Onderwijsvernieuwing

13953_school.jpg

Soms lees je iets waar je echt wel even versteld van staat. Neem nu het artikel “why minimally guided instruction does not work“. Hierin schrijft Paul Kirschner van Open Universiteit Nederland (een toch niet zo onbekende naam in de e-leer of onderwijs-innovatie wereld) eigenlijk dat studentgecentreerd onderwijs toch sterk overroepen is. Hij pleit voor sterkere instructie meer richtinggevend onderwijs, minder probleemgestuurd onderwijs, minder “laat studenten zelf hun weg zoeken”, minder informeel onderwijs, meer sturing en controle… En dit nu we eindelijk met de onderwijsvernieuwers beginnen vooruitgang boeken in het afstappen van dat docentgecentreerde sturende onderwijs.

Wanneer je het artikel even wat grondiger leest, klinkt het natuurlijk wel logisch: studenten zonder veel voorkennis lopen letterlijk verloren in de leerstof als je hen bvb via probleemgestuurd onderwijs gewoon vertelt “los dit probleem op en zoek zelf maar wat je daarvoor nodig hebt”. Een expert die een probleem op wil lossen, doet beroep op een heel archief “voorbeeldoplossingen”, dus een heel archief kennis dat hij/zij al bezit en gebruikt. Iemand zonder die voorkennis of dat denkkader kan dus ook een probleem niet adekwaat oplossen en zal weinig bijleren tijdens het zoekproces. Een student zal dus beter leren wanneer je hem veel meer sturing kan bieden, bijvoorbeeld door het klassikaal uitwerken van voorbeeldoefeningen of voorbeeldproblemen, of door het aanreiken van gedetailleerde oplossingsschema’s die de student kan raadplegen.

Pittig detail: studenten die je laat kiezen voor een zeer gestuurde vorm van onderwijs of een zeer vrije vorm, kiezen bijna altijd de vrije en minder sturende vorm, terwijl ze daar uiteindelijk minder goeie resultaten mee zullen behalen.
Eigenlijk zegt dit artikel dus dat je studenten moet beschermen tegen zichzelf, en gerust zeer sturend onderwijs mag aanbieden.

Wellicht ligt de waarheid in het midden: ik geloof eerlijk gezegd niet zo in een oefenzitting fysica waar de lesgever aan het bord de oefeningen maakt en de studenten overschrijven. Aan de andere kant geloof ik ook niet in een oefenzitting waar je studenten maar laat knoeien onder het motto “oefening baart kunst” (ik spreek uit ervaring wanneer ik schrijf dat ik /weet/ dat je hier niet mee leert oefeningen oplossen!).

Misschien is de beste oplossing nog de “embedded support devices”, een soort slimme tutors die je helpen met studeren wanneer dat nodig is (bvb even in gang zetten, vervolgens wachten tot de lerende vastloopt, een duwtje in de rug geven of een tip geven…). Dit soort dingen moeten we wel kunnen doen met e-leren en technologie - een soort virtuele tutor die lerenden helpt en ook studie-tips kan geven bij moeilijke stukken theorie…
Ik zag ooit een mooi voorbeeld (maar -horror- ik vergat helemaal wie dit deed) van een uitgeverij die handboeken fysica digitaal aanbood. De oefeningen waar zeer sterk gestructureerd: eerst een applet die de hele oefening uitwerkt, stap voor stap, met illustraties, bewegende onderdelen, de complexiteit stap voor stap geintroduceerd, op maat van de student. Vervolgens een applet waarbij de lerende quasi de identieke oefening oplost door zelf dingen in te vullen. En tenslotte een applet waarbij de lerende de volledige controle heeft, zelf kan simuleren, parameters veranderen, en zo de oefening kan oplossen, zowel theoretisch (analytisch) als experimenteel (virtueel experiment). Mooi!

5 reacties op “Onderwijsvernieuwing” »»

  1. Comment van frans leys | 06/29/06 at 10:36

    Google Resultaten 1 - 10 van circa 371 voor “embedded support devices”
    da’s akelig weinig, maar kan ook betekenen dat het gewoon nog iets nieuw is en dus nog zal opkomen! ik hoop het in ieder geval

  2. Comment van Mateusen | 06/29/06 at 15:10

    De discussie over het nieuwe leren, competentiegericht leren, studentgecentreerd leren is in Nederland momenteel zeer actueel. Onderwijsvernieuwingen in het middelbaar worden in Nederland weliswaar gefaseerd ingevoerd en scholen hebben een vrij grote autonomie om deze in te voeren. toch blijft het een feit dat er in Nederland sprake is van een yo-yo beleid. Een nieuw beleid dat wordt ingevoerd wordt in veel gevallen zeer consequent en ver doorgevoerd zonder vanaf het begin te anticiperen op de te verwachten slingerbeweging. . Het studiehuis (waar leerlingen in het middelbaar onderwijs zelfstandig aan de slag gaan) is ingevoerd zonder dat het goed is uitgeprobeerd. Mag ik het studiehuis in de school waar ik les gaf in Nederland vergelijken met de studiezaal in het Jezuiëtencollege in Turnhout waar ik 45 jaar geleden op de banken zat?
    Daar hadden we studiezaal met 150 leerlingen en één jonge surveillant-pater. Die vonden wij geweldig omdat hij ons vertrouwde: hij ging achteraan de studiezaal yoga ofeningen doen en wij bleven anderhalf uur stil doorwerken omdat wij dat vertrouwen van hem niet wilden beschamen. Wij namen in zekere zin zelf verantwoordelijkheid voor het eigen leren.
    In de Nederlandse school hebben de leerlingen ongeveer elke dag één uur vrije studieruimte. In deze tijd mogen leerlingen docenten raadplegen, of in groepjes werken of zelfstandig - en in stilte- werken aan eigen opdrachten.
    Het raadplegen van docenten gebeurt vooral bij “moeilijke” vakken. Daar wordt het “lesuur” vooral gebruikt voor extra instructie. Het in groepjes werken is afgeschaft omdat de leerlingen vaak alleen maar zaten te kletsen. Het individueel studeren kost het systeem veel geld omdat er al snel twee duurbetaalde leerkrachten moeten worden ingezet om te surveilleren. Dit is misschien een extreem voorbeeld maar toch illustratief voor de ontwikkelingen in veel scholen.
    Is daarom het zelfstandig leren achterhaald? Natuurlijk niet, leerlingen hebben veel vaardigheden geleerd om zelfstandig te leren. Er zijn zeer interessante ontwikkelingen op ICT-gebied . Maar het aanleren van vaardigheden mag geen vrijbrief zijn om bv. het memoriseren van woordjes minder belangrijk te vinden.

    De klacht in Nederland is dat er te weinig inhoud wordt aangeboden, dat de vakkennis achteruit gaat, dat de opleiding van leerkrachten zienderogen afneemt, dat er teveel geld gaat naar het middenmanagement en te weinig naar de vakleerkrachten, dat er te grote nadruk ligt op het stageleren en te weinig op de vakinhoud dat de talenkennis achteruit gaat enz… Slechts weinig afgestudeerde universitairen zie je in het onderwijs terug. Zij worden minder betaald dan leden van het middenmanagement die vaak geen universitaire opleiding hebben. Wie moet in het middelbaar onderwijs toekomstige universitaire studenten gaan opleiden?
    Bijna dagelijks schrijven de kwaliteitskranten hierover. Er is onlangs een vereniging opgericht “Beter onderwijs” die pleit voor herwaardering van de vakdocent en voor de vakkennis. Er moet weer meer inhoud “geleerd worden” en de kwaliteit van het geleerde moet hoger. Het bedrijfsleven en de universiteiten klagen dat er te weinig kennis wordt overgedragen.

    Ik denkt dat de opmerking vanuit de Open Universiteit tegen deze achtergrond geplaatst moet worden.

  3. Comment van Hans DF | 07/19/06 at 16:18

    Omwille van deze berichten en eropvolgende reacties lees ik de artikels op Edublogs.be graag! Thanks!

  4. Comment van Michel Couzijn | 07/20/06 at 12:46

    Ik plaats graag een aantal aanvullingen en correcties bij de lezenswaardige reactie van Mateusen.

    1. Er is in Nederland inderdaad ‘discussie’ gaande over onderwijs en didactiek, maar dat woord dient dan toch zeker tussen aanhalingstekens geplaatst te worden. De discussie is stuur- en oeverloos, iedereen hult zich in het eigen gelijk zonder argumenten van anderen te wegen, terminologie en containerbegrippen worden op een grote hoop gegooid, en in de feiten lijkt al helemaal niemand geïnteresseerd. De ‘discussie’ bestaat uit het parmantig poneren van eigen standpunten - of die nu hout snijden of niet - en het afbranden van andersdenkenden. Het is al helemaal niet duidelijk wie eigenlijk met wie ‘discussieert’. Aanhalingstekens dus.

    2. Een lezer zou licht denken dat ‘het studiehuis’ in Nederland is ‘ingevoerd’, en wel ‘gefaseerd’. Dat schrijft immers ook Mateusen. Niets is minder waar. Het studiehuis is niet ‘ingevoerd’ (geen wet zegt er iets over), kan dus ook niet worden afgeschaft. Sterker nog, ‘het’ studiehuis bestaat helemaal niet. Iedere school heeft een totale vrijheid bij het bepalen van de onderwijskundige en didactische inrichting. En scholen delegeren de te maken keuzes voor het grootste deel aan docenten en vaksecties. Als een school dus ‘het studiehuis’ zegt te hebben ingevoerd, is de inrichting daarvan en de verantwoordelijkheid daarvoor geheel en al een zaak van die school. De overheid staat daar buiten. Daarom zie je ook werelden van verschil tussen Nederlandse scholen in de inrichting van het onderwijs: alles komt voor van vrijwel geheel docent-centraal naar grotendeels leerlinggestuurd onderwijs, met en zonder ICT, met en zonder schoolboeken, met en zonder zelfstudieuren, met en zonder proefwerken of portfolio’s. En op een en dezelfde school kun je deze uiteenlopende didactieken tegenkomen. Nee, in Nederland worden didactische vernieuwingen niet van overheidswege ingevoerd, laat staan ‘gefaseerd’.

    3. Wat in 1998 wel centraal is ingevoerd, is de Tweede Fase, die in hoofdzaak neerkomt op een viertal ‘vakkenpakketten’ of profielen en voor elk vak een examenprogramma. Over de wenselijkheid van profielen en van examenprogramma’s is vrijwel iedereen het eens. Ergo: er is tevredenheid over de keuze van wat wél centraal ingevoerd is. Dat was ook een grote stap vooruit. Over de precieze invulling van de profielen en de examenprogramma’s werd en wordt natuurlijk gesteggeld, maar dat hoort erbij en is niet de kern van de maatschappelijke ‘discussie’ in Nederland.

    4. Het is dus feitelijk onjuist dat, zoals Mateusen schrijft, “in de Nederlandse school de leerlingen ongeveer elke dag één uur vrije studieruimte hebben”. Ook is het onwaar dat “het in groepjes werken is afgeschaft”. Dit mag dan Mateusens ervaring op zijn eigen school zijn, het gaat zeker niet op voor alle, of de meeste, andere Nederlandse scholen. Scholen mogen dat immers helemaal zelf bepalen. Er zijn scholen met nul, een, twee of meer uren ‘vrije studieruimte’, en dat is geheel een zaak van de school. Of men efficiënt groepswerk weet te organiseren of daarvan liever afziet, is ook geheel aan de school. Leerplannen, leermiddelen, toetsen, normeringen, didactiek, begeleiding, alles is in handen van de school. Ja, zelfs het eindexamen is voor meer dan de helft een schoolse aangelegenheid - wat het civiel effect van het diploma dreigt te ondergraven.

    5. Mateusen verstout zich door het memoreren van een vals dilemma: “het aanleren van vaardigheden mag geen vrijbrief zijn om bv. het memoriseren van woordjes minder belangrijk te vinden”. Het eerste impliceert het laatste geenszins. Ik leer mijn leerlingen vaardigheden aan en laat ze ook woordjes memoriseren. Sterker nog, ik kan mijn leerlingen ook scholen in technieken (strategieën, vaardigheden) om woordjes te memoriseren. Twee vliegen in een klap. Studiehuishaters doen ten onrechte voorkomen alsof vaardighedenonderwijs de vijand zou zijn van kennisverwerving. Notoire onzin.

    6. Er klinkt inderdaad in de Nederlandse media geweeklaag op “dat er te weinig inhoud wordt aangeboden, dat de vakkennis achteruit gaat, dat de opleiding van leerkrachten zienderogen afneemt, dat er teveel geld gaat naar het middenmanagement en te weinig naar de vakleerkrachten, dat er te grote nadruk ligt op het stageleren en te weinig op de vakinhoud dat de talenkennis achteruit gaat”. Dat is nogal wat, en al dat geweeklaag wordt helaas allerminst gestaafd door feiten. Daar ga ik puntsgewijs op in.

    - Er is geen enkele objectieve maat waaruit valt af te leiden dat leerlingen anno 2006 minder leren dan in 1906 of 1946 of 1986. In internationale vergelijkingen op het gebied van taal- en wiskundeonderwijs scoort Nederland nog steeds bijzonder goed, hoger dan veel buurlanden en de VS. De deelname aan het onderwijs, zowel in verblijfsduur als in hoogte van de opleiding gemeten, is dan ook nooit zo hoog geweest.

    - Wat de opleiding van leerkrachten betreft, maak ik me sterk dat menige PABO-student anno 2006 beter is voorbereid op de basisschool dan de zusters van wie ik destijds lager onderwijs heb genoten. Die waren wel lief maar geen deskundigen, inhoudelijk noch didactisch. Wel waren ze katholiek, maar dat maakt natuurlijk niet alles goed.

    - Wat de universitair opgeleide docenten betreft, die hebben nog nooit zo’n goede opleiding tot leraar gehad als vanaf 1990 tot op heden. Vroeger kreeg je de bevoegdheid vrijwel cadeau bij je doctoraaldiploma (een beetje hospiteren, een enkel lesjes geven en klaar was kees); tegenwoordig is er een heel jaar post-doctoraal onderwijs (post-master) voor nodig inclusief een zeer uitgebreide stage en het nodige vertoon van kunnen op didactisch en onderwijskundig gebied. De schoolleiders zijn er blij mee. Hoezo neemt de opleiding ‘zienderogen af’? Gezwam in de ruimte.

    - Nog in de jaren tachtig werden tweedegraads docenten in Nederland ‘tweevakkig’ opgeleid. Vier jaar na de Havo, op je 21e, was je zowel docent wiskunde als docent Nederlands. Vond men toen. Helaas bleek de alumnus niet veel beter dan op z’n best een gemankeerd docent wiskunde en een gammele docent Nederlands. Goddank heeft men in de jaren negentig die dwaalweg verlaten en worden tweedegraads docenten weer éénvakkig opgeleid. Hoezo ‘achteruitgang’? Ik let liever op de feiten.

    - Met Mateusen ben ik het eens dat er te weinig afgestudeerde academici naar het onderwijs gaan, de meest getalenteerden al helemaal niet. Dat heeft alles te maken met de kwade roep waarin het onderwijs ten onrechte staat in de media, maar zeker ook met het salaris. De zittende docenten hebben namelijk in 1985 afgesproken dat nieuwkomers een veel en veel lager salaris ontvingen dan zijzelf. Wie in 1986 van de universiteit kwam en het onderwijs in ging, heeft qua salaris ongeveer 120.000 euro minder opgestreken dan wie datzelfde in 1984 deed. Dat is nogal wat. De salarissen in het Nederlandse onderwijs zijn voor academici niet marktconform.

    - De doelstellingen van de Vereniging Beter Onderwijs Nederland komen sympathiek op mij over. Wel vind ik dat ook deze vereniging last heeft van ongefundeerde stellingnames en analyses en van schadelijk vijanddenken. Managers zijn, behalve vervelend, ook nodig. Autonomie van docenten is belangrijk - maar moet ook zijn grenzen kennen en van de autonome docent mag ook verantwoording verlangd worden. De vereniging BON heeft mij teveel het belang van de docent voor ogen en te weinig het belang van de leerlingen en de maatschappij. Dat laatste is begrijpelijk, als we zien hoezeer de maatschappij de docenten steeds in het verdomhoekje zet.

    Discussie over onderwijs? Prachtig. Maar wel op grond van de feiten, en niet vertroebeld door valse dilemma’s en vijanddenken. Toch?


Geef uw reactie »»

Omdat wij te veel spam comments ontvangen, worden alles reacties tijdelijk gemodereerd. Het kan dus even duren alvorens uw comment gepubliceerd wordt.

Wij willen graag uw reactie horen. De redactie sluit niet uit dat comments die derden schade toe brengen, verwijderd zullen worden. Klik hier voor ons privacy-beleid.