Wat met de vierjarige opleidingen?

In een openhartig interview met De Standaard [DS Online] geeft André Oosterlinck zijn visie op de toekomst van de vierjarige hogeschoolopleidingen. Hij ziet de vierjarige opleidingen – het gaat hier dan vooral om opleidingen tot vertaler-tolk, architectuur, handelswetenschappen en industrieel ingenieurs – verregaand integreren met hun universitaire evenknie/tegenpool, maar niet verdwijnen. Bij de Industrieel Ingenieurs geeft hij het voorbeeld dat ze enerzijds hun onderling profiel kunnen versterken, maar dat anderzijds “het niveau- of statusverschil tussen opleidingen als burgerlijk en industrieel ingenieur, verdwijnt”.

Qua onderzoek worden de Masters van de hogeschoolopleidingen onderbouwd met toegepast onderzoek, terwijl de universiteit zich concentreert op fundamenteel onderzoek.

Op een aantal belangrijke vragen, kan de voorzitter van de Associatie K.U.Leuven nog geen antwoord geven.
Bijvoorbeeld, over het huidige verschil in studieduur tussen twee richtingen met gelijk niveau en status, spreekt hij zich niet uit.

Dat is begrijpelijk, aangezien het moeilijk is om in te schatten of de schijnbare tegenstrijdigheden in deze visie uiteindelijk niet zullen uitlopen in concrete tegenstellingen:

  • hetzelfde niveau/status versus onderling versterkte profilering,
  • eenvoudige overgangen tussen bachelors van de ene instelling naar masters van de andere versus het onderbouwen van die masters met fundamenteel verschillend onderzoek.

De oud-rector gebruikt ook het warmste buzzword in onderwijsland: het zalm model. In de meeste hogescholen is dit model vandaag erg zichtbaar, het kan dus geen kwaad om het bij een volgende vergadering even in uw betoog op te nemen.

Auteur: Gorik De Samblanx

Gorik De Samblanx is docent aan het De Nayer Instituut (Hogeschool W&K) en is er programmacoördinator voor het gemeenschappelijke stuk van de Bachelor Industriële Wetenschappen (Industrieel Ingenieur).

3 gedachten over “Wat met de vierjarige opleidingen?”

  1. het “zalm model” werkt misschien wel? Ik hoorde dat men op vele secundaire scholen tegenwoordig expliciet studieadvies geeft in die richting, bvb “als je niet helemaal zeker bent, begin aan een hogeschool en volg daarna één van de vele schakel-mogelijkheden”. Mooie evolutie!

    [randbedenking: wat doet dit fenomeen met onze gemiddelde studieduur?]

    Ik onthield vooral uit het interview een zin als “het onderwijs- en onderzoeksaanbod zal centraal aan de KULeuven gecoordineerd worden”.
    Een intelligent iemand zei me onlangs “het is beter om een directe verkeerde beslissing te nemen, dan om niet te beslissen”. Misschien ook wel met die associatievorming: om echte voordelen te halen uit die associaties, zullen we toch wel drastische acties moeten nemen (afstemming aanbod, uitwerken flexibele trajecten,…) die wellicht niet kunnen gebeuren “in vol overleg”, met 75000 studenten en tienduizenden personeelsleden?

  2. En toch versterkt Oosterlinck hier weer het beeld van de dominante universiteit binnen de Associatie, vind ik. Ik weet dat heel wat directies van de Hogescholen het erg moeilijk hebben met de dominante houding van de KULeuven binnen de Associatie. Ik hoor van veel mensen dat de overlegorganen (stuur- en werkgroepen) binnen de Associatie ook vaak door zo’n eenzijdige dominantie gekenmerkt worden, en dat vind ik jammer. Ik denk dat de Universiteit heel wat kan leren van de Hogescholen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.