Als taalleraar volg ik het discours van Dirk tot waar hij op de man begint te spelen. Voor mijn lessen Duits en Engels maak ik veelvuldig gebruik van ICT, steeds vertrekkend vanuit de eis tot efficiëntie. Zullen mijn leerlingen de leerstof beter onder de knie hebben dankzij ICT? – Ook bij mijn collega’s is er grote weerstand tegen de 60/40 verhouding tussen vaardigheden en kennis. Bij hen geen teken van burnout. Sommigen zijn strijdlustig en ‘burgerlijk ongehoorzaam’ en stellen complexe themazinnen (vertaalzinnen) op, vragen woordenlijstjes af zoals vanouds. Ik oordeel niet, ik stel alleen maar vast. Ik heb geen antwoord op de vraag: wat is efficiënter? Ik denk te weten wat voor de meeste leerlingen leuker is, maar ook niet voor allemaal; sterke ASO-leerlingen lijken meer te voelen voor het klassieke systeem; voor hen hoeft ook project-, hoeken- of groepswerk niet zo nodig, blijkbaar. Waar ik in elk geval ongelukkig van word, is de versnippering van het taalonderwijs in 4 aparte vaardigheden + woordenschat + grammatica, zowel in de leerplannen als in de evaluatie-eisen. Al jaren vind ik onze didactiek desbetreffend 10 jaar achterstand hebben op de Britse leerboeken waar geïntegreerd taalonderwijs wordt aangeboden. Maar goed, dat is een andere discussie.

  6. De spelling/Het taalgebruik gaat achteruit?
    Kom nou!

    Gisteren dit e-mailtje gekregen:

    “algemeene qwis werkt niet
    zow je dat kunnen vermaken ?”

    Collega’s, er is werk aan de winkel!

    Dirk

  7. Hmm… vele van die discussies over ‘de jeugd van tegenwoordig’ lopen vroeg of laat tegen het “ze kunnen niet meer schrijven, meneer” zinnetje…

    Ik erger me dood aan een dt fout, maar merk de laatste jaren dat ik er ook begin te maken (horror!). Een blogger zei me ooit ‘soms is het gewoon belangrijk om je boodschap snel te posten, en heb je geen tijd voor de vorm te verzorgen’. Ik kan het daarmee wel ergens eens zijn, maar merk toch op dat je het ‘verleert’ om keurig te schrijven als je het niet consequent altijd doet.

    Aan de andere kant: als ik zeur over dt-fouten dan vraag ik me soms wel eens af of dit wel zo eerlijk is, aangezien ik de laatste vier spellingshervormingen zelf overgeslagen heb. Wat was het voltooid deelwoord van ‘leasen’ nu weer? En hoe schrijf je panne(n)koek? Wie zijn wij om jonge mensen te bekritiseren over hun fouten tegen ‘oude’ regels, wanneer velen onder ons de nieuwe regels ook niet meer volgen.

  8. Ik had me eigenlijk voorgenomen om me in de hele discussie n.a.v. die mail van Hullebus niet te mengen. Tot ik jouw stukje proza las, Dirk. Eerlijk, uitvoerig, diepgravend. Dat mis(te) ik namelijk in de hele discussie tot hiertoe. We dreigden in een of-of-debat terecht te komen, terwijl we eigenlijk een en-en-dialoog nodig hebben. Kennis is nodig, vaardigheden zijn nodig.

    Maar goed, voor de media moet alles in een “thirty seconds quote” gebald kunnen, en liefst nog korter. Niet dat de media nu ineens de schuld van alles moeten krijgen, maar ook zij zijn medeverantwoordelijk voor het soms slordige taalgebruik bij “de gemiddelde Vlaming” (want slordig taalgebruik is geen alleenrecht van jongeren, laten we dat vooral niet vergeten).

    Wat ik bv. zelf al enkele keren gedaan heb, is studenten zelf hun criteria voor beoordeling laten aanhalen. Voor taalvakken valt het mij steeds opnieuw op dat ook zij spelling zeer hoog inschatten. We kunnen daar dus niet zomaar aan voorbijgaan. Zelfs al willen we het niet overbeklemtonen, het ís nu eenmaal belangrijk. Wie een dt-fout in zijn sollicitatiebrief schrijft, kan het op voorhand al vergeten. Laatstejaarsstudenten zijn zich daar overigens heel goed bewust van.

    Tot slot nog dit: ik weet niet of jongeren nu echt slechter kunnen schrijven dan 20-30 jaar geleden. Wat vroeger misschien niet in het openbaar kwam, wordt vandaag plots uitvergroot. Bovendien: meer mensen dan ooit hebben toegang tot middelen die hen in staat stellen om te schrijven. En die nieuwe “schrijvers” zullen heus niet allemaal spellingfanaten zijn…

  9. Guido, ik speel absoluut niet op ‘de man’. Ik probeer enkel te achterhalen wat de motieven waren om zo’n e-mail te versturen. Dat doe je toch niet zomaar. Ik kan toch niet anders dan me vragen te stellen? Ik ben zelf bijna 58, een leeftijdsgenoot van mijn collega. Ik vroeg me gewoon af hoe het komt dat hij zo denkt, en ik niet overtuigd ben van zijn stelling. Hij is het toch die met naam en achternaam zijn ideeën verspreidde? Toch niet een instantie? Het is een welbewuste keuze de discussie aan te gaan.

    ICT is een middel, geen doel. Dat is en blijft mijn stelling. Als je mijn andere blog leest op Klascement zul je zien dat ik je als taalleerkracht helemaal volg.

  10. Ik las net in het tijdschrift ‘ COS’ (december 2006) een interview met Mathieu Weggeman (hoogleraar organisatiekunde, chef innovatie). Enkele fragmenten:

    – over leerlingen: “Ze hebben heel andere waarden dan wij en leren op een totaal andere manier. Die is absoluut niet slechter dan de onze. Jongeren van nu beschikken over een natuurlijk talent om parallel te ‘processen’. Ze kunnen meerdere dingen tegelijk doen: chatten, bellen, een spelletje spelen. Daarnaast nemen ze informatie gemakkelijker nonlineair op via klank en beeld, terwijl wij dat voornamelijk lineair doen via teksten. Ze hebben een enorm adaptief vermogen. Geen wonder, want ze worden voortdurend geconfronteerd met nieuwe technologieën die over elkaar heen buitelen… Jongeren van nu leren dramatisch goed te leren, vooral buiten school. Ze zoeken zelf antwoorden op vragen en regelen razendsnel oplossingen voor problemen in het netwerk. Daar zijn ze veel natuurlijker in dan wij.”

    – over leerkrachten die zuchten over de jeugd van tegenwoordig die niet gemotiveerd is voor de school: “Dat komt omdat het onderwijs nauwelijks een beroep doet op die leerstijlen, talenten en belangstelling van deze nieuwe generatie. Veel leraren, mensen van mijn generatie, hebben de neiging jongeren te benaderen vanuit hun eigen leefstijl, hun eigen normen en waarden. Maar je redt het als leraar niet zonder respect voor de belevingswereld van de jongeren en al helemaal niet met zeuren over een gebrek aan respect voor de jouwe. Er ontstaat een generatiestilte. Dat vind ik erger dan een generatiekloof, waarbij nog sprake is van strijd en debat, waaruit zinvolle, nieuwe ideeën kunnen voortkomen. Er is een enorm gebrek aan communicatie…. Probeer zelf eens uit hoe een manier van leren werkt.”

    – over kennis: natuurlijk moet je je taal leren beheersen… basisvaardigheden en elementaire kennis moeten altijd op het programma blijven staan…. misschien moet de leerlingen, waar wij vroeger de jaartallen met bijbehorende historische feiten op dreunden, diezelfde rijtjes in een canon-rap verwerken. Daarbij sluit je aan bij de beleving van jonge mensen.”

    In hetzelfde nummer las ik in een evaluatie van http://www.lerenonline.nl:

    “Voor mij staat het onomstotelijk vast dat de computer het middel bij uitstek is om te werken aan grammatica en vocabulaire. De vraag is alleen of het beschikbare format hier wel zo geschikt is. Er komt te weinig respons die ook echt op de fout gericht is. Leerlingen die moeite hebben met grammatica, zullen veel meer hebben aan rechtstreeks commentaar op de gemaakte fout dan aan een standaardantwoord op een herhaling van de al eerder bekeken uitleg. Daarom zie ik bij deze site nog niet echt een meerwaarde van de computer ten opzichte van docent of boek. Voor bepaalde onderdelen, zoals de Engelse grammatica, is het bovendien heel simpel om veel oefeningen te vinden op sites die volledig gratis zijn…” (Gerard Koster, docent Engels)

  11. Gelukkig 2007!
    Hoewel ik helemaal niet cybervaardig ben als de edubloggers en mijn ict-kennis zeer beperkt is, durf ik te beweren dat mijn attitude tegenover ict- en alle andere (nieuwe) vormen van leren positief is. Ik sta aan uw kant, Dirk Rommens, en zoals ik me enkele dagen geleden ‘bekend’ heb tot de stelling van de VON in het kennis-en-vaardighedendebat, wil ik me voor de tweede keer ‘outen’ door deze reactie: ik geloof niet dat de jongeren van nu ‘dommer’ zijn , dat het met het onderwijs achteruitgaat. Ik wil uw standpunten volledig onderschrijven, ook uw commentaar op “Koppen”. (Hoewel – mogen we van deze soort reportages analyse of diepgang verwachten? Ze zijn wat ze zijn, vluchtig en gemakkelijk…).
    In de hectiek van de kerstexamens had ik geen tijd om anders te reageren dan met de voorpublicatie van mijn examen Nederlands op de NTU-blog over de cultuur van het lezen. Wat later wil ik u enkele leerlingenreacties op de laatste examenvraag geven en een ‘proefje’ van een interview, schrijfwerk van 16-jarigen. Als tegenstem in wat u terecht ‘stemmingmakerij’ noemt.
    vriendelijke groeten

  12. Ik onderschrijf het standpunt van VON in het decembernummer van VONK, dat ik hierbij citeer:

    Vaardigheden versus (?) kennis

    Op zoek naar zogenaamde pijnpunten in de schoolvakken heeft de Vlaamse pers zich niet echt van zijn beste journalistieke kant laten zien. Er moesten en zouden pijnpunten zijn en die werden dan ook vakkundig uit de onvoorbereide monden van deskundigen uit de vakverenigingen geperst. Duiding en nuancering werden bovendien weggefilterd door de eindredacteur en Jan Publiek kreeg zijn brood en spelen. De Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands (VON) protesteert dan ook met klem tegen de verdraaiing van haar verhaal over spelling, uitspraak, grammatica en woordenschat. Hierna volgt wat de vereniging wil inbrengen in het kennis-vaardighedendebat.

    Het helpt het onderwijs niet vooruit als in de discussie naar aanleiding van de oproep van leraar Marc Hullebus zo gratuit veralgemenende uitspraken worden gedaan over zogenaamd teruglopende kennis, zonder dat men kennis heeft van of zich kan beroepen op vaststaande feiten en gegevens uit ernstig onderzoek. We moeten de eerste wetenschappelijke studie nog zien die bewijst wat de ‘kennisadepten’ beweren. In het grootscheepse PISA-onderzoek van 2003 bleek dat Vlaanderen internationaal gezien bijzonder goed scoort, vergeleken met 40 andere landen: voor begrijpend lezen een derde plaats, voor wiskundige geletterdheid een eerste plaats, voor wetenschappelijke geletterdheid een vijfde plaats en voor probleemoplossend denken een vierde plaats. Telkens zijn kennis en vaardigheid hier geïntegreerd. We deden het zelfs beter dan in 2000, en behoren tot de absolute wereldtop. Deze scores laten in internationaal perspectief zien dat we er niet zo slecht voorstaan, in tegenstelling tot wat sommige adepten van ‘vroeger was het beter’ en ‘het gaat allemaal achteruit’ roepen.

    Het helpt het onderwijs evenmin vooruit:
    als men uiterst simpele concepten van kennis en van vaardigheid hanteert en dan de zaken simplistisch zo voorstelt alsof kennis en vaardigheid gelijksoortige grootheden zijn die je a.h.w. in balans met elkaar kunt plaatsen;
    als men weinig oog heeft voor de ontwikkeling van attitudes bij leerlingen en de band van kennis en vaardigheid daarmee. Zou het kunnen dat leerlingen meer en beter leerstof opnemen als ze hiervoor op allerlei manieren gemotiveerd worden of inzicht meekrijgen in de relevantie ervan?
    als men zich ook niet realiseert dat kennisverwerving via frontale kennisoverdracht (doceren) door een leraar slechts één onderwijsmiddel is, dat soms effectief is, maar soms helemaal niet werkt, en dat er vaak andere middelen (strategieën) zijn waarvan empirisch gebleken is dat die veel effectiever zijn en een grondiger en beter toepasbare kennis opleveren;
    als men zich niet realiseert waartoe de te verwerven kennis moet dienen (bv. algemeen-culturele bagage of werkelijkheidsoriëntatie versus kennis met een sterk instrumentele functie zoals bij spellen), en dat een aan het doel aangepaste leerweg gevolgd moet worden;
    als men verwijst naar het voorbeeld van Frankrijk, waar het klassieke grammaticaonderwijs op grond van een recent rapport zogezegd opnieuw opgewaardeerd zou gaan worden, kennelijk zonder dat men het rapport daarover van prof. Alain Bentolila e.a. gelezen heeft, want dan zou men gezien hebben wat voor holle retoriek daarin gebruikt is, zonder dat de auteurs gehinderd waren door enige onderzoekskennis (zie deze webstek);
    als men zich ook niet realiseert dat kennis en vaardigheid, en de verwerving daarvan in het onderwijs, niet noodzakelijk en wellicht helemaal niet gelijk zijn bij taal (onderwijstaal Nederlands of vreemde taal), geschiedenis, wiskunde, fysica, technologie, houtbewerking, gelaatsverzorging…;
    als men niet beseft dat een deficiënte kennis of vaardigheid van sommige jongeren (zwakke leerresultaten) ook wel eens met heel andere zaken te maken kan hebben, zoals het feit dat sommige scholen of leraren onvoldoende op de instroomkenmerken van leerlingen kunnen inspelen?

    In de hele discussie komen belangrijke factoren niet aan bod: de verschillen tussen scholen, de grote verschillen tussen leraren in hun kennis/toepassing van het leerplan (dat veel vrijheid laat aan leraren), de aansluiting of kloof tussen lager en secundair onderwijs, de misvatting dat het vak Nederlands de waterdrager van de klassieke en vreemde talen moet zijn (waarvan veel leraren liever niet willen dat er iets verandert), de wet van de inertie bij onderwijsvernieuwing enz. Op zich is deze hele discussie nuttig om de onderwijsgeesten kritisch te houden, maar op dit moment vrezen wij dat ze vooral koren op de molen is van sommige behoudsgezinden in het onderwijs (het is opvallend hoe snel en massaal zij zich hebben gemengd in het debat). De effecten van het grotere accent op vaardigheden zijn nog onvoldoende zichtbaar/meetbaar om het neer te sabelen.

    Onderzoek van eind vorige eeuw (!) in dertien landen van de Europese Unie toont aan dat Vlamingen hoog scoren voor veeleer traditionele vaardigheden en attitudes: logisch denken, loyauteit, gehoorzaamheid en efficiëntie. Voor nieuwere vaardigheden scoort de gemiddelde Vlaming onder het Europees gemiddelde: verantwoordelijkheidszin, verdraagzaamheid, communicatiewaarde, verbeelding, kritische geest en flexibiliteit. Precies die eigenschappen die in de samenleving en in het bedrijfsleven steeds meer aan belang winnen. «Het waardepatroon van Vlaanderen heeft belangrijke troefkaarten geleverd voor economisch succes in de 20ste eeuw», besluit het Vlaams Economisch Verbond (VEV) in Klasse nr. 103, «maar het staat veel minder borg voor succes in de 21ste eeuw.» Willen we per se terug?

    De vereniging heeft geen bezwaar tegen kennisverwerving, maar pleit voor de integratie van kennis en vaardigheden in een moderne didactiek waarin leerlingen inzichten en kennis opbouwen, niet ondoordacht slikken en reproduceren. Die didactiek bestaat al sinds de jaren 70 en wordt gedragen door begeleiding en inspectie, maar ze wordt vandaag nog onvoldoende toegepast. Soms gebeurt dat uit onwetendheid, soms uit onkunde, soms uit onwil. Het of/of-debat over kennis en vaardigheden is een belediging voor de vele leraren en scholen die wel op een moderne manier lesgeven en zoeken naar de meest optimale samenhang van leerstof over de verschillende onderwijsniveaus heen.
    Namens de Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands vzw,

    Bert Cruysweegs (lector Nederlands lerarenopleiding secundair onderwijs)
    Rita Rymenans (docent academische lerarenopleiding)
    Jan T’Sas (einderedacteur Klasse, praktijkassistent academische lerarenopleiding)
    Geert Van Hoogenbemt (informaticadocent opleiding industrieel ingenieur)
    Tom Venstermans (lector Nederlands lerarenopleiding lager onderwijs)
    Ellen Wouters (lerares Nederlands secundair onderwijs)

  13. Ik wil mij hierbij graag openlijk aansluiten bij de reactie omtrent kennisgericht onderwijs van Dirk Rommens en de vertegenwoordigers van de Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands vzw

    Ivan D’haese, stafmedewerker onderwijsontwikkeling Hogeschool Gent

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.