Veranderend onderwijs
Even plaats maken voor een korte getuigenis.
In de zeven jaren dat ik in het Hoger Onderwijs meedraai, hoor ik telkens hetzelfde verhaal: studenten veranderen, ze worden minder sterk, ze tonen minder inzet of interesse. Altijd denk ik bij mezelf daarop: “Dat zal wel typisch zijn, het onderwijs verandert eigenlijk nooit. Goeie studenten zullen altijd bovendrijven. Intrinsiek verandert de intellectuele kwaliteit van mensen niet.” U kent dat misschien wel.
Maar dit jaar is het anders. Het hoger onderwijs is fundamenteel veranderd.
De oorzaak is nochtans niet massief.
Sinds kort werkt men in het hoger onderwijs onder het flexibiliseringsdecreet. Dit decreet bepaalt een belangrijk stuk van de organisatie van dat onderwijs, én introduceert onder meer de volgende wijzigingen:
- een credit-systeem: om een meer flexibele omgang met onderwijsprogramma’s mogelijk te maken, wordt het begrip ’studiejaar’ vervangen door een blok van 60 studiepunten (credits). Een vierjarige opleiding bestaat zo uit een te verzamelen hoeveelheid van 240 specifieke studiepunten. Elk vak staat voor een geheel deel van credits en een student moet, min of meer chronologisch, deze verwerven.
“Moet het geheel van een opleiding dan niet meer zijn dan de som van 240 delen?”, vraagt u zich meteen af. Een vraag die een eigen blogpost waard is. - vrijstelling vanaf 10/20: credits hoef je niet verplicht in blokken van ‘één studiejaar’ te verzamelen. Het kan ook via meer individuele trajecten. Het hoeft trouwens ook niet altijd via examens te gebeuren.
Essentieel hierbij is dat de prestatie van een student voor een bepaald vak (opleidingsonderdeel) niet meer beoordeeld kan worden in functie van zijn of haar resultaten bij andere vakken. Een credit staat immers op zichzelf. In het verleden kon dat wel: studenten die 10/20 behaalden op een examen waren “geslaagd”; voor een vrijstelling (een soort credit) had je 12/20 nodig. Op die manier kon een slechte score van een student op één vak, geïnterpreteerd worden als een accident de parcours, indien de andere vakken beter waren. Vandaag geldt:
Art. 31. § 1. Een student behaalt een creditbewijs voor elk opleidingsonderdeel waarvoor hij geslaagd is.
“Dat is in het voordeel van student! Maar is wat in het voordeel van een student is, ook goed voor zijn opleiding?”, vraagt u zich misschien af. Ook die vraag is een aparte blogpost waard.
Met het flexibiliseringsdecreet past het onderwijs zich aan de veranderende maatschappelijke context aan. En al zouden de meeste scholen graag een minder slordige decreetgever aan het werk zien, ze beseffen dat deze vernieuwing vermoedelijk onvermijdbaar is.
Het decreet omvat overigens veel meer dan deze twee, relatief kleine, organisatorische aanpassingen. Maar net deze blijken vandaag een stille revolutie in het onderwijs te veroorzaken. Steeds vaker vang ik de volgende verzuchtingen op:
- niemand is er nog gebuisd: een zwakke student die bijvoorbeeld voor maar de helft van zijn vakken geslaagd is, kan dankzij het systeem van flexibilisering voor élk van zijn geslaagde vakken een vergelijkbaar opleidingsonderdeel volgen in een hoger studiejaar. Daardoor vermijdt hij of zij de confrontatie met het “falen”, en dit met alle gevolgen vandien. Goed is, bijvoorbeeld, dat er minder gefrustreerde studenten zullen rondlopen. Een student die voorheen moest “bissen” vanwege slechts enkele buizen, kan nu rustig mee doorstromen naar een volgend jaar en in tussentijd trachten de gemiste credits op te halen. Slecht is, bijvoorbeeld, dat studenten niet meer geconfronteerd met een mogelijk verkeerde studiekeuze. Of met de steenharde realiteit van een misluk-ervaring.
De psychologische impact van deze verandering op langere termijn is niet te onderschatten.
- het onderwijs is een marktplein: het concept vrije markt werd meer dan 20 jaar geleden ingevoerd in het onderwijs. Dat is dus niet nieuw, maar door het invoeren van het credit-systeem beschikt men nu ook over een verhandelbaar goed. In theorie kunnen scholen elkaar sinds dit jaar beconcurreren met aanbiedingen rond studiepunten en vrijstellingen. Ze doen dat (nog) niet, maar elke school die zichzelf ernstig neemt, steekt toch al eens de neus aan het venster. Bijvoorbeeld, de Hogeschool Gent (DS Online) gaf deze week een persbericht vrij dat als een voorzichtige eerste stap geïnterpreteerd kan worden. Vandaag al worden wij in onze school zeer regelmatig bevraagd door kandidaat studenten die eerlijk toegeven dat ze aan het shoppen zijn. Het gaat dan meestal over studenten die van studierichting willen veranderen en zeer pragmatisch op zoek gaan naar de instelling die hen de beste prijs-kwaliteit verhouding biedt. Bijvoorbeeld, wie het meeste credits aanvaardt uit hun vooropleiding.
Het invoeren van een credit als verhandelbaar goed kan de kwaliteit van opleidingen ten goede komen. Zoals in elke markt kunnen de aanbieders van onderwijs kiezen om zich te richten op een hoge kwaliteit, als niche, dan wel op een lage prijs (i.e. een lagere studeerinspanning).
Anderzijds legt het invoeren van dit aspect van flexibilisering een tijdbom onder de democratisering van het onderwijs. Er is immers geen enkele reden waarom “prijs” niet financieel geïnterpreteerd zal worden.
Rest ons nog enkel de slotbeschouwing: werkt deze verandering ten goede of niet? Is het uberhaupt belangrijk? Het heeft geen enkele zin om zich schrap te zetten tegen onvermijdelijke veranderingen. Elke verandering is een kans. Maar we moeten er ons wel goed van bewust zijn. Vandaar deze bijdrage.