Com@ModemDag 2016 in tien hoogtepunten

Gisteren vond voor het eerst sinds 3 jaar de com@modemdag terug plaats. Het ter ziele gegane Modem is ondertussen in afgeslankte versie maar met steun van Thomas More Hogeschool terug een operationeel kennis- en adviescentrum rond compenserende en ondersteunende technologie voor mensen met beperkingen. Een deel van de expertise van het vroegere Modem wordt zo behouden en opnieuw gedeeld. Dat er nood is aan dergelijke ondersteuning bleek uit de opkomst. Ruim 180 professionals uit onderwijs, paramedische diensten en zorginstellingen kwamen bijeen voor de hoogmis van de compenserende technologie in Vlaanderen.

Ik was erg benieuwd wat voor nieuws ze in petto zouden hebben nu de studiedag drie jaar lang niet heeft plaatsgevonden. Opvallend: weinig en veel nieuws tegelijk. Weinig, omdat het nog steeds dezelfde usual suspects zijn die in Vlaanderen compenserende technologie ontwikkelen en verdelen. Veel bekende producten zoals Grid, Mindexpress passeerden opnieuw de revue. Maar ook nieuws: dezelfde producten en diensten hebben zichzelf moeten heruitvinden. Omwille van de vraag naar  toegankelijk maken van sociale media, omwille van concurrentie van de ‘gewone’ tablet, omwille van de transformatie van robuuste software met geïntegreerde functies naar een veelheid van apps met een veel grotere waaier aan functionaliteiten.

banner-com-ad-modem

En zo was de Com@ModemDag toch weer wat we er inmiddels van gewoon waren: de dag waarop je tientallen nieuwe toepassingen de revue ziet passeren en waarvoor je vervolgens een jaar nodig hebt om een deel ervan uit te proberen. Mijn 10 highlights van de Com@ModemDag 2016 zijn de volgende:

1/ De Zingui2 een lichte maar robuuste spraakcomputer met een 8 inch aanraakscherm. Door de flexibiliteit van de Mind Express communicatiesoftware kan je het toestel volledig personaliseren. Bestaande woordenlijsten of communicatiekaarten aanpassen of individualiseren vormt geen enkel probleem. De Zingui bedien je via het aanraakscherm, via één of twee schakelaars (scannen), een (aangepaste) muis of een ander USB-apparaat. Je kan er ook vooraf opgenomen spraakboodschappen mee afspelen. Zingui is compatibel met een heleboel andere software wat hem tot een topper onder de spraakapparaten maakt.

2/ MindExpress is één van de softwarepakketten die al jaren meegaan en die nu opnieuw zijn aangepast o.a. aan bediening van social media. Andere nieuwe features zijn multimedia, agendafuncties, dynamische lijsten, zelf roosters tekenen (freestyle), symbolensets, editors om zelf oefeningen, games en communicatiekaarten te maken, PODD-boeken in het Nederlands, verbeterde spraakuitvoer enz.

3/ Als onderdeel van Mind Express is er nu ook Score, een functie waarbij een gedeelte van een communicatiekaart statisch is, en een gedeelte dynamisch afhankelijk van context.  Deze applicatie is gebaseerd op Duits onderzoek naar de meest gebruikte woorden (core woorden).

4/ Zetalk_time_a5_2ker een van de leukere gadgets op deze Com-dag: Premium Talk Time Cards. Goedkope (12-18 euro) herbruikbare sprekende briefkaarten waar je en spraakboodschap van 60 seconden kan mee opnemen. Leuk en nuttig om heen en weer mee te nemen naar huis en school, als memo- of planningshulpje of als ondersteunende boodschappendrager. Beschikbaar in A4, A5 of A6 formaat en bovendien personaliseerbaar via een beschrijfbaar whiteboardje.

5/ Een heleboel nieuwe draadloze switches, robuuste laptophoezen en –houders werden gedemonstreerd. Mij viel daarbij vooral op hoe duur die dingen zijn tegenover het draad-houdende aanbod. De iSwitch draadloze knop voor Appletoestellen kost maar liefst 185 euro. Uit dit gamma onthou ik de lichte, mobiele tabletstatief Music Stand, bedoeld voor muzikanten  maar zeker ook bruikbaar voor bv slechtzienden of andere gebruikers die hun tablet vooral statisch gebruiken. Dit ding kost wel 120 euro.

6/ Zeer gewaardeerd heb ik de keynote van Jeroen Baldewijns (Blindenzorg Licht en Liefde) over Universal Design. Interessant aan zijn betoog was dat hij tal van voorbeelden gaf waaruit blijkt dat de geesten stilaan rijp zijn om het idee van universal design toe te passen. Producenten van hardware en apps hebben stilaan door dat het not done is om de grote groep gebruikers met beperkingen te negeren. Zo introduceerde BNP Paribas Fortis een geldautomaat met audio-input waar je als blinde of slechtziende via een oortje de uitleg en commando’s in spraak krijgt. Er is ook een sprekende bankkaartlezer.

7/ Hij stelde ook een fundamentele discussie op scherp: tabletmakers hebben veel geïnvesteerd in universele toegankelijkheid of stellen apps ter beschikking die de toegankelijkheid erg vergroten. Apple heeft veel ingebouwde toegankelijkheidsopties geïntegreerd in de iPad: zoomer en contrast, vergrootglas in iOs, Voice over met degelijke Nederlandstalige stem, audiodescriptie en ondertitels, Siri en dicteren, voorwerpherkenning. Een mooi voorbeeld van de toepassing hiervan in de klas, vind je in deze video. In welke mate heb je dan nog computeraanpassingen of specifieke compenserende technologie nodig? Ook het VAPH betaalt nu immers “gewone” consummententablets terug voor personen met een beperking. Voer voor heel wat discussie.

8/ Sympathiek project is VIAMIGO, een app voor slimme mobiliteit voor personen met een handicap. Deze in Vlaanderen ontwikkelde app helpt mensen met beperkingen en vooral hun begeleiders bij extra muros verplaatsingen. Waar er soms veel begeleiding nodig is bij dergelijke verplaatsingen gebeurt dit nu van op afstand via de Viamigo-app. De basis daarvan is een tracker via gsm of smartphone. De begeleider (coach) beschikt over een dispatch-achtige interface waarop hij het traject in real time kan volgen en meldingen krijgt bij vertrek en aankomst, als er afgeweken wordt van de route, bij te lang stilstaan of ongepaste snelheid. Kwam mij een beetje big brother-achtig over maar ik kan me het nut ervan wel voorstellen.

9/ Splash City: is een wikskunde app voor leerlingen met motorische beperkingen. Alle subdisciplines (meetkunde, rekenen, vergelijkingen, figuren, …) komen in motorisch vereenvoudigde aan bod op pc. De app heeft ook een via switch of toetsenbord bedienbare meetlat, passer, gradenboog etc. Verder zijn er functionaliteiten zoals invulvelden, tekstvakken plaatsen, etc en er is een leerlingen en lerarenmodus voor opvolging. Kost wel 210 euro en is Engelstalig.

10/ En tenslotte als uitsmijter: de SENteacher, een must voor leraren uit het (buitengewoon) lager onderwijs. Boordevol gratis picto’s, freeware, lesbladen, spelletjes enz.

Leren met een smartphone

Met een werkgroep van de Europese Commissie was ik de voorbije dagen te gast in Hamburg voor een studiebezoek. Het onderwerp was deze keer BYOD ofwel “bring your own device”, het systeem van infrastructuurvoorziening waarbij elke leerling een eigen computer naar school meebrengt om mee te werken in de les.

De keuze voor Hamburg om daarover een studietweedaagse te organiseren was ingegeven door een grootschalige pilot: “Start in die nächste Generation”. Voor dat project werden 6 scholen geselecteerd (3 ASO en 3 BSO/TSO). De lokale overheid voorziet in de wifi-infrastructuur (géén detail in dit project!), de school bedenkt het pedagogisch model, de leerling brengt mee wat hij heeft, in 90% is dat een smartphone, slechts een minderheid brengt een tablet of laptop mee.

En dat is anders dan in andere landen of regio’s. Gedurende de eerste dag waren er een aantal inhoudelijke presentaties over het project maar ook landenpresentaties waarbij BYOD-initiatieven uit Duitsland, Cyprus, Luxemburg, Vlaanderen en Oostenrijk werden voorgesteld. Ik heb er zelf de resultaten van het Edutab-project voorgesteld.

Uit de verschillende presentaties bleek dat twee problemen steeds naar voor komen: infrastructuur (bandbreedte, een performant wifi-netwerk, oplaadpunten, …) en digitale leerinhouden. Wat dat laatste betreft merken we in de meeste landen een contentmix waarbij soms digitale versies van handboeken worden gebruikt, aangevuld met apps en door leraren zelf gemaakte oefeningen, werkbladen, e-books etc. Er is wat dit betreft in zowat heel Europa een appel aan educatieve uitgevers om businessmodellen te ontwikkelen voor de educatieve mobiele technologiemarkt. Zoniet evolueren we naar een model waarin meer en meer leraren zelf content (moeten) gaan ontwikkelen.

Uit de landenpresentaties bleek overigens wel een belangrijk verschil wat de technologie zelf betreft: in Cyprus betekent BYOD dat leerlingen meestal een laptop meebrengen, in Vlaanderen zijn dat overduidelijk tablets, in Duitsland smartphones.

slide BYODInteressant was ook de presentatie van Jim Ayre die de BYOD-gids van European Schoolnet kwam voorstellen. Hij presenteerde daarbij verschillende pedagogische en organisatorische modellen waarmee scholen aan de slag gaan. Van BYOD waarbij de school bepaalt welk merk of model tablet moet meegebracht worden, over scholen die enkel een minimumfunctionaliteit opleggen, tot scholen die alles toelaten. Pedagogisch betekent dit dat sommige scholen echt voor een geïntegreerde vorm BYOD gaan waarbij de meegebrachte toestellen effectief gebruikt en ook nodig zijn voor het leerproces. Andere gaan dan weer voor een vorm van BYOD waarbij de eigen devices eerder gedoogd worden maar slechts af en toe ingeschakeld worden in de lessen. Ook in Vlaanderen manifesteren zich dergelijke grote verschillen in aanpak heel duidelijk.

De praktijk dan. Op dag twee konden we een bezoek brengen aan één van de 6 pilotscholen. Ikzelf koos voor een gemeenschapsschool, “Stadtteilschule Oldenfelde”, waar beroeps en technisch onderwijs wordt aangeboden. Het was voor mij de allereerste keer dat ik een volledige klas zag leren met smartphones. Slechts 2 leerlingen hadden een tablet. De juf hanteerde een vrij traditionele set-up waarbij de leerlingen in een halve cirkel rond haar zaten. Gedurende deze les Engels moesten leerlingen informatie opzoeken op een Britse website en deze info verwerken in een online werkblad. Bij aanvang van de les moesten leerlingen een Padlet gebruiken voor een brainstorm. Alle taken konden ze vinden op het elektronisch leerplatform its learning. De problematiek van het vinden van digitale leerinhoud manifesteerde zich hier ook. Er werd een mix gebruikt van apps, het officiële leerhandboek, de werkbladen uit dat handboek, door de juf zelf gemaakte oefeningen en authentieke websites. De lerares bevestigde nadien dat er heel veel tijd kruipt in het bijeenzoeken van alle materiaal, het bedenken van de opdrachten en het inbrengen van dat alles in de leeromgeving.hamburg 3De leerlingen waren constant in de weer op hun gsm’s om info op te zoeken of in te vullen. In tegenstelling tot wat ik had verwacht hebben zij geen enkel probleem met het kleine scherm. Het zag er allemaal heel natuurlijk uit. Het gebruik van de smartphone ondersteunde de samenwerking tussen de leerlingen die in groepjes van 2 of 4 samen aan de taak werkten. De technologie was in deze klas ondersteunend aan de opdracht, en het leek voor de leerlingen niet extra motiverend. Na een tijdje (lesblokken duren hier 90 minuten aan één stuk!) merkte ik toch wat afleiding bij sommige leerlingen: ze begonnen te sms-en of hun facebookpagina te checken.

Belangrijkste conclusies van dit bezoek:

  • Er is nog een duidelijk rol weggelegd voor uitgevers, niet alleen voor het ontwikkelen van digitale methodes, maar ook voor kleinere leerobjecten, gebaseerd op methodes of deel uitmakend van leerlijnen.
  • Een goede technische infrastructuur gefinancierd én beheerd door de lokale overheid draagt in grote mate bij aan het succes van dit Duitse project. Het vergt overigens grote investeringen om een performant wifinetwerk draaiende te houden. Veel installatie- en onderhoudswerk wordt geoutsourced.
  • De aard van het device lijkt er minder toe te doen dan ik had verwacht. Zelfs met kleine schermen op smarthones slagen leerlingen er in reguliere opzoek- en invultaken te volbrengen.
  • Samenwerkend leren en de beschikbaarheid over multimedia apps leken hier de belangrijkste meerwaarde te leveren voor het leerproces. Het mobiele karakter van smartphones, wat klasdoorbrekend leren mogelijk maakt, bleef hier onbenut.
  • Er waren een aantal praktische beslommeringen die de lerares er gewoon bij had te nemen: in de klas waren heel weinig oplaadmogelijkheden voor de smartphones, de gsm zorgde soms voor afleiding, sommige leerlingen waren hun paswoord voor bepaalde apps vergeten,…

 

Radicalisering, extremisme en de media centraal op Media & Learning 2016

Op deze gitzwarte dag een kort verslag over de Media & Learning Conferentie. Deze vond plaats van 9 – 11 maart 2016 het Departement Onderwijs. Deze conferentie brengt beleidsmakers, onderzoekers, praktijkmensen en partners ui de media en de media-industrie samen rond actuele thema’s.

Eerlijk, ik was van plan een ander soort verslag te maken omdat er heel wat interessante mediatopics de revue zijn gepasseerd: media-competentiemodellen, videotoepassingen, VR-tools, filmeducatie en beeldgeletterdheid enz. enz.

M&L2 Maar na wat er vandaag in Brussel is gebeurd haal ik er enkel het thema “media en radicalisering” uit. Omdat de discussies, de tools en de resultaten van wat we tijdens M&L hebben geleerd, misschien een kleine bijdrage kunnen leveren om het extremisme waar we vandaag de trieste uitwas van zien te bekampen. Rode draad doorheen deze editie was dus het thema media en radicalisering. Er waren doorlopend workshops, screenings en debatten over radicalisering en hoe onderwijs hierop kan inspelen door te werken aan mediageletterdheid.

Tijdens een pre-conference workshop op 9 maart ging de Amerikaanse experte Prof. Renee Hobbs dieper in op de werking van via propaganda. Zij reikte tools aan om propaganda bespreekbaar te maken, te deconstrueren en hierrond een klaswerking op te zetten. Interessant aan haar programma Mind Over Media is dat ze focust op het herkennen, analyseren en deconstrueren van de mechanismen achter hedendaagse propaganda, eerder dan een moreel oordeel te vellen op de boodschap die getoond wordt.

Screenings waren er o.a. van de Belgische documentaireMijn Jihad”  en het materiaal dat daarrond voor scholen is ontwikkeld. Maar ook het praktijkvoorbeeld van het Xaveriuscollege uit Borgerhout waar het Palestijns-Israelische conflict wordt benaderd vanuit lokale geschiedenisboeken. Ook het schoolbeleid m.b.t. sociale media en hoe je jongeren daar op een verantwoorde manier mee aan de slag kan laten gaan kwam uitvoerig aan bod. Tijdens een van de debatten met o.a. het UNAOC, RAN, De Europese Commissie en de Raad van Europa werd de vraag behandeld hoe strijd tegen radicalisering kan omgedraaid worden naar een meer positieve en actieve benadering van actief burgerschap.

 

M&L5
Het slotdebat met o.a. Renee Hobbs, Rudi Vranckx, Karin Heremans en Moad El Boudaati dat je hier kan herbekijken ging dan waar over kaders en strategieën waarover scholen beschikken om radicalisering te bestrijden.

Meer informatie, en ook alle presentaties enz. zijn hier te vinden: http://media-and-learning.eu/programme/

Waarom tinkering beter is dan STEM

STEM is in enkele jaren tijd opgeklommen tot het buzz-woord in het onderwijs. Voorheen wist er slechts een doorwinterde wetenschapper of ICT’er in je school wat het omvatte, momenteel loop je mijlenver achter als je niet on-the-spot en zonder verpinken het letterwoord kan afratelen.
Directies haasten zich om nog voor de opendeurdag een aantal STEM-materialen geleverd te zien. Want zeg nu zelf: wat is er meer wervend voor een abituriënt van pakweg 6 of 12 jaar dan een Lego-robot die feilloos gekleurde steentjes herkent, een aantal bananen waar je piano kan op spelen of een heuse 3D-printer waar je mee aan de slag kan, als je je inschrijft uiteraard…
Waar een tiental jaar geleden het aantal digitale borden de uitstraling van je school naar de buitenwereld toe bepaalden, is het nu het  Stem-aanbod dat het verschil maakt.

Maar is STEM echt wel de vernieuwing waar we met zijn allen zitten op te wachten?

In de echte wereld dienen scholen karig te zijn met budgetten. Dat is alvast één open deur. Maar er dienen ook keuzes gemaakt te worden. Kan de installatie van dubbele beglazing nog even wachten? Krijgt de sportleerkracht zijn of haar langverwachte verlanglijstje? Is de computerklas nog operationeel en hebben we eigenlijk wel een degelijk wifi-netwerk op onze school? Kan het oudercomité financieel een extra project steunen of moet er een extra wafelbak komen?
Want koken kost uiteraard geld. Een school die wil starten met STEM moet toch een basis aan materialen aankopen. Een 3d-printer? Vlot 1000 euro en meer. Een aantal Lego Minstorm-dozen waarmee een volledige klas simultaan aan de slag kan? Leg alvast 9000 euro op kant. Robots via tablets aangestuurd? Meer dan 3000 euro voor de basissets. En ga zo maar door.
STEM-onderwijs geef je nu eenmaal niet klassikaal of frontaal, dat moet echt hands-on gebeuren of we vervallen in stokoude didactische werkvormen.

Dan toch maar niet? Toch wel! Al eens gedacht aan tinkering? Kijk voor eenmaal niet op naar onze Noorderburen: het is duidelijk in Engeland dat men het voortouw neemt. De verplichting aldaar om STEM-inhouden te integreren in elke basisschool noopte scholen immers om creatief, innovatief en kosteneffectief aan de slag te gaan.

Tinkering kan een antwoord bieden. Als je het woord letterlijk vertaalt dan bekom je iets als “twaalf-stielen-dertien ongelukken” of in het beste geval “manusje-van-alles”. Niet echt flatterend dus. Wij vertalen het liever als “onderzoekend leren” of “uitproberen, met vallen en opstaan”.  Oxford Dictionaries verklaren het als “pogingen om iets te repareren of te verbeteren op een alledaagse of ongeleide manier”.

Maar waar situeert tinkering zich nu in de hele STEM-filosofie?

Tinkering wil leerlingen op een actieve en creatieve wijze betrokken maken in wetenschappelijke fenomenen. Tinkering wil hen met alledaagse materialen uiting laten geven aan hun dromen om de omgeving aan te passen, te manipuleren. Uit den boze zijn handleidingen, strakke kaders of vooraf gedefinieerde uitkomsten. De zoektocht is belangrijker dan het resultaat. Deze filosofie kan samengevat worden in de woorden: Think, make, thinker.

In tegenstelling tot vele STEM-activiteiten die vooraf gedefinieerde denkpaden, materialen en instrumenten veronderstellen, zal een tinkerer gebruik maken van alledaagse voorwerpen die uitmaken van zijn omgeving, van gereedschappen die beschikbaar zijn. Tinkerers willen komen tot resultaten die handig, innovatief of gewoonweg mooi zijn.
STEM-elementen worden geconcretiseerd met alledaagse materialen en werktuigen. Zelfexpressie van de leerlingen en creativiteit staan centraal. Falen is hierbij zeker een optie en maakt in vele projecten nu eenmaal deel uit van het traject. Vergelijk het misschien met “Lieven Scheire for education”. Dus geen lasercutters of 3d-printers maar breekmessen en karton. Geen robots maar karikuri’s.

“Tinkering is about hands-on experiences, learning from failures, and unstructured time to explore and invent. And through the processes of exploration and invention lies the potential for innovation.” (Tinkerlab.com)

Door tinkering-activiteiten op te nemen in je leerplan wil je leerlingen inspireren en engageren om wetenschap te begrijpen, toe te passen en te beleven. Maar vooral om tevens de transfer te maken naar de ons omringende dingen, ze willen begrijpen, ze willen maken ,ze willen verbeteren. En net op dat punt lijkt de educatieve waarde van tinkering deze van STEM te overstijgen.
Voor de leerlingen is tinkering veelal creatiever en spannender, voor de leerkrachten pragmatischer en voor de directies financieel haalbaar(der).

Of zoals de Engelsen het verwoorden: Tinkering is the constructionist approach of STEM.

WP_20160302_14_38_16_ProGeprikkeld en zin in concrete projecten, concrete ideeën voor in je klas? Een mooie start vormt de site van het Amerikaanse ‘the Tinkering Studio’. Je vindt er uitgewerkte leerlingenfiches die je zo kan inzetten bij je eerste tinkering-les. Succes!

(http://tinkering.exploratorium.edu/projects)

 

Geert Callebaut
Odisee-Aalst

Lessen van BETT 2016

The Bett Show (wat staat voor British Educational Training and Technology Show) is de grootste onderwijstechnologiebeurs van Europa. De editie van 2016 bracht liefst 868 bedrijven samen die zich met technologische oplossingen richten op scholen, gaande van multinationals als Google, Microsoft en Apple tot kleinere start-ups en bedrijfjes die een specifieke oplossing aanbieden. Ik was er samen meer dan 35.000 andere bezoekers uit 110 verschillende landen. Onderwijstechnologie wordt bovendien niet al te breed gedefinieerd: het profiel van BETT is ICT en dat maakt het event ideaal om IT-trends te spotten, inspiratie op te doen en te netwerken.

Als ik de Top 3 van de trends moet samenvatten, dan kies ik voor 3 C’s: Cloud, Coding en Creatieve toepassingen. De rode draad was STEM: geïntegreerde trajecten waarin techniek, technologie en wetenschappen samenkomen in engagerende leertrajecten.
Nagenoeg alle exposanten bieden cloudgebaseerde oplossingen aan. Het mag duidelijk zijn dat het klassieke licentiemodel zijn beste tijd gehad heeft . Grote leveranciers zoals Google en Microsoft promoten heel fel hun (concurrentiële) clouddiensten. De strijd tussen Office 365 en Google Apps for Education werd ook op BETT uitgevochten, al stelden de titanen er ook andere innovaties voor. offcie 365 vs google apps3Zo pakte Microsoft uit met een heus Minecraft-land waarin de educatieve toepassingen van Minecraft in de kijker stonden. Minecraft Edu is immers een perfect voorbeeld van de integratie van cloud, programmeren én een creatieve toepassing. Ideaal dus voor STEM. Google stelde er dan weer zijn virtual reality programma “Google Expeditions” voor. Iedereen kent ondertussen het kartonnen brilletje, maar de app (vooralsnog een prototype ) is werkelijk mindblowing. Stel je voor dat je kan rondkijken vanuit het ISS of via virtuele realiteit de zee of een berg kan verkennen. Op dit moment zijn er meer dan 100 virtuele reizen ontwikkeld voor scholen.

WP_20160122_024WP_20160122_003

 

Tools om te leren programmeren waren er in overvloed en dat was te verwachten nu de Britse overheid nog maar net programmeren heeft toegevoegd aan het officiële curriculum. Een erg vooruitstrevende beslissing die bovendien wordt gesteund door een brede schare van openbare diensten (BBC!) en technologische bedrijfjes. BBC lanceerde op BETT zijn micro:bit maar Raspberry Pi spande de kroon in het STEM-village. Beide zijn eenvoudige (nou ja) programmeertools. Elke 7-jarige (!) in het VK krijgt binnenkort gratis een micro:bit. Het doel is om kinderen te leren software programmeren en nieuwe dingen te laten ontwikkelen. Raspberry Pi bestaat al veel langer en kon dus uitpakken met een breed gamma van toepassingen en educatieve projecten. Ook opvallend was het gamma aan 3D-printers voor scholen al dan niet voorzien van 3D-ontwikkelingssoftware en programmeer tools.
In de BETT aWP_20160122_031rena – het publieksforum – waren echter ook kritische geluiden te horen. Zo vroeg een Google-man zich openlijk af wat het punt is om van internet een konijntjesdesign te downloaden en dit vervolgens te printen op een 3D printer. STEM, programmeren en technieken als 3D-printers moeten volgens hem veel meer tegemoetkomen aan het oplossen van reële problemen .

Creatieve toepassingen waren er in overvloed: van portfolio’s waarmee je zelf leermiddelen kan maken, over eenvoudige game designer tools, tot handige en goedkope hardware zoals deze stopmotioncamera inclusief bijhorende studiosoftware van HUE-animation. Dingen maken, je creatief uiten met behulp van ICT, je eigen robot in mekaar zetten, zelf programmeren, … het is op zich een opvallend gegeven. Het feit dat er zoveel tools beschikbaar zijn om zelf aan de slag te gaan markeert een belangrijk keerpunt nl. dat waarbij leraren en leerlingen vooral gezien worden als passieve consumenten van technologie naar makers en doeners die zelf dingen gaan ontwikkelen. Laat dat de allerbelangrijkste trend van BETT 2016 zijn.

Scratch in de basisschool

Codetaal aanleren, zeg maar leren programmeren, bij kinderen: het wordt stilaan een hype. Als dynamische en immer vernieuwende leerkracht sta je hier wederom maar eens voor open…

Vluchten kan trouwens niet meer, in Engeland is het alvast een verworvenheid in het nationale curriculum: verplicht aan te bieden dus.
Bij ons is het zover nog niet, maar de evolutie gaat razendsnel. Willen we geen ‘computeranalfabeten’ afleveren die de sociale kloof alleen maar scherper stellen dan moeten we dit aanbod inderdaad breed aanbieden in de basisschool. Niet ieder gezin kan immers naschools meer dan 200 euro op tafel leggen voor een lespakket coderen.

Wat heb je nodig?

Concreet aan de slag gaan met je klas, daarvoor moet je naar de computerklas. Eén computer per duo is voldoende, de computers moeten zeker niet state-of-the-art zijn. Een realistisch school-scenario dus.

Scratch kan je eenvoudig online spelen (https://drive.google.com/file/d/0B_L_APuWYxGfbFVjUTF6dUFsc1E/view) of je kan het programma installeren op elke computer afzonderlijk (https://scratch.mit.edu/scratch2download/).

Heeft je school slechts een zwakke internetverbinding, dan is de tweede mogelijkheid wellicht de beste. Elke leerling die naar eenzelfde site surft kan immers nogal eens voor moeilijkheden zorgen op het netwerk.

Maar wat is Scratch nu eigenlijk?

Scratch is een zogenaamde object-georiënteerde visuele programmeertaal. Anders gezegd: door puzzelblokjes aan elkaar te hangen ga je je ‘figuurtje’ programmeren zodat het exact doet wat jij wil dat het doet. Je kan er spelletjes mee maken, verhaaltjes mee uitbeelden en er animaties mee maken. Op deze wijze helpt Scratch kinderen om de belangrijkste beginsels van programmeren te leren, te vergelijken met het aloude wiskundig ‘logisch denken’ (oorzaak-gevolg), gerelateerd aan multimediale dimensies.

Een plan van aanpak!

Scratch valt te implementeren in je klas als klassikale werkvorm (groepswerk) of als differentiatie-opdracht (contractwerk).

Om de basis in de vingers te krijgen, start je bij voorkeur met flitskaarten.  Een mooie set kan je hier downloaden: https://drive.google.com/file/d/0B_L_APuWYxGfbFVjUTF6dUFsc1E/view  Je leerlingen kunnen dan kiezen uit een heel pakket van opdrachten die ze moeten uitvoeren.

Klaar voor meer diepgang? Dan kan je je volledige klas aan de slag zetten om eenzelfde project uit te werken, met oog voor individuele vrijheid.  De whizzkids kunnen naar believen extra dimensies toevoegen (levels, geluiden, …) en jij als leerkracht kan extra aandacht besteden aan specifieke leerlingen. ‘Les geven’ zit er immers niet in: ieder groepje krijgt de instructie op papier en starten maar! Een voorbeeld? http://www.codeuur.nl/lesmateriaal

En wat is de finale stap: freewheelen! Iedere leerlingen werkt naar eigen believen een verhaaltje of een spel uit op Scratch, iedereen helpt elkaar, de leerkracht helpt met zoeken. Een mooi voorbeeld van leergebiedoverstijgend werken.

 

Oh ja, nog dit: je hoeft echt zelf geen Scratch-specialist te worden als leerkracht. Inzake coderen (en breder: STEM) hoeft de leerkracht niet langer het klassieke patroon van ‘kennisdrager’ te volgen, maar wel de rol van ‘facilitator’ op te nemen. Anders gezegd: je hoeft niet de juiste antwoorden te kunnen geven, maar wel de juiste vragen kunnen stellen en de leerling soms een duwtje in de juiste richting te geven. Het denkproces is belangrijk bij het kind, niet de reproductie. En om dat te begeleiden, ben jij als leerkracht uitermate goed geplaatst en geschoold, zelfs al heb je nooit ‘computerles’ gekregen.

 

Learning Tech Day

CDHcNZsUIAAWFeY
Afbeelding via @Haspie

Afgelopen week organiseerde Mathias Vermeulen (Winston Wolfe) de allereerste Learning Tech Day, een conferentie over (e)leren, voor en in samenwerking met de Vlaamse bedrijfswereld. Er waren maar liefst 3 keynote speakers en verschillende break-out sessies. Edublogs was aanwezig, en keek even over het muurtje hoe bedrijven ‘leren’ aanpakken.

Keynotes

De eerste spreker was Chad Udell, een Amerikaanse professor, entrepreneur en schrijver die focust op mobile learning. Zijn betoog ging vooral over hoe de flexibele werknemer, die weinig op bureau is (denk het Starbucks/coworking type), anders wil gaan leren: via een mobiel, gepersonaliseerd, interactief en open sociaal netwerk platform. Hoe Chad Udell dit concreet ziet, werd tijdens de keynote niet besproken, waardoor deze sessie een beetje in vaagheid bleef steken.

De tweede keynote werd gegeven door Ben Betts, oprichter van het sociaal netwerk platform Curatr. Dit platform focust op samenwerkend leren met gamification elementen en leent zich tot het opzetten van (privé) MOOCs. Ook deze keynote bleef een beetje vaag, maar het voordeel is wel dat er over enkele weken een Nederlandstalige MOOC start over hoe men sociaal leren kan invullen, gebruik makend van het platform Curatr (hier inschrijven).We kijken alvast uit naar deze concrete invulling.

De derde keynote werd gegeven door Frank Van Massenhove
(Voorzitter van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid). Van Massenhove is vooral bekend als een bijzondere manager die ook echt een verschil heeft gemaakt, door zijn ambtenaren thuis te laten werken en daar enorme besparingen met realiseerde. Deze keynote ging minder over leren, dan wel over hoe je de nieuwe werknemer kan organiseren. Van Massenhove is een zeer inspirerende manager en voor mij het absolute hoogtepunt van deze dag.

Leren in het Vlaamse bedrijfsleven

Naast de keynotes, brachten enkele bedrijven sessies over hoe ze e-leren aanpakken in het bedrijfsleven. Mij vielen volgende zaken op:

1) Aansluitend bij de keynotes, hadden enkele spelers het over de nieuwe werknemer en leren via sociale netwerken. Hoe ze dat leren voor dit type werknemer aanpakken en of er concreet ook geleerd wordt, blijft toch een groot vraagteken.

2) Veel elearning-spelers gaven aan dat het moeilijk is om leren te ontwerpen in Vlaanderen. Veel bedrijven zien leren immers nog als iets dat voornamelijk in cijfers moet kunnen weergegeven worden: x% heeft de nieuwe procedures gelezen en y% de bijhorende vraagjes correct beantwoord etc. Deze klanten wensen dan ook voornamelijk ‘Rapid e-Learning’ oplossingen, een modeterm voor e-learning oplossingen die snel in leerbehoeften voorzien en bij voorkeur ook nog eens goedkoop zijn.

3)  Een groot deel van de e-learning bedrijven voorzien ook nog in de e-learning oude stijl: learning management systems (elektronische leeromgevingen), leerpaden, leerobjecten en de bijhorende vragen aan het einde van het leertraject.

Conclusie:

De traditionele werknemer wordt steeds vaker vervangen door zijn flexibel evenbeeld. Een nieuwe vorm van leren zal dan ook noodzakelijk zijn om te voldoen aan de wensen van deze nieuwe werknemer. Vandaag zitten we duidelijk op een scharniermoment en zoekt iedereen zijn plaats onder de zon. Bedrijven zullen wel iets verder moeten gaan, dan ‘leren’ zuiver te interpreteren als een snel tussendoortje dat het personeel moet ondergaan en dat afgevinkt kan worden van een todo-lijstje. E-learningbedrijven zullen dan weer met oplossingen moeten komen die mobiel, gepersonaliseerd, interactief en samenwerkend leren faciliteren én realiseren.

Veel vragen blijven dus onbeantwoord. Op naar Learning Tech Day 2016.

Programmeren is het nieuwe Latijn

Als we willen dat alle jongeren de huidige snelle technologische evolutie kunnen volgen, en als we voldoende jongeren willen motiveren om nieuwe technologie te creëren, moeten onze jongeren informaticavaardig worden. En dat gaat een stuk verder dan louter het gebruik van computers, en houdt ook in dat de jongere moet begrijpen hoe computers en software werken. Om dit te realiseren zijn nieuwe, ambitieuze eindtermen en leerplannen broodnodig, alsook goed opgeleide leerkrachten en een goede infrastructuur. Dit zijn, in een notendop, de conclusies van een uitgebreid rapport van de Jonge Academie en de KVAB, de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Kunsten en Wetenschappen.

do you speak code

De KVAB vertrekt vanuit de volgende vaststellingen voor het schrijven van dit advies:

  • De snelle technologische evoluties in alle maatschappelijke sectoren, waardoor een grondige kennis van de onderliggende werkingsprincipes van de digitale technologie nodig is om jongeren op een permanent veranderende toekomst voor te bereiden.
  • De vaststelling dat momenteel bijna alle huidige en toekomstige jobs (zowel routine als non-routine jobs en zowel de jobs van hoog- en laaggeschoolden) in meer of mindere mate een ICT-component (zullen) kennen.
  • De noodzaak om jongeren niet enkel op te leiden als goede technologiegebruikers, maar hen ook de basis van programmeren bij te brengen zodat ze de werking achter de technologie die ze dagdagelijks gebruiken, beter begrijpen.
  • De verwachting van diverse overheden dat een sterke component informaticawetenschappen wordt aangeboden in STEM-georiënteerde en technologische richtingen.

De KVAB formuleert 2 hoofdaanbevelingen:

1/ Zowel in het basisonderwijs als in het secundair onderwijs dient een sterke component informaticawetenschappen opgenomen te worden in het leerplichtonderwijs. De op stapel staande onderwijshervorming biedt hiertoe een unieke kans.

2/ Om degelijk onderwijs in de informaticawetenschappen te kunnen aanbieden, dienen de lerarenopleidingen inhoudelijk aangepast te worden en aantrekkelijker gemaakt. Tegelijk dient op korte en middellange termijn sterk ingezet te worden op bijscholing en navorming van het bestaande leerkrachtenkorps.

 

Lees het volledige advies op :

http://www.kvab.be/downloads/stp/ktw-ja_informaticawetenschappen.pdf

Het European Schoolnet publiceerde eind vorig jaar een overzicht van hoe programmeren structureel ingebed zit in Europese curricula. http://www.eun.org/c/document_library/get_file?uuid=521cb928-6ec4-4a86-b522-9d8fd5cf60ce&groupId=43887

ICT en digitale media in het onderwijs: wat zeggen de beleidsnota’s?

Dat er (serieus) moet bespaard worden wisten we al. Toch hebben de Vlaamse beleidsnota’s van Onderwijs, Media, Cultuur, Inburgering en Armoede ook aandacht voor de verdere digitalisering van het onderwijs. Wat opvalt is een continuering van voorgaand beleid met aandacht voor digitale leermiddelen en een duidelijke focus op digitale geletterdheid. Als we op de beleidsnota’s afgaan moeten we niet echt grootschalige nieuwe projecten verwachten. Dat heeft uiteraard met de krappe budgetten te maken. Een beleidsnota is weliswaar een belangrijke indicatie voor het nieuwe beleid, de ervaring leert echter dat veel beleid en cours de route vorm krijgt. Zo vermeld de beleidsnota Onderwijs zo goed als niets over curriculumhervorming, terwijl die er – in het kader van de hervorming Secundair Onderwijs – wel zit aan te komen. Zo’n curriculumhervorming zou voor allerhande zogenaamde 21e eeuwse vaardigheden (waaronder digitale geletterdheid, programmeren, mediawijsheid,…) wel eens heel belangrijk kunnen zijn. Maar het blijft dus nog wachten op meer concrete beleidsintenties op dat vlak. Hierna een overzicht van wat al wél al in de beleidsnota’s staat.

media_xll_7243779

 

 

 

 

 

Infrastructuur

Minister van Onderwijs Crevits wil ter vervanging van de huidige aflopende regeling voor internetconnectiviteit (Telenet-SchoolNet) een nieuwe raamovereenkomst onderhandelen rond breedband internet voor scholen.
Opleiding

Omwille van de besparingen werden de middelen voor ICT-nascholing via de vzw SNPB geschrapt en herbestemd. Wel wil de minister inzetten op Massive Open Online Courses (MOOCs) als e-learning methodiek en als nascholingskanaal voor leraren.

 

e-safety
eSafety-Logo_RGBCentraal in het beleid staat het eSafety Label project, dat na twee jaar als pilot klaar is om breed uitgerold te worden. Dit project beoogt een geïntegreerde aanpak van veilig ICT-gebruik via een schoolbrede aanpak waarbij op drie terreinen wordt gewerkt:

  • Schoolbeleid: Acceptable Use Policy, rol van ICT-coördinatoren, beleid inzake gsm-gebruik, social media beleid, …
  • Praktijk: mate waarin veilig ICT-gebruik aan bod komt in de lessen, mate waarin ouders betrokken/geïnformeerd worden, nascholing,…
  • Infrastructuur: firewall, back-up, paswoordenbeleid,…

 

Onderzoek

In 2016 is een evaluatie van het Plan Geletterdheid voorzien, dit met het oog op de verdere uitbouw van een structureel geletterdheidsbeleid in de periode 2016-2020. En om het ICT-beleid in het Vlaamse Onderwijs te monitoren en te evalueren voorziet minister Crevits een nieuwe afname van de ICT-monitor in 2017.

 

Digitale leermiddelen

De Beleidsnota Cultuur (minister Sven Gatz) meldt dat zowel het gamefonds als het Vlaams Instituut voor Archivering van Audiovisueel materiaal (VIAA) nog voorwerp zijn van evaluaties. Van beide organisaties loopt de beheersovereenkomst weldra ten einde. We gaan ervan uit dat deze nog niet zolang geleden opgestarte projecten verlengd zullen worden. Het VIAA dat o.a . het VRT-archief openstelt voor scholen levert immers schitterend werk. Een kleine 300 leraren testen momenteel hun educatief platform Testbeeld uit. Minister Crevits kondigt in haar eigen Beleidsnota trouwens aan dat ze de educatieve werking van het VIAA actief wil steunen.

Minister Crevits kondigt ook de uitbouw van een uniek toegangsportaal voor open leermiddelen aan, wellicht in de vorm van een single sign-on infrastructuur voor diverse leermiddelenverstrekkers zoals VIAA, Klascement, Knooppunt etc.

 

Mediageletterdheid

Om gelijke tred te houden met de snelle digitalisering en verdere mediatisering van de samenleving moet er de volgende jaren nog meer aan mediawijsheid worden gewerkt. Om deze reden krijgt het Kenniscentrum Mediawijsheid (www.mediawijs.be) meer verantwoordelijkheid. Voogdijminister Gatz wil dit Kenniscentrum uitbouwen tot hét referentiepunt voor mediawijsheid in Vlaanderen. Het Kenniscentrum Mediawijsheid zal nieuwe acties en initiatieven ondernemen, actuele trends opvolgen en specifieke doelgroepen bereiken. En dit in overleg met o.a. het beleidsdomein onderwijs.

Het leesbevorderingsproject ‘Kranten in de Klas’ blijft bestaan maar wordt grondig aangepast. Van een passieve kennismaking met gedrukte kranten moet het project evolueren naar een actieve consultatie van digitale nieuwssites, participatie aan discussiegroepen ed. De komende legislatuur wil bevoegd minister Sven Gatz dit project nog meer afstemmen op de technologische evoluties binnen het medialandschap.

 

Digitale kloof

In de beleidsnota’s ‘Inburgering’ en ‘Armoedebestrijding’ vinden we tenslotte enkele passages terug over de bestrijding van de digitale kloof. Al zijn die minder concreet uitgewerkt. Binnen de inburgeringstrajecten wil de bevoegde minister Liesbeth Homans extra aandacht voor het werken aan geletterdheid in zijn ruime betekenis, waaronder digitale geletterdheid. Op die manier wil ze de Nederlandse taalverwerving extra ondersteunen en de digitale kloof verminderen. Ambitieus is de wil om bij inburgeringstrajecten gebruik te maken van ‘e-learning’ of ‘blended learning’ teneinde de combinatie van inburgering met werk, kinderopvang, opleiding, verblijf in het buitenland, etc. mogelijk en makkelijker te maken.

flip the class 2.0

Kinderen en jongeren lijken soms wel alles te filmen. Het stereotype beeld van de Japanner die op vakantie foto’s neemt van zowat alles wat op zijn pad komt, wordt stilaan ingehaald door onze jeugdige medemens met gsm-camera. Het immens populaire Youtube koos niet toevallig ‘broadcast yourself’ als slogan. De beeldcultuur waarvan al decennia sprake is, komt pas de laatste jaren echt tot uiting. Handleidingen lezen jongeren niet meer, ze bekijken de instructie op een online filmpje, recepten komen niet langer uit een kookboek, maar worden door Piet of Jeroen ‘on demand’ getoond op het internet.

En dat was wat Bale wou aantonen met zijn piramide. Deze piramide is niet wetenschappelijk onderbouwd en werd door Bale zelf in twijfel getrokken, maar levert wel een mooie basis om het leren te taxeren kijken en luisteren levert betere leerresultaten op dan kijken alleen. Maar als je iets zelf uitlegt aan een lotgenoot, dan pas kom je tot echte verwerking van de inhouden.

Het door de leerling of student zelf toelichten van de leerinhouden aan anderen, brengt ons al snel bij de aloude en alom gevreesde “spreekbeurt”. Dit concept heeft aan vele generaties mooie diensten bewezen, maar laat ons wel wezen: in 2014 is de spreekbeurt oneindig gedateerd en kan nog slechts een plaats hebben in het kader van ‘nostalgie’.

Maar is er dan geen mogelijkheid tot de spreekbeurt 2.0 ? Leren moet en zal blended gebeuren in ons huidig onderwijskader. Welnu, laat ons dan het concept ‘spreekbeurt’ even in de blender steken met de broadcast yourself-cultuur en de filosofie achter the flipped classroom. Kan dat iets moois opleveren?

Leerlingen verwerken in “the flipped classroom 2.0” de leerstof met een maximaal leerrendement door het bekijken van instructiefilmpjes over diezelfde leerstof die door hun medeleerlingen zelf gemaakt zijn en online zijn geplaatst op het digitale leerplatform van de school. De voordelen zijn legio. Vooreerst is het een continue training in mediageletterdheid, mediawijsheid en instrumentale competenties (niet toevallig de drie basiszuilen van het leerplan Mediakunde). Maar het is tevens een vakgebiedoverschrijdende, projectmatige insteek in je klas. En tenslotte behoud je alle voordelen van een geflipte klas: meer mogelijkheden tot inoefening, maximale differentiatiemogelijkheden én het stimuleren van een onderzoekende basishouding.

Praktische problemen mogen ons niet overtuigen om het klassieke lesgeven te blijven verankeren. Technologie was nog nooit zo goedkoop en dichtbij. Een open leercentrum in elke school (lees: een voor elke leerling voor- en naschools toegankelijk computerlokaal) vangt al vele bezwaren op trouwens.

Als je de klas wil flippen, flip ze dan volledig. Elimineer het laatste passieve deel in het onderwijsproces, namelijk het “zwijg en luister naar de instructie van de leerkracht”. Laat leerlingen steeds meer zelf de instructie geflipt geven. De leerkracht wordt zo steeds meer mediator in plaats van instructor.

Keynote Pierre Dillenbourg: Ten surprises in our MOOC experience

Onderstaande post werd geschreven op basis van de Keynote van Pierre Dillenbourg op IFLA 2014 in Lyon. Mocht u Pierre Dillenbourg niet kennen, hij is naar mijn mening België’s belangrijkste wetenschapper in het onderwijsveld. Wie nog wat meer achtergrond over MOOCs wenst, kan eerst deze eerder gepubliceerde post lezen.

EPFL

Dillenbourg is momenteel professor en onderwijsdirecteur aan de Universiteit van Lausanne (EPFL). Traditionleel heeft de universiteit 10.000 studenten, nadat de universiteit begon met MOOCs, werden het er maar liefst 600.000. De MOOCs aan het EPFL worden in het Frans of het Engels gegeven, vanaf komend academiejaar zal elke MOOC (via ondertiteling) in beide talen beschikbaar zijn. Alle cursussen zijn gratis toegankelijk. Er is de mogelijkheid om een gratis certificaat te krijgen na afloop van de MOOC, alsook de optie voor een betalende (en meer uitgebreide) versie. Maar opgelet, deze certificaten worden door het EPFL, alsook de Vlaamse instellingen, zelden gelijk gesteld aan studiepunten of credits.

Welke studenten?

De studenten die deelnemen aan een MOOC, zijn traditioneel hoger opgeleid. Ook aan het EPFL is dat niet anders, slechts een minderheid heeft enkel een diploma secundair onderwijs (of lager). Deze steeds terugkerende  vaststelling impliceert dan ook dat MOOCs ons hoger onderwijs niet zomaar kunnen vervangen. Het lijkt erop dat alleen wie voldoende ‘zelfstudie’ capaciteiten bezit, baat heeft bij MOOCs.

MOOCs een Amerikaans verhaal?

Een doorn in het oog van menig Europeaan is de Amerikaanse dominantie binnen de MOOC aanbieders. De grote drie, Coursera, edX en Udacity komen uit de VS, binnen Europa is Futurelearn de bekendste (UK). Recent zagen we ook meerder Europese landen met een eigen platform beginnen (zie bv Wikipedia voor een uitgebreider overzicht). Dillenbourg ziet nochtans voordelen voor Europa, want wij hebben Bologna. Alleen is er op dit moment nog veel te weinig samenwerking tussen de Europese landen.

Van open leermateriaal tot volledig curriculum

Dillenbourgh maakt een interessante as m.b.t. tot de samenhang van leermiddelen. Aan de ene kant van het spectrum bevinden zicht de open educational resources (OER) of open leermaterialen (denk Klascement.be in Vlaanderen) die de leerkracht kan gebruiken binnen zijn eigen lessen. Deze meestal kleine leerobjecten kunnen zowel bestaan uit een cursustekst, een oefening, een video, een java applet etc. In het midden van de as zit de MOOC die een volledige cursus omvat over een specifiek onderwerp. Aan het andere einde van de as staat een volledig curriculum. Het bekendste voorbeeld momenteel van een volledig curriculum bestaande uit MOOCs is de Master opleiding in Computer Science die wordt aangeboden door Udacity, Georgia Tech en AT&T. Het meest bijzondere aan deze opleiding is de kostprijs, zijnde 7.000 dollar, een koopje als je weet dat deze opleiding normaal 200.000 dollar kost in de VS. Ergens tussenin zitten nog gespecialiseerde websites die categoriseerde leerobjecten aanbieden, de bekendste is ongetwijfeld de Khan Academy“Keynote Pierre Dillenbourg: Ten surprises in our MOOC experience” verder lezen

ICT-monitor (2) effectief ICT-gebruik in Vlaamse scholen

Aan leerkrachten is gevraagd in welke mate ze verschillende klasgerelateerde activiteiten uitvoeren waarbij ICT kan ingezet worden. Het effectieve gebruik van ICT voor lesvoorbereidingen en tijdens de lessen is er licht op vooruitgegaan t.o.v. vijf jaar geleden. Maar van een veralgemeend ICT-gebruik is nog lang geen sprake. De overgrote meerderheid (85%) van de leerkrachten in het lager onderwijs  gebruikt de computer regelmatig (dagelijks of wekelijks of meerdere keren per maand) voor lesvoorbereidingen. Iets meer dan 50% gebruikt de computer regelmatig tijdens de les. Ook opvallend is dat ICT in het lager onderwijs het meest gebruikt wordt in het leergebied wereldoriëntatie (54,1%) gevolgd door wiskunde (26,1%) en Nederlands (10%).

aard en frequentie samenv 

 

 

 

 

 

In het secundair onderwijs is het gebruik in de lessen nog veel lager. Iets meer dan 70% van de leerkrachten gebruikt de computer regelmatig voor lesvoorbereidingen. De meerderheid van de leerkrachten (50%) gebruikt de computer slechts een paar keer per jaar in de les; slechts 35% van leerkrachten in het secundair onderwijs gebruikt de computer met enige regelmaat. In het lager onderwijs gebruikt 4% van de leerkrachten de computer nooit. In het secundair onderwijs is dat percentage liefst 13,4%.

 Games en sociale netwerksites

Het gebruik van sociale netwerksites en games voor educatieve doelen is nog niet ingeburgerd in het onderwijs. 80% van de leerkrachten secundair onderwijs en 77% in het basisonderwijs gebruiken helemaal nooit games in de klas. Jongere leerkrachten en leerkrachten uit de eerste graad secundair onderwijs gebruiken soms games. Iets meer dan de helft van alle leerkrachten gebruikt nooit sociale netwerksites in het basis- en secundair onderwijs. Jongere leerkrachten en leerkrachten in het BSO gebruiken iets meer sociale netwerken dan hun collega’s.

Het volledige rapport vind je hier

Lezing stressvrije scholen

Transcendente meditatie en stressvrije scholen

Het is woensdagochtend 26 februari. In het Gentse vormingscentrum Guislain geeft de Canadese Dr. in de fysica Ashley Dean een lezing met de welluidende titel: ‘Stress-free schools through consciousness-based education. Unfolding the inner genius of every student’.

De lezingen zijn een initiatief van de Belgische Maharishi Institute of Vedic Science VZW en de David Lynch Foundation. In mei vorig jaar werd een eerste reeks lezingen geven, deze week geeft Dr. Dean opnieuw 10 lezingen in 5 Vlaamse Steden.

Uitgangspunt is de transcendente meditatie. Dit is een specifieke meditatie die vorm gegeven werd door de Indiër Maharishi Mahesh Yogi. De meditatie kan enkel aangeleerd worden bij een erkende instantie, in Vlaanderen is dit de reeds hierboven vermelde Maharishi Institute of Vedic Science.

Het doel van de organisatie is om deze vorm van meditatie te integreren in het lesprogramma. Voor de leerlingen en de leerkrachten betekent het concreet dat men tweemaal 15 minuten per dag samen tijd neemt om te mediteren. Het mediteren zelf wordt altijd één-op-één aangeleerd.

Voordelen: ze zijn er, soms eerder vaag en een beetje mistig

De voordelen van transcendente meditatie zijn meervoudig volgens Dr. Dean: reductie van stress en angst, ontwikkeling van het brein, verhoogde creativiteit, betere gezondheid en relaties. Binnen een schoolomgeving zou dit de leerlingen rustig maken, de stress- en de criminaliteitscijfers laten dalen, de leerwinsten aanzienlijk verbeteren en het aantal drop-outs sterk reduceren. Alle beweringen werden ondersteund met cijfermateriaal, maar op basis van enkel de presentatie, is het moeilijk in te schatten hoe wetenschappelijk onderbouwd dergelijke stellingen zijn.

Iets vager werd het allemaal toen Dr. Dean over de macro-effecten begon. Als 1% procent van een gemeenschap actief transcent mediteert, dan treedt er een golf-effect op: de rust en alle hierboven opgesomde voordelen zullen zich verspreiden over de volledige gemeenschap via een soort ‘veld’. Er werden ook slides getoond die aantonen dat er vandaag al minder conflicten zijn en dat de criminaliteitscijfers in sommige steden reeds enorm gedaald zijn (Liverpool). Dr. Dean had ook voor ons uitgerekend hoeveel de gezondheidszorg in België kost per persoon, zijnde 3700 euro per persoon per jaar. Mochten we allemaal transcendent gaan mediteren, dan zou het ons zelfs 5600 euro per 5 jaar besparen. Een leerling transcendent leren mediteren kost dan weer 200 per persoon, maar het zou wel 300.000 euro opbrengen…

Wat transcendente meditatie nu precies op microniveau met ons doet, heb ik ook niet helemaal begrepen. Het zorgt ervoor dat ons brein ‘coherent gaat functioneren’ en toegang krijgt tot een dieper niveau in onszelf waar meer kennis in zit dan we eigenlijk beseffen. Ook de ‘inner genius’ bleek een rekbaar begrip. De nadruk bleef namelijk liggen op een goed presterend kind, niet op een kind dat zich gewoon goed voelt.

Kostprijs

Maar hoeveel kost het u nu? Het business-model achter deze lezing is uiteraard het verkopen van meditatie-lessen (gespreid over 4 dagen). Normaal kost een dergelijke training 1200 euro in Vlaanderen, maar nu kan het voor 900 euro. Het laagste tarief dat werd vernoemd was 450 euro. Voor de eerste school in België die begint met het implementeren van de transcendente meditatie, zal de David Lynch Foundation alles terugbetalen. Men gaf ook toe dat het in België bijzonder moeilijk is om een school te overtuigen. De eerste ronde in mei was in die zin dus niet succesvol.

Veel publiek zat er niet in de zaal (20 max), maar dat had waarschijnlijk met het aanvangsuur te maken, aangezien de namiddagsessie en de avondsessie wel degelijk uitverkocht zijn. Enkele aanwezige leerkrachten hadden interesse, maar zagen zich niet in staat om de directie en de collega’s te overtuigen. Het meest pakkende moment vond ik zelf een meisje van 18 die zichzelf voorstelde als een drop-out die graag terug naar school zou willen, op voorwaarde dat ze er aan transcendente meditatie doen. In de VS kan je daarvoor bij Dr. Daens’ school terecht, maar in Vlaanderen zijn er helaas voor haar, geen op transcendente meditatie-gebaseerde alternatieven beschikbaar.

Conclusie

De lezingen rond stressvrijen scholen staan enorm in de belangstelling en kunnen zowel rekenen op applaus als op hoongelach. Ik heb behoorlijk wat zaken gehoord waar ik mijn ernstige twijfels bij heb, maar anderzijds vind ik ook niet dat we kind met hat badwater moeten weggooien. We hebben met z’n allen te veel stress (denk ADHD, depressie bij kinderen etc.) en de tijd die effectief aan leren besteed kan worden is inderdaad op veel scholen dramatisch (50 minuten in theorie, soms amper 5 effectief). Als onderzoeker zou ik het zeker interessant vinden om onafhankelijk onderzoek op deze methode en andere vormen van meditatie los te laten. Een beetje meer innerlijke rust kan vast geen kwaad in deze toch wel hectische tijden.

Anders gaan lesgeven met nieuwe media

Het begint stilaan te dagen bij steeds meer lesgevers: de tijd is rijp om de klassieke manieren van lesgeven definitief achter ons te laten en voluit te gaan voor echte onderwijsvernieuwing.

Dus niet meer het mantra hanteren van het digitale bord dat de vernieuwing in de klas brengt, maar uitkijken naar echte vernieuwingen. De grote interesse die er bestaat voor blended learning en the flipped classroom zijn hierbij tekenen aan de wand. In onderstaand artikel lijsten we enkele mogelijkheden op. Let wel: het is niet de bedoeling om een kant-en-klare handleiding voor te schotelen, maar eerder inspirerend te werken. Geen twee lesgevers zijn immers gelijk. Iedereen zal zelf een pakket op maat moeten samenstellen waar hij/zij zich goed bij voelt. Aanzie onderstaand overzicht dus als een niet-exhaustief pakket waar je zelf je ideale klas mee kan samenstellen. Mogelijks nog niet dit jaar, zelfs nog niet volgend jaar. Maar ooit zal de tijd rijp zijn om écht “anders te gaan lesgeven”.

Digitale borden

Digitale borden zijn de grootste hype voorbij. Er zijn weliswaar tal van lesgevers die er fantastisch werk mee leveren. Er zijn spijtig genoeg echter tevens tal van lesgevers die zich gedwongen voelen om mee te surfen op de hype en er na jarenlang gezucht en gezwoeg nog steeds de meerwaarde niet van ontdekken. En terecht: het is dan ook maar een van de vele hulpmiddelen die je kan gebruiken in de klas. Spijtig genoeg soupeert zo’n digitaal bord vaak het totale ICT-budget voor een klas op zodat er geen financiële ruimte meer bestaat voor alternatieven. Bezinnen dus voor je begint: onderzoek wees reeds uit dat amper 44% van de leerkrachten die een digibord ter beschikking hebben er ook effectief gebruik van maakt… (Stijn Vanlaer, 2012). De reden: hun stijl van lesgeven is niet compatibel met de mogelijkheden dat dergelijk bord biedt.

Daarom het advies aan alle twijfelaars: probeer het eerst eens met een zelfgemaakt digibord. Als je al een beamer hebt staan of hangen, dan kost het je maar een avondje installeren en ongeveer 12 euro. Merk je na enkele maanden dat je een meerwaarde ondervindt inzake het behalen van je lesdoelen, dan kan je met de nodige argumentatie op zoek gaan naar een commercieel digibord. Want we moeten eerlijk zijn: een commercieel digibord werkt toch prettiger en vlotter dan een zelfgemaakt digibord.

Zelf aan de slag gaan? Wij vinden de Smoothboard-software bij de beste op de markt, spijtig genoeg betalend. Een gratis alternatief vind je bij www.uweschmidt.org Deze software is trouwens geschikt voor alle platformen.

Bordboeken en bordlessen

De uitgeverijen bieden een steeds ruimer pakket van bordboeken en bordlessen. Handig in het gebruik en didactisch zeer goed onderbouwd. Vaak worden er ook testen, differentiatiemogelijkheden,… toegevoegd waar je als lesgever rijkelijk kan uit putten. Top!

Maarvaak heb je doorheen je carrière al zeer mooie en waardevolle werkblaadjes, mappen, schema’s,… zelf aangemaakt. Deze vallen zeer eenvoudig over te zetten naar een digibord-formaat.

Open Sankoré biedt een zeer mooi en bovendien gratis aanbod hiertoe: http://open-sankore.org Deze open-source software laat je toe om zelf bordlessen en bordboeken aan te maken en geeft je alle tools die de grote commerciële pakketten ook aanbieden. Zeker het proberen waard. Je kan het trouwens gebruiken op elk type digitaal bord. Heeft je ene klas een Smartboard en je andere klas een Activboard: geen probleem met compatibiliteit.

Je smartphone als presenter

Als je een Prezi of Powerpoint-presentatie geeft, als je een lezing aanbiedt, dan hang je letterlijk vast aan je computer: je moet immers klikken om je volgende dia tevoorschijn te laten komen. En je wil lesgeven tussen je leerlingen, je door het volledige lokaal bewegen. Waarom gebruik je je smartphone niet om los te komen van je spreekgestoelte, van je computer? Kijk maar eens in de app store van je telefoon naar het aanbod onder de zoekterm “presenter”. Wij testten Smartshare Presenter uit voor Windows Mobile. Je opent je ppt via de plug in op je pc en je opent de bijhorende app op je smartphone. Beide devices maken verbinding met het beschikbare netwerk en je kan je dia’s zien op je schermpje, inclusief eventuele annotaties die je toevoegde als spiekbriefje.

 

Een tablet voor de juf of meester

Willen we in de klas zelf aan de slag met een tablet? Dan kan het zinvol zijn om je tablet het scherm van je klascomputer of laptop te laten overnemen. Waarom? De meeste software (bordboeken, Sankoré, Office,…) die we gebruiken in onze lessen bevindt zich wel op onze computer, maar niet op onze tablet. Als we ons computerscherm kunnen zien en kunnen bedienen op onze tablet, dan staan we niet langer frontaal les te geven, maar wandelen we rond in de klas met ons eigen digibord in de hand. Het proberen waard!

Splashtop.com is een voorbeeld van software dat dit mogelijk maakt. Je installeert Splashtop op je computer (verbonden met de beamer) en je opent de Splashtop-app op je tablet. Via het Wifi-netwerk maken beiden verbinding en je kan starten met je les. Als je je tablet aan een van je leerlingen geeft, kan deze zelfs de oefeningen aan het bord oplossen, zonder van zijn plaats te gaan. Werkt met iOS, Android en zelf Windows RT.

Educreations werkt op soortgelijke wijze, maar heeft als bijkomend voordeel dat je zeer eenvoudig je lessen kan opnemen: een combinatie van je bordschema’s en je stem. Doe je dit thuis, dan kan je op deze wijze instructiefilmpjes maken dewelke direct op het platform van Educreations te zien zijn, voor eenieder die jij wil.

Doceri doet dit ook, maar sluit zich aan bij de Ipad-dictatuur. Niet beschikbaar voor andere platformen dus.

Een tablet voor elke leerling

Een revolutie die mogelijks start in het hoger onderwijs en via deze weg ook naar andere niveau’s zal uitspreiden: de tablet als nieuwe boekentas. Studenten kopen jaarlijks vaak voor honderden euro’s cursussen. Als de docenten deze digitaal ter beschikking stellen, dan is de aankoopprijs van een tablet er al snel uitgehaald. Dit speelt in op de toekomstige trend van BYOD: bring your own device.

Smoothboard Air speelt hier direct op in. Het idee is dat de leerkracht bij de start van de les een QR-code toont op het projectiescherm waarna elke aanwezige student zich kan aanmelden: de presentatie wordt door het scannen van de code overgenomen op elke individuele tablet of smartphone. De annotaties die de leerkracht gedurende de les maakt, verschijnen tevens op alle devices en worden er ook in opgeslaan: elk bordschema zit automatisch in elke tablet. Handig om ’s avonds de les in te studeren.

 

Interactiviteit

De meerwaarde in onderwijsinnovatie en ICT ligt in de interactiviteit met je leerlingen.

Een mooi voorbeeld hierbij is Mouse Mischief. Deze plug-in wordt beschikbaar gesteld door Microsoft en werkt op elke computer waarop er Powerpoint 2007 of 2010 is geïnstalleerd. Hoe werkt het? Je maakt een presentatie met ja/nee-vragen of met meerkeuzevragen. Met de nodige USB-hubs (verdeelkastjes die je meer USB-poorten geven) en USB-verlengkabels kan je tot 30 muizen op jouw computer aansluiten: eentje voor elke leerling. Elke muisaanwijzer heeft een ander figuurtje. Zo kan eenieder eenvoudig herkennen welke de zijne is. Bij elke vraag die je lanceert kunnen je leerlingen nu deelnemen aan de quiz. De voordelen zijn duidelijk: je leerlingen letten beter op (gamification!) en je hebt direct feedback als leerkracht in welke mate je leerlingen bepaalde onderdelen van je les al dan niet hebben begrepen. Nadelen zijn dat je geen scores krijgt en dat iedereen uiteraard ziet welke antwoordmogelijkheid de anderen kiezen.

Beter uitgewerkt is Testmoz.com . Deze eenvoudige online-tool biedt een aantal bijkomende voordelen. Zonder registratie op de site kan je snel een quiz maken, vertrekkende vanuit verschillende vragentypes. Je krijgt een URL toegekend dewelke je kenbaar maakt aan je leerlingen. Elke leerling kan vanop de pc, de tablet of de smartphone aanmelden en deelnemen aan de quiz. Je krijgt aan het einde een compleet overzicht van de prestaties van je leerlingen.

Socrative gaat nog een stukje verder. De leerkracht surft naar t.socrative.com of installeert de app en de leerlingen surfen naar m.socrative.com of hebben hun eigen app. Elke leerling meldt zich aan in het “lokaal” dat jij toegekend kreeg. De leerkracht kan vervolgens ter plekke vragen afvuren of een voorafgemaakte quiz starten. De leerlingen kunnen deze dan op het tempo die de leerkracht oplegt of op hun eigen tempo doorlopen. Ook hier wacht er je op het einde van de quiz een werkblad met de uitslagen van alle leerlingen per vraag en in zijn totaliteit. Een nieuwe versie is trouwens reeds gelanceerd: beta.socrative.com

Meer info? www.onderwijsvernieuwing.be

Meer teasers? www.facebook.com/onderwijsvernieuwing

 

Als vreemde eend in Wonderwijswereld – Edushock Leerfestival

edushock

Op 11 december kon je het 2e Edushock Leerfestival bijwonen in het ICC in Gent. Zoals het in onderwijsmiddens past, braafjes op een woensdagnamiddag zodat er geen onmogelijke kunstgrepen nodig zijn om een grotere opkomst te verzekeren, een groter publiek te bereiken en als deelnemer makkelijk zelf te kunnen beslissen over je aanwezigheid.

Om een relaas van deze uiterst aangename namiddag te hebben, moet je maar even Twitter doorzoeken op #elf13 en @edushock. Ik wil me hier beperken tot een paar impressies en observaties…. als vreemde eend.

De keynotes waren een duidelijke poging om andere vreemde eenden uit andere werkterreinen hun licht te laten werpen op onderwijs. Peter Hinssens (@hinssen) was de waardige vervanger van de mensen van Kennisnet en wellicht nog beter geplaatst om even een por te geven richting toekomst. Vertrekkend vanuit de technologische en digitale (r)evolutie rondom ons, kon je niet anders dan vaststellen dat verandering onontkoombaar is. “Het is 5 na 12.”

De keynote van Joan De Winne(@joandewinne) legde de focus op leiderschap in tijden van verandering. Als dat niet kan tellen als een vingerwijzing? En dan toch opvallend hoezeer de “officiële instanties” afwezig waren op een leerfestival dat als missie heeft : “We willen impact hebben op directies en beleidsmakers, leerkrachten, studenten en onderwijsindustrie.”

De meeslepende, overdonderende keynote van Frank Van Massenhove (@FVMas) hield de volledige zaal een uur lang muisstil… zelfs het aantal tweets zakte op dat moment aanzienlijk.

 

De boodschap kwam over: “Onderwijs moet veranderen. En jullie kunnen het.”

 

Verder waren de hele trits aan “workshocks”, doe-sessies over “flipped classroom“, “activerende werkvormen”, de Max-methode, enz enz

Een mens kan nu eenmaal niet alles tegelijk volgen. Daarom is mijn indruk wellicht zeer fragmentarisch maar ik vond het opvallend dat:

  • technologie en digitalisering weinig aan bod kwam
  • didactiek sterk op de voorgrond kwam (maar goed ook)
  • er heel wat “grass root” projecten werden voorgesteld zoals de MaxMethode en de implementatie ervan in 1 school
  • er netjes buiten de invloedsfeer werd gebleven van visitaties, inspecties, leerplannen, koepels, …
  • onderwijsvernieuwing vooral leeft aan de basis (gelukkig maar)
  • daarentegen onderwijsstructuren en -koepels uit het zoeklicht bleven of zelfs afwezig waren
  • enthousiasme aanstekelijk werkt
  • vreemde eenden kunnen helpen (you are as strong as your network is)

Ik wil de organisatoren uitdrukkelijk en bij name bedanken voor zo’n geslaagde namiddag vol inspiratie en passie. Onderwijsvernieuwing is dus volop aan de gang maar er zijn meer Edushock Leerfestivals nodig om het vuur brandend te houden.

#elf13#onderwijsvernieuwing van binnenuit zal sneller gaan dan van bovenuit”.

 

Trend: MOOCs zetten e-leren in de schijnwerper

The New York Times doopte 2012 tot “The Year of the MOOC”. Sindsdien staan MOOCs, voluit Massive Open Online Courses, bovenaan menig trendlijstje. Een MOOC is een vorm van online leren. Net zoals bij andere vormen van afstandsonderwijs volgt de cursist enkel online lessen.

Afstandleren verschilt van blended learning in de zin dat men bij deze laatste ook deels fysiek op de campus aanwezig is. Binnen het afstandsonderwijs onderscheiden MOOCs zich vandaag doordat ze gratis zijn, geen credit opleveren (enkel tegen betaling) en het grote aantal cursisten die deelnemen.

MOOCs ontstonden in Canada vanuit het idee dat onderwijs ‘vrij’ (open) moet zijn, maar de grote doorbraak kwam er in Noord-Amerika nadat enkele nieuwe (meestal for profit) platformen ontstonden zoals Coursera, Udacity en edX. Het initiële succes van MOOCs, en dan vooral binnen de VS, dient men voornamelijk te zien in het licht van de enorme besparingen binnen het onderwijs, de torenhoge studiekosten (een diploma kost er minstens 25.000 dollar) en het gegeven dat reeds vandaag al een derde van alle studenten er via afstandsonderwijs een diploma behaalt.

Vandaag zijn MOOCs voornamelijk het speelveld van (Westerse) universiteiten die ze gebruiken als showcase (marketing voor de instelling) om zich te profileren t.o.v. de concurrentie, maar ook met het oog op het enorm potentieel aan studenten binnen Afrika en Azië. In Europa ziet men MOOCs als een alternatief voor Erasmus en een mogelijkheid tot (hernieuwde) samenwerking met ontwikkelingslanden, vooral Franstalig Afrika. Momenteel vervangen MOOCs nog maar zelden volledige bestaande opleidingen. Tijdens een MOOC-conferentie in Brussel (ACA, 10 oktober 2013) werd data getoond waaruit blijkt dat er in Europa bijna evenveel MOOCs georganiseerd worden als in Noord-Amerika en dat de meest gebruikte taal er ook het Engels is. Het verschil tussen beide continenten is voornamelijk te vinden in de manier waarop het onderwijs gefinancierd en georganiseerd wordt.
“Trend: MOOCs zetten e-leren in de schijnwerper” verder lezen

ICT-monitor (1): basisinfrastructuur

Zoals elders werd aangekondigd zijn de resultaten van de ICT-monitor voor het Vlaamse onderwijs bekend. Om de enorme rijkdom aan data wat meer tot zijn recht te laten komen ga ik hier de komende dagen themagewijs enkele van de vornaamste cijfers in de kijker zetten.

Vandaag: basisinfrastructuur

In vergelijking met vijf jaar geleden is de PC-leerling-ratio met 1 PC per leerling gestegen. Gemiddeld staan er in het gewoon basisonderwijs nu 46 laptops en desktops in een lagere school ofwel 1 PC, laptop, of tablet per 5,7 leerlingen in het gewoon basisonderwijs en 1 PC per 2,7 leerlingen in het buitengewoon onderwijs. De basisscholen hebben ook een inhaalbeweging gemaakt m.b.t. internetvoorzieningen. Bijna alle devices zijn voorzien van internet. In het buiteengewoon basisonderwijs is er 1 PC beschikbaar per 3 leerlingen.

Het (gewoon) secundair onderwijs beschikt over een groot computerpark. Gemiddeld staan er in een secundaire school 188 PC’s, 24 laptops en een tiental tablets en in het BuSO gemiddeld 52.  Vijf jaar geleden was er in het gewoon secundair onderwijs is 1 PC per 3 leerlingen, nu is dat 1 PC, laptop of tablet per 2 (1,8) leerlingen. Die zijn bijna allemaal ook aangesloten op het internet. In het buitengewoon secundair onderwijs is er 1 PC per 3,3 leerlingen.IMG_0816

Deze ratio’s zijn goed in vergelijking met ratio’s van andere Europese landen. Zoals hieronder verduidelijkt, is een flink deel van het computerpark verouderd, d.w.z. ouder dan 4 jaar. Daarom werd ook een computer-lln ratio berekend met enkel de devices jonger dan 4 jaar. Voor het basisonderwijs krijgen we dan 1 PC per 15 leerlingen; voor het buitengewoon basisonderwijs 1 Pc per 6 leerlingen; voor secundair onderwijs 1 per 3 leerlingen en voor buitengewoon secundair onderwijs 1 PC per 8 leerlingen.

Het computerpark in het onderwijs is sterk verouderd. In het gewoon en buitengewoon basisonderwijs is 53% van de PC’s ouder dan 4 jaar. En bijna 33% tussen de 1 en 4 jaar oud. Slechts 11% van het computerpark is nieuw (jonger dan 1 jaar). De situatie is iets beter in het secundair onderwijs, maar is er op achteruit gegaan tegenover 5 jaar geleden. In het gewoon secundair onderwijs bedraagt de gemiddelde leeftijd in de helft van de computers tussen 1 en 4 jaar. Toch is ook daar 36,2% van de computers ouder dan 4 jaar. Slechts 12% van de PC’s zijn nieuw. In deze cijfers zijn tablets niet inbegrepen. Het buitengewoon secundair onderwijs beschikt over het meest verouderde PC-park over alle onderwijsniveaus en types heen. Bijna 54% van de computers is ouder dan 4 jaar, 40% tussen 1 en 4 jaar en slechts 7,5% is nieuw.

 Ook interessant is de herkomst van de computers. Ook hier weer zien we grote verschillen tussen het basis- en secundair onderwijs. In het basisonderwijs is slechts 50,7% van de PC’s nieuw aangekocht materiaal, 46% zijn tweedehands aangekochte of giften. We zien wel een tendens (verschuiving met10%) naar meer nieuw aangekocht materiaal. In het secundair onderwijs is de situatie wel gunstiger. Bijna 83% van het computerpark bestaat uit nieuw aangekochte PC’s, 12% zijn tweedehands en 4,3% komt zijn schenkingen. Ook hier merken we de trend naar meer nieuw aangekocht materiaal en minder tweedehands of giften. Binnen het secundair onderwijs zijn er op dit vlak wel grote verschillen tussen gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. In het buitengewoon secundair onderwijs maakt men veel meer gebruik van tweedehands materiaal (13,3%) en giften (30%) dan het gewoon secundair onderwijs.

kids_education_tablet2 Tablets

De introductie van tablets in het onderwijs is voorlopig nog beperkt, al blijkt uit de cijfers wel een grote experimenteerdrang   op dit vlak. In de grote meerderheid van de basisscholen (88%) zijn er geen tablets. De overige 12% experimenteren er mee en in 3,2% van de basisscholen zijn er meer dan 10 tablets aanwezig. In het secundair onderwijs kochten meer dan 1/3 van de scholen tablets aan, maar er zijn grote verschillen qua aantallen. Slechts 1 op 10 secundaire school heeft meer dan 10 tablets voor educatief gebruik.

Internetvoorzieningen

Ook op vlak van internetfaciliteiten zijn de scholen er op vooruit gegaan. 77% van de basisscholen en 75% van de secundaire scholen beschikt over draadloos internet (tegenover resp. 33% en 50% in MICTIVO 1). In het basisonderwijs beschikt 70% en in het secundair onderwijs bijna 90% over een lokaal (intern) netwerk. Die cijfers lijken goed, maar gezien het relatief grote aantal computers per school zouden eigenlijk alle scholen over zo’n intern netwerk moeten beschikken.

Breedbandinternettoegang is nog steeds niet 100% dekkend en dit ondanks de raamovereenkomst met Telenet die voor de data- afname werd gesloten. In het basisonderwijs beschikt 86% van de scholen over breedband en in het secundair onderwijs is dat 92%.

Re:Pest geïntegreerd programma tegen pesten op school

banner

De preventie van pestgedrag, zelfdoding en psychische problemen staan hoog op de maatschappelijke agenda. Het voorbije jaar zijn we er meermaals mee geconfronteerd en al te veel leerlingen krijgen er  tijdens hun opleiding mee te maken. Het welbevinden van leerlingen op school is dan ook een van de speerpunten van het onderwijsbeleid.

Daarom lanceert het Departement Onderwijs het geïntegreerde programma Re:Pest. Dit lessenpakket wil een bijdrage leveren aan het voorkomen van pestgedrag op school en aan het verhogen van het welbevinden in de klas. Het lessenpakket richt zich op de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs.

 Re:Pest is een educatief project tegen pesten dat bestaat uit verschillende onderdelen en dat gericht is op leerlingen uit de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs. Het creëert een toegevoegde waarde bij al genomen maatregelen ter bestrijding van pestgedrag. Re:Pest bestaat uit volgende  onderdelen:

  • De handleiding is een hulpmiddel voor schoolpersoneel dat samen met leerlingen werkt aan een veilige leeromgeving. Het biedt naast achtergrondinformatie over pesten ook een uitgewerkt lessenpakket aan van vier lesuren. In dit lessenpakket worden verschillende werkvormen toegelicht zoals de game, onderwijsleergesprekken, rollenspelen, stellingenspel,…
  • De vorming voor leerkrachten bereidt leerkrachten voor om van start te gaan met het lessenpakket. De filosofie van waaruit vertrokken wordt in het Re:Pest verhaal wordt verduidelijkt.
  • De website, www.howest.be/repest, is bij de lessenreeks een omvangrijke bron van aanvullende informatie zoals voorbeelden, filmpjes, oefeningen, wetenschappelijk onderzoek en actuele berichtgeving.
  • Een gids voor ouders bevat informatie over de problematiek van het pesten. Het geeft tips aan ouders van kinderen die geconfronteerd worden met pestgedrag. Deze gids wordt ter beschikking gesteld van de scholen die intekenen op Re:Pest.
  •  Het educatieve 3D game Re: pest. Bijzonder aan dit lessenpakket is de game Re:Pest. Geïnspireerd door het Finse KIVA-project en dankbaar gebruik makend van de Kortrijkse antipestgame werd een serious game op punt gesteld. Leerlingen maken aan de hand van dit game op een aantrekkelijke manier kennis met situaties en  rollen die bij pestgedrag voorkomen. Een computergame maakt als dusdanig nog geen deel uit van de leermiddelen en maatregelen die binnen het bovenvermelde beleid inzake het tegengaan van antisociaal gedrag – waar cyberpesten onmiskenbaar deel van uitmaakt –  genomen werden. Echter, de Hogeschool West- Vlaanderen en Katho (Ipsoc) ontwikkelden een antipestgame in opdracht van de Stad Kortrijk. Het spel is een  simulatiegame en werd gebruikt in het kader van preventieactiviteiten van de Stad Kortrijk.

Scholen die aan de slag willen gaan met Re:Pest vinden meer informatie op www.howest.be/repest .

Herfstschoonmaak voor je slome computer

Iedereen kent het wel: je installeert steeds weer nieuwe dingen op je computer (“Je moet toch bijblijven in het onderwijs…!”), je kinderen doorkruisen het WWW op je computer (“Het moet voor school!”) en na verloop van tijd wordt je computer steeds trager, verschijnen er steeds meer foutmeldingen op je scherm en zijn er vervelende boodschappen die je maar niet weg krijgt.

Dus wil je je geliefde werkinstrument een herfstschoonmaak geven. Maar hoe doe je dat?

We geven je enkele zeer eenvoudige en snelle tips om weer vlot aan de slag te kunnen:

 

Verwijder programma’s die je niet meer gebruikt.

Ga hiervoor via de startknop (links onderaan je scherm) naar “configuratiescherm”. Kies voor ‘programma’s verwijderen’ en overloop de lijst. Merk je een programma op dat je niet langer denkt te gebruiken? Via de knop ‘verwijderen’ verwijder je ook daadwerkelijk alle onderdelen en ben je zeker dat er geen vervelende deeltjes van die software actief blijven. Let wel: verwijder geen cruciale elementen!

 

Installeer een goede virusscanner

Betalen voor een virusscanner moet je zeker niet doen. Je moet wel even opletten welke virusscanner je binnenhaalt. Je zou immers niet de eerste zijn die er zich een (gratis…) virus mee op de hals haalt!

Microsoft Security Essentials is best ok. Downloaden doe je alleen maar via de Microsoft-site!

http://windows.microsoft.com/nl-nl/windows/security-essentials-download

Maar ook AVG scoort goed. Let tijdens de installatie op dat hij je geen betalende versie opdringt en er kan niets meer fout lopen.

http://free.avg.com/ww-en/free-antivirus-download

Stel je virusscanner zo in dat hij automatisch updates ophaalt én regelmatig een scan van je computer maakt.

 

Installeer je Windows-updates

Windows updates zijn zoals regenbuien in de herfst. Er lijkt geen einde aan te komen. Maar je doet er wel goed aan deze te installeren: steeds nieuwe gaten in de beveiliging van je systeem worden ondermeer op die wijze gedicht.

Het gemak dient de mens, dus doe je het automatisch: Klik op de knop Start, klik op Alle programma’s en klik vervolgens op Windows Update. Bij “instellingen wijzigen” kan je dan aanduiden dat “updates automatisch geïnstalleerd worden”.

 

Maak plaats op je harde schijf

Een harde schijf die bijna vol staat vertraagt je pc aanzienlijk en verhoogt het risico op een crash. Voorzie dus steeds minimaal 20% vrije ruimte op je schijf. Controleren kan door via de startknop op “computer” te klikken en te kijken hoeveel Gb er nog beschikbaar is.

Een Must-have is echt wel Ccleaner, te downloaden via http://www.filehippo.com/download_ccleaner/

Na een simpele installatie kan je direct aan de slag. Vooreerst veeg je met de borstel (cleaner) alle ongebruikte en overbodige bestanden van je schijf (vaak meer dan enkele Gb’s!) om vervolgens je register te scannen op fouten.

 

Spionage!

Vervolgens laten we Spybot (http://www.filehippo.com/download_spybot_search_destroy/) eens los op onze computer: deze scant je volledige computer op verdachte elementen en neutraliseert deze. Regelmatig herhalen is de boodschap!

 

Langspeelplaat

Je harde schijf defragmenteren is wat uit de mode geraakt, maar is nog steeds zinvol. Vergelijk het met een oude langspeelplaat waar je fragmentjes uit wil spelen: duurt een eeuwigheid door steeds te moeten verspringen. Als je bestanden op je harde schijf teveel uit elkaar liggen, dan heb je hetzelfde effect: trage computer… Dus even via de startknop naar bureau-accessoires gaan en daar schijfdefragmentatie starten.

 

Awesome presentaties maken?

Powerpoint-presentaties zijn vaak vooral slaapverwekkend. De reden is zeer simpel: het is een typisch voorbeeld van niet ‘out-of-the-box’ kunnen denken. Ken je nog de aloude overheadprojector? Je printte een aantal slides af met daarop vooral veel tekst en je nam een blanco blad. Dat gebruikte je om stap per stap de inhoud van je slides zichtbaar te maken op je overheadprojector. En Powerpoint die bracht niets nieuws. Oude wijn, weet je wel. In plaats van je tekst te printen op slides, kon je deze direct projecteren. Powerpoint bracht zelfs meer nadelen dan voordelen: steeds meer slides, steeds meer tekst én… de alom gevreesde ‘animaties’. Tekst kwam vanaf nu naar believen binnengewaaid, gevlogen, gedraaid,…
Naar het schijnt zijn er zelfs mensen door bezweken: dead by Powerpoint…

Prezi was al een verbetering. Eindelijk iets nieuws om presentaties mee te geven. Er werd vertrokken van de logische gedachte van 1 canvas waarop alles stond. Vergelijk het met een schematische voorstelling van het geheel van je inhouden. Plotsklaps werden onderlinge verbanden duidelijk en werd de visualisering een meerwaarde: de visuele content onthouden we immers veel beter dan de typische Powerpoint-opsommingen.

Maar kan het nog beter? PowToon doet alleszins een verdienstelijke poging. Men speelt er in de eerste plaats in op het ‘redundancy effect’. Lijsten met opsommingstekens worden zoveel mogelijk achterwege gelaten en het visuele aspect van je presentatie neemt het definitief over van de geschreven content. Je inhoud moet immers niet getypt staan op je presentatie om vervolgens af te lezen, maar moet je gewoon mondeling overbrengen aan je publiek. Waarom? Omdat we nu eenmaal sneller kunnen lezen dan dat we kunnen horen. Je opsomming in je Powerpoint-dia is dus vele malen sneller gelezen door je publiek dan dat jij kan vertellen. En daarom slaat zo snel de verveling toe bij je toehoorders…

Zijn er dan geen nadelen aan PowToon?
Zeker en vast wel. Vooreerst is de invalshoek nogal ‘Amerikaans’. Je weet wel: alles moet snel gaan en je moet zeer regelmatig het woord “awesome” gebruiken. Naar mijn bescheiden mening is Powtoon ook eerder geschikt om een online-filmpje te maken van je presentatie dan om live voor een publiek te brengen. Maar… is dat niet de bedoeling als we de adepten van “blended learning” mogen geloven?
En oh ja…wil je je gratis account overstijgen? Dan kost het je 228 dollar. Per jaar…

Niettegenstaande PowToon met name gericht is naar het bedrijfsleven, denkt men ook aan het onderwijs. Daartoe schreef men het boek “Cartoons in the classroom”, gratis te downloaden via https://s3.amazonaws.com/powtoon/books/Cartoons-in-the-Classroom-Book.pdf

Zelf aan de slag? http://www.powtoon.com/